deel 5 preventie en begeleiding

Report
Behandeling en begeleiding
Behandeling
• 1, Psychoeducatie:
- pedagogische ondersteuning
- emotionele onderstueuning
• 2, Behandeling van de verstandelijke
beperking:
preventie
Psychoeducatie: pedagogische
ondersteuning
• educatieve en opvoedkundige interventies om
zowel de ouders als het kind te leren omgaan
met beperkingen. De nadruk wordt gelegd op
- het verwerven van kennis over de beperking,
- het aanleren van vaardigheden in de
omgang,
- het verkrijgen van zelfvertrouwen en
- de acceptatie van de beperking.
Psychoeducatie: pedagogische
ondersteuning
• Met de ouders en indien mogelijk met het kind wordt overlegd over
- mogelijke aanpassingen in de thuis- en opvoedingssituatie,
- het aanbod van dagbesteding of school die het best past bij het
ontwikkelingsniveau van het kind (type scholen, MPI’s)
- mogelijke aanpassingen in naschoolse en/of sportactiviteiten
passend bij het ontwikkelingsniveau van het kind (bijv akabe)
- het aanbod van maatschappelijke organisaties voor verstandelijk
beperkten (bijv sportverenigingen)
- mogelijkheden voor (weekend)opvang binnen de
gehandicaptenzorg, ambulante behandelingsmogelijkheden en
(dag)klinische opname binnen de geestelijke gezondheidszorg (bijv
kortopvang, raadplegingen)
• Bij genetische aandoeningen met een
gedragsfenotype gekenmerkt door
gedragsproblemen (bijvoorbeeld automutilatie bij
het Smith-Magenis syndroom) is het informeren
van de familieleden en verzorgers van het
grootste belang. Inzicht in de problematiek
neemt alle eventuele schuldgevoelens weg en is
een eerste stap naar aanvaarding van de
beperkte mogelijkheden van behandeling
•
• Kinderen met een verstandelijke beperking hebben
ouders/verzorgers nodig die nog gevoeliger en ontvankelijker zijn
voor hun behoeften dan kinderen zonder beperking. Ouders in
multi- probleem gezinnen ervaren nog meer moeite in het
opvoeden van hun verstandelijk beperkte kind. In sommige gevallen
kan dit leiden tot verwaarlozing en kindermishandeling en een falen
in het ontstaan van een gezonde hechtingsrelatie tussen ouders en
kind. Veel van de gedragsproblemen die deze kinderen
ondervinden, kunnen worden toegeschreven aan deze ongunstige
factoren. Een vroege onderkenning van de beperking en
ondersteuning van dit soort gezinnen zal meestal starten met
psycho-educatie over de verstandelijke beperking en de mogelijke
emotionele problemen en gedragsproblemen.
doelen van kennis, vaardigheden, zelfvertrouwen en acceptatie
•
wordt gestreefd naar een passend aanbod voor ouders en kinderen
(Bohlmeijer, 1994).
- Dit kan zowel op het kind, ouders of families zijn gericht
- individueel of groepsgewijs worden aangeboden.
Grootste uitdaging in het proces is vaak niet de keuze daarvan, maar de
praktische uitvoering ervan binnen het gezin (Russell, John, &
Lakshmanan, 1999).
Er zijn diverse methoden en technieken ontwikkeld die kunnen worden
gebruikt in het individuele psycho-educatieproces: Het kan hierbij gaan
om het leren uiten van emoties, begrijpen en accepteren van de eigen
beperking(en), rekening houden met anderen, sociale vaardigheden,
negatieve gedachten omzetten in positieve gedachten, seksualiteit en het
vergroten van het zelfvertrouwen (Ponsioen, 2010). Belangrijk is dat het
kind of de jeugdige (patiënt) het probleem zelf moet ervaren.
Methoden
• Methoden zijn onder andere: Ik ben speciaal (Vermeulen, 2004),
ToM training (Steerneman, 2004), diverse Sova-methodieken,
visualisaties en foto- en emotiekaarten.
