Thales van Milete (ca. 652 – 545 v.Chr.)

Report
Filosofie & Religiositeit
Reflecties op religie in een
post-moderne wereld
Welkom!
oorsprong westerse filosofie: Griekenland 585 v. Chr.
MILETE
Xenophanes
•
•
•
(ca. 570 - ca. 475 v. Chr)
kritiek op de mythologie:
is antropomorf en cultuur-specifiek
reductionisme:
er is één oer-principe, immanent in de
kosmos aanwezig, heeft altijd al bestaan
voorwaardelijkheid van kennis:
de waarheid kunnen wij niet kennen, dus
moeten we ons beperken tot hypothesen
pre-socraten
± 585 - 400 v. Chr.
Natuur-filosofen (empiristen): waarneming & ervaring
Onderzoeken & vergelijken natuurlijke fenomenen,
en komen zo tot een theorie (kosmologie / fysica)
pre-socraten
± 585 - 400 v. Chr.
Eleaten (rationalisten): vertrouwen niet op
waarneming, maar op de rede, logica en wiskunde
Zijn op zoek naar het wezen / de essentie van dingen
Klassieke periode van ± 400 - 323 v. Chr.
Socrates (470-399 v.Chr.): dialectische ondervraging
om via twijfel en filosofie tot hoger inzicht te komen
Plato (427-347 v.Chr.): zintuiglijke wereld is schijn,
alles gaat voorbij, niets blijft: alles wordt, niets is
Plato
(427-347 v. Chr.) analogie van de grot
het prille christendom in Griekenland
323 v.Chr: Hellenistische periode: Griekenland steeds meer ingelijfd bij Romeinse Rijk
300 v.Chr: Oude Testament vertaald naar het Grieks
1e eeuw: Nieuwe Testament geschreven, evangelie verspreid
m.n. Paulus (van Tarsus), en Johannes (van Ephese)
apologeten (zoals Tertullianus) verdedigden & onderbouwden christelijke leer
Romeinse Rijk : 14 - 117 n. Chr.
2e eeuw: waren er in het hele Romeinse rijk al christelijke gemeenten
100 - 325: vormen van de kerk & patristische filosofie (kerkvaders)
1e tot 4e eeuw: christen-vervolgingen (evangelie was verboden)
rond 330: Constantijn de Grote schafte de christen-vervolgingen af
4e en 5e eeuw: steeds meer religies & heidense praktijken verboden
529: Justinianus sluit de Academie (van Plato), Griekse filosofie verboden
330 - 800: patristiek: uitwerken van de leer (huwelijk filosofie & theologie)
Aurelius Augustinus (354 – 430)
Stelt geloof boven kennis maar stelt ook vragen:
• Hoe kan de ontstaansgeschiedenis van de
wereld volgens het evangelie uit de Bijbel
filosofisch worden begrepen en onderbouwd?
• Hoe gaat de vrije wil samen met predestinatie
& goddelijke voorzienigheid?
Oplossing:
• De tijd bestaat slechts in het menselijk
bewustzijn. God staat buiten de tijd, alles
(van begin tot einde) is NU voor hem:
"Voor God is niets veraf of langdurig. Wil je,
dat voor jou niets veraf of langdurig is, voeg
je dan bij God, want daar zijn duizend jaar als
de dag van heden"
Scholastiek
± 800 - 1100
9e - 12e eeuw: voornamelijk neo-platonisme
Universaliën-strijd: realisme vs. nominalisme
• realisme: algemene begrippen bestaan
zelfstandig, individueel geval is exemplaar
• nominalisme: algemene begrippen zijn
slechts een veralgemenisering, een keninstrument van het verstand
Paulus Venetus: "flatus voci“
Scholastiek
± 1100 - 1500
1100 - 1270: kruistochten waren kruisbestuiving
en bloeitijd van wetenschap, filosofie en kunst
13e eeuw: onder invloed van islamitische filosofie
(Avicenna, Averroës) meer Aristoteles
14e - 15e eeuw: enorme populariteit van
Aristoteles, en toename van nominalisme
15e eeuw: boekdrukkunst: zelfstudie
vanaf 1517: reformatie: breuk met de katholieke
kerk = breuk met centraal gezag van Rome
16e - 17e eeuw: scholastiek & theocentrisme
maken plaats voor renaissance & humanisme
Verlichting
17e & 18e eeuw
Wetenschappelijke Revolutie:
• werkelijkheid (natuur) bestuderen d.m.v. observatie
• dualisme: subject (actief) / object (passief)
•
•
rationalisme: wiskunde & theorievorming
empirisme : experiment & waarneming
Romantiek & Idealisme
(eind 18e – begin 19e eeuw)
1789: Franse Revolutie
1800 - 1815: Napoleontische veldtochten
Hegel: Phänomenologie des Geistes (1807)
• subject / object in historische dynamisch proces
• geest ontplooit zich in dialectisch proces:
these - anti-these - synthese
- oorsprong = onbewuste individuele geest
- doel = bewuste collectieve vrije absolute geest
- Absolute Geest = God
Schopenhauer: Welt als Wille und Vorstellung (1819)
• geen dood object tegenover bewust subject
• zowel mens & natuur = blinde wil tot bestaan
• de wil = niet in dialectiek naar Absolute Geest,
maar oorzaak van lijden (vgl: boeddhisme)
Atheïsme 2e helft 19e eeuw
Marx (Communistisch Manifest, 1848):
• de heersende ideologie is altijd de
ideologie van de heersende klasse
• religie is opium van het volk
Darwin (On the Origin of Species, 1859):
• mens = product van blind evolutie-proces
• best aan omgeving aangepaste overleeft
Nietzsche (gepubliceerd: 1862 - 1889):
• dood van God / religie = slavenmoraal
• levensfilosofie / wil tot macht /
übermensch
Freud (eind 19e – begin 20e eeuw)
• God is projectie van vaderlijke autoriteit
• religie = coping-mechanisme met
sterfelijkheid
Conclusie “huwelijk tussen geloof en filosofie”
Geschiedenis van de filosofie is een worsteling met de taal
•
•
•
•
•
•
•
Pre-socraten: op zoek naar één onderliggend principe, één oer-stof of oer-wet
vanaf Socrates/Plato:”linguistic turn”: primaat van de begrippen / ideeën (Vormen-wereld)
middeleeuwen: zijnsleer, Godsbewijzen en Universalia-strijd (realisme vs. nominalisme)
wetenschappelijke revolutie dreef een wig tussen filosofie en theologie
sinds 2e helft 19e eeuw toenemende secularisatie, in 20e eeuw nog meer
Linguistic Turn: “taal zegt meer over onszelf dan over de werkelijkheid”
filosofen & theologen na Nietzsche / Freud hebben zich toegelegd op taal & psychologie
i.p.v: "wat / waar is God?“, werd de vraag nu: "wat betekent God?“ (Les 7 & 8)
Filosofie & Religiositeit
Reflecties op religie in een
post-moderne wereld
Tot volgende week!

similar documents