•
“Samen Stevig Staan” is een voorbeeld van een training die is
ontwikkeld door onderzoekers van de Universiteit Utrecht
(Schuiringa e.a., 2011) in samenwerking met behandelaars van
diverse instellingen voor licht verstandelijk gehandicapten (LVG). De
training is een aanpassing van de cognitieve gedragstherapie
“Minder Boos en Opstandig” (Van de Wiel, Hoppe, & Matthys,
2003), en is bedoeld voor kinderen en jongeren van 9 tot 16 jaar
met oppositioneel-opstandige of antisociale gedragsproblemen en
voor hun ouders. De training bestaat uit twee delen: een
kindtraining en een oudertraining, die onderling samenhangen.
Zowel de kind- als oudertraining wordt in groepsverband gegeven.
• Samen Stevig Staan is een
behandelprogramma voor jeugdigen 9 tot 16
jaar met een licht verstandelijke beperking in
combinatie met gedragsproblemen. Doel is
vermindering van het probleemgedrag van het
kind door de opvoedingsvaardigheden van de
ouders en de sociale vaardigheden en
probleemoplossende vaardigheden van de
jeugdigen te trainen in groepsbijeenkomsten.
Minder boos en opstandig
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Doelgroep
Het behandelprogramma is bedoeld voor kinderen van 8 tot en met 12 jaar met een Disruptieve Gedragsstoornis
(eventueel met co-morbiditeit ADHD en leerstoornissen) en hun ouders. 'Minder Boos en Opstandig' kan ook
toegepast worden bij kinderen die veel risico lopen om een disruptieve gedragsstoornis te ontwikkelen, maar net
niet voldoen aan alle criteria.
Doelstelling
Het programma is ontwikkeld voor de behandeling van gedragsstoornissen en is gericht op het laten afnemen van
negatief probleemgedrag en het laten toenemen van pro-sociaal gedrag.
Aantal zittingen
Beide trainingen bestaan uit 18 bijeenkomsten, eventueel aangevuld met boosterbijeenkomsten. De
bijeenkomsten van de ouders duren 90 minuten, die van de kinderen 75 minuten.
Vorm
De ouder- en kindtrainingen worden in groepsverband gegeven aan 5 kinderen en hun ouders.
Uitvoerenden
Beide trainingen worden verricht door twee, dezelfde trainers. Bij minimaal een van de trainers dient een grondige
kennis aanwezig te zijn van de leertheoretische principes, evenals de vaardigheden om deze op systematische
wijze toe te kunnen passen. Ervaring in het werken met groepen is gewenst. Het programma kan uitgevoerd
worden door psychologen, pedagogen, verpleegkundigen, groepsleiders en maatschappelijk werkers. Het wordt
aanbevolen om een ervaren, gedragstherapeutisch geschoold clinicus mee te laten denken in de behandeling
wanneer het behandelprogramma in een setting wordt geïntroduceerd, met name wanneer het een setting
betreft waar kinderen met complexe problematiek worden behandeld.
Voorbereiding
Het protocol is direct toepasbaar in de praktijk. Indien gewenst kan een 2-daagse workshop worden gevolgd.
Op families gerichte programma’s
•
focussen op het versterken van de
vaardigheden van het kind binnen het gezin
waarbij de familie als geheel beter gaat
functioneren. Onderzoeken toonden aan dat deze
aanpak significant resultaat opleverde in het
welbevinden. Als voorbeeld voor het werken met
gezinnen geldt de module (met richtlijnen en
technieken) “Families First” voor Licht
Verstandelijk Gehandicapte Jeugdigen die sinds
1998 succesvol functioneert in diverse regio's in
Nederland.
Families first
Families First is een vorm van intensieve hulpverlening in het gezin, bedoeld voor gezinnen in acute
crisissituaties waarbij uithuisplaatsing van kinderen niet meer te voorkomen lijkt. De hulpverlening start
meestal binnen 24 uur na aanmelding en duurt maximaal vier tot zes weken. De hulp is kortdurend, planmatig
en intensief: de gezinswerker is in principe 24 uur per dag bereikbaar en komt bijna dagelijks in het gezin. De
hulp richt zich nadrukkelijk op het gezin als geheel.
Visie/uitgangspunten
De hulp die geboden wordt is gebaseerd op systeemtheoretische, leertheoretische en cognitiefgedragstherapeutische principes. Tevens kunnen er de volgende uitgangspunten onderscheiden worden:
Kinderen kunnen het beste opgroeien in een gezin.
De veiligheid van het kind in het gezin staat voorop.
In ieder gezin zijn mogelijkheden tot verandering.
Families First is gericht op het versterken van de positieve krachten binnen het gezin.
Families First respecteert de normen en waarden van de gezinnen waarmee wordt gewerkt.
Gezinsleden hebben de wil tot verandering.
Een crisis biedt extra mogelijkheden tot verandering.
Doel van de methodiek
Na afsluiting van het contact met de gezinswerker is de crisis bezworen, is er geen dreigende uithuisplaatsing
meer en is passende vervolghulp ingeschakeld.
Doelgroep
Het programma is bedoeld voor gezinnen in crisis, waar de veiligheid van de kinderen dermate wordt bedreigd
dat uithuisplaatsing van een of meer kinderen ophanden is.
Preventie
• Primaire preventie:
voorkomen van verstandelijke beperking
• Secundaire preventie:
gericht op vroege diagnose en behandeling
• Tertiaire preventie:
limiteren van de beperking
Psychoeducatie: emotionele
ondersteuning
• Tijdens de laatste fase van aanvaarding en
aanpassing doen de ouders alles om hun kind
beter te leren kennen en te begrijpen. Het
aanvaardingsproces begint bij het besef van
de ouders dat ze het kind nooit kunnen
veranderen. Het is een proces zonder einde.
Psychoeducatie: emotionele
ondersteuning
• Omdat een kind met een beperking extra zorgen vraagt, hebben de
ouders vaak minder tijd en energie voor elkaar en/of voor de
andere kinderen. De dagelijkse reis naar de school, de tijd nodig
voor extra therapieën, zoals kinesitherapie of logopedie, de
frequente consultaties en/of opnamen in het ziekenhuis, de
behoefte aan extra begeleide ontspanningsactiviteiten, de
beperkingen bij uitstappen en vakantie en de extra financiële
kosten voor al deze activiteiten zijn een extra belasting voor het
ganse gezin.
•
Deze emotionele, sociale en financiële moeilijkheden
gedurende het verwerkingsproces kunnen de kwaliteit van het
leven van gezinsleden negatief beïnvloeden en leiden tot
spanningen en conflicten tussen de gezinsleden.
Pschoeducatie: emotionele
ondersteuning
• Een totale benadering van en zorg voor het ganse gezin
is aangewezen. Toch schiet de hulpverlening vaak
tekort bij het steunen en begeleiden van de
familieleden gedurende deze moeilijke periode. Als
gevolg van deze inadequate hulpverlening zijn de
ouders vaak gedwongen zelf oplossingen te zoeken.
• Een multidisciplinaire benadering met een
totaalbenadering van kind en gezin is essentieel. Het is
belangrijk dat er naast de medisch technische en
pedagogische opvang van het kind ook ondersteuning
en begeleiding is van de ouders en de andere
gezinsleden (Sen & Yurtsever, 2007).
Psychoeducatie: emotionele
ondersteuning
• Bij de diagnose verstandelijke beperking bij een kind gaan de
ouders en vaak de hele familie door een emotioneel moeilijke
periode.
•
De reacties van de ouders worden ietwat kunstmatig
onderverdeeld in drie groepen: de initiële reactie (de eerste fase)
wordt meestal gekenmerkt door shock met gevoelens van
hulpeloosheid, hopeloosheid en ontgoocheling. Ontkenning is een
verdedigingsmechanisme uitgelokt door angst voor het onbekende,
de komende verantwoordelijkheden en de zorg voor de toekomst.
De dromen en verwachtingen van het ‘ideale kind’ verdwijnen met
het meedelen van de diagnose ‘verstandelijke beperking’ en veel
ouders gaan door een fase van lijden, depressieve gevoelens,
teruggetrokken gedrag en vermijding van sociale activiteiten.
Psychoeducatie: emotionele
ondersteuning
• Na deze eerste moeilijke periode gaan de
meeste ouders door een tweede fase
gekenmerkt door schuldgevoelens en
gevoelens van kwaadheid en schaamte.
Nadien volgt een periode met zoeken naar
hulp en oplossingen, meestal bij professionals
waarbij wordt gehoopt op een ‘magische
behandeling’ met totaal herstel van het kind.
• Een belangrijke uitkomst van psycho-educatie
naast het welbevinden van ouders en kind en
de acceptatie van de beperking is het
verschaffen van hoop. Verminderde hoop bij
ouders blijkt gerelateerd te zijn aan
toegenomen gedragsproblemen bij
verstandelijk beperkte kinderen
Behandeling van de verstandelijke
beperking: preventie
Preventie
• Primaire preventie:
voorkomen van verstandelijke beperking
• Secundaire preventie:
gericht op vroege diagnose en behandeling
• Tertiaire preventie:
limiteren van de beperking
Primaire preventie
• Echtparen met zwangerschapswens:
- genetisch advies
- opvolging van de zwangerschap met ev
amniocentese en/of NIPT
- neonatale tests: phenylketonurie,
hypothyroidie
- vaccinatie tijdens de kinderjaren
- behandelen van encefalitis en meningitis
Preventie
• Primaire preventie:
voorkomen van verstandelijke beperking
• Secundaire preventie:
gericht op vroege diagnose en behandeling
• Tertiaire preventie:
vermijden van verwikkelingen en
optimaliseren van het functioneren
Secundaire preventie: vroege detectie
• - bij kinderen met een verhoogd risico:
prematuren, asfyxie neonataal
• Diagnose van
- ernstige verst bep: 6-12 mdn
- lichte verst bep: 2j
• Opvoedingsinterventies
(stimuleringsprogramma’s) :
opvoedingsinterventies hebben een effect op
cognitie en gedrag
voedingsinterventies hebben een effect op de
lichamelijke gezondheid
Preventie
• Primaire preventie:
voorkomen van verstandelijke beperking
• Secundaire preventie:
gericht op vroege diagnose en behandeling
• Tertiaire preventie: vermijden van
verwikkelingen en optimaliseren van het
functioneren
•
Tertiaire preventie
• Emotionele ondersteuning en egeleiding van
de familie
• Zelfhulpgroepen voor de ouders (bijv pws)
• Medische en psychologische opvolging
• Stimulatie
• Aangepast onderwijs
• Begeleiding bij het zoeken naar werk
Aangepast onderwijs:
Bijzonder onderwijs
•
•
•
•
Bijzonder lager onderwijs
Bijzonder secundair onderwijs
Geïntegreerd onderwijs (Gon)
Inclusief onderwijs (ION)
Aangepast onderwijs op maat van het kind heeft als doel de capaciteiten en sterkten
van het kind te stimuleren, de tekorten en zwakke kanten te remediëren en het kind
zoveel mogelijk voor te bereiden op een leven in de maatschappij
• Het onderwijs voor kinderen met een ernstige beperking
richt de aandacht op de verwerving van vaardigheden
nodig voor zelfverzorging, zoals wassen, eten en kleden.
•
Kinderen met een matig verstandelijke beperking
worden algemene vaardigheden bijgebracht, zoals koken,
eenvoudige arbeid, sociale omgangsregels en gebruik van
openbaar vervoer en ontspanningsmogelijkheden.
•
Kinderen met een lichte beperking krijgen een aanbod
van de schoolse basisvaardigheden, zoals lezen, schrijven
en rekenen. In België is dit buitengewoon onderwijs
opgedeeld in acht typen, waarbij drie van de acht typen zijn
gericht op het onderwijs van verstandelijk beperkte
kinderen:
Bijzonder lager onderwijs tot juni 2015
• type 1: onderwijs voor kinderen met een lichte verstandelijke
beperking
• type 2: onderwijs voor kinderen met een matige of ernstige
verstandelijke beperking
• type 3: onderwijs voor kinderen met ernstige emotionele
problemen en/of gedragsproblemen
• type 4: onderwijs voor kinderen met een lichamelijke handicap
• type 5: onderwijs voor kinderen die opgenomen zijn in een
ziekenhuis of op medische gronden verblijven in een preventorium
• type 6: onderwijs voor kinderen met een visuele handicap
• type7: onderwijs voor kinderen met een auditieve handicap
• type 8: onderwijs voor kinderen met leerstoornissen
Bijzonder lager onderwijs vanaf 1
september 2015
• M-decreet
Op 12 maart 2014 stemde het parlement het Mdecreet waarbij ‘M’ staat voor “maatregelen voor
leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften”.
Kinderen met specifieke onderwijsbehoeften die mits
redelijke aanpassingen door de school het curriculum
van het gewoon onderwijs kunnen volgen, krijgen nu
het recht om zich in te schrijven in een gewone school.
Redelijke aanpassingen zijn bijvoorbeeld laptops in de
les, rekenmachines, langere toetstijden enzovoort.
Inclusie is vanaf nu de regel, buitengewoon onderwijs
de uitzondering.
Bijzonder lager onderwijs vanaf 1
september 2015
• M-decreet
Het buitengewoon onderwijs blijft bestaan, maar er komen
nieuwe definities voor enkele types. Type 1 (leerlingen met
een licht verstandelijke beperking), type 8 (leerlingen met
ernstige leerstoornissen) en opleidingsvorm 3, type 1 (in
het buitengewoon secundair onderwijs) worden geleidelijk
afgebouwd en omgevormd tot het nieuwe type
‘basisaanbod’. Leerlingen uit dat nieuwe type kunnen na
een positieve evaluatie van de school en het CLB na verloop
van tijd terug in het gewoon onderwijs instromen. Er komt
ook een nieuw type 9 voor kinderen met autisme die geen
verstandelijke beperking hebben en ondanks GONondersteuning niet in het gewoon onderwijs terecht
kunnen.
• Er komen nieuwe toelatingsvoorwaarden voor het buitengewoon
onderwijs. Zo zal een gewone school bij de doorverwijzing naar een
school voor buitengewoon onderwijs moeten aantonen dat ze in
samenwerking met het CLB wel degelijk maatregelen heeft
genomen en dat ze een zorgtraject heeft doorlopen.
• Op 1 september 2015 start het eerste schooljaar waarop het Mdecreet van toepassing is. De voorbereidingen daarvoor beginnen al
op 1 januari 2015. Vanaf dan moeten de CLB’s op de nieuwe
manier beginnen werken, voornamelijk bij de opmaak van de
nieuwe verslagen voor buitengewoon onderwijs en gemotiveerde
verslagen voor GON. Scholen moeten dan ook de redelijke
aanpassingen overwegen die voor hen haalbaar zijn. De attestering
voor het nieuwe type 9, autisme, start op hetzelfde moment.
Bijzonder secundair onderwijs
• Binnen de structuur van het buitengewoon
secundair onderwijs (BuSO) wordt naast deze
typen ook onderverdeeld in vier
opleidingsvormen (OV). Binnen elke
opleidingsvorm kan men leerlingen uit de
verschillende typen samenbrengen
Bijzonder secundair onderwijs
• OV 1 heeft als doel sociale aanpassing. Deze opleidingsvorm geeft een
algemene en sociale vorming met het oog op integratie in een beschermd
leefmilieu. Hij kan worden georganiseerd voor typen 2, 3, 4, 6 en 7;
• OV 2 streeft naar sociale aanpassing en voorbereiding op
arbeidsgeschiktheid. Deze opleidingsvorm geeft een algemene sociale
vorming en arbeidstraining met het oog op integratie in een beschermd
leef- en werkmilieu. Hij kan worden georganiseerd voor typen 2, 3, 4, 6 en
7;
• OV 3 omvat beroepsonderwijs. Deze opleidingsvorm geeft een algemene
en sociale vorming met het oog op integratie in het gewone werk- en
leefmilieu. Hij kan worden georganiseerd voor typen 1, 3, 4, 6 en 7;
• in OV 4 wordt algemeen, beroeps-, kunst- en technisch onderwijs
aangeboden ter voorbereiding op een studie in het hoger onderwijs en op
een integratie in het actieve leven. Deze vorm kan worden georganiseerd
voor de typen 3, 4, 5, 6 en 7. Binnen OV4 worden verschillende
studierichtingen georganiseerd die overeenkomen met het aanbod binnen
het gewone onderwijs.
Geintegreerd onderwijs
• Het geïntegreerd onderwijs ontstaat uit een
samenwerkingsverband tussen het
gefinancierd/gesubsidieerd gewoon en buitengewoon
onderwijs. De school voor buitengewoon onderwijs
(dienstverlenende school) krijgt middelen toegekend om de
GON-begeleidingen in het gewone onderwijs (gastschool) te
realiseren. Deze begeleidingen worden gedaan door GONbegeleiders, personeel dat vanuit de school voor
buitengewoon onderwijs hiervoor wordt ingezet.
Inclusief onderwijs
• de nadruk ligt op het aanvaarden van de verscheidenheid van
elk kind. Hier is het de omgeving (school) die zich aanpast aan
de ION-leerling en zijn/haar mogelijkheden. Dit vertaalt zich
onder andere in het uittekenen van een individueel traject
voor elke ION-leerling, daar zij niet in staat zijn dezelfde
leerdoelstellingen te behalen als hun klasgenoten zonder
beperkingen
• Er is bewust gekozen voor een geleidelijke
invoering van de maatregelen vanaf het
schooljaar 2015-2016. Leerlingen die
voorafgaand aan dat schooljaar al in het
buitengewoon onderwijs zijn ingeschreven,
kunnen hun traject afwerken in het
buitengewoon onderwijs. Maar inclusie is
vanaf nu wel de regel, buitengewoon
onderwijs de uitzondering.
Basisregels bij een dringende consultatie
omwille van gedragsproblemen
•
•
•
•
•
•
•
Een rustige en veilige plaats zonder toeschouwers
Geen wachttijden
Vertrouwenspersoon aanwezig
Hou patiënt èn hulpverleners rustig
Geef uitleg
Vermijd fixatie
Het is niet nodig het probleem volledig op te lossen noch is
het noodzakelijk onmiddellijk een diagnose te hebben
Geboorte van een kind met een
handicap
Geboorte van kind met een handicap
•
•
•
•
•
•
Niemand hoopt op een kind met een handicap
Verlies van het verwachte kind
Ontgoocheling over het niet verwachte kind
Angst voor het onbekende
Aparte kamer, veel bezoek, attractie
Verwijten door de omgeving: waarom geen punctie of
AAP
• Borstvoeding “is niet nodig”
• Geen aandacht voor hechting
• Shock en verdriet is normaal maar wordt bestempeld
als “de ouders kunnen het niet aan”
Verwerking van de geboorte van een
kind met een verstandelijke beperking
• Film trisomie 21
• Film cas dolto

similar documents