Leerlingen in de waterval: trajecten doorheen het secundair

Report
Leerlingen in de waterval:
trajecten doorheen het secundair onderwijs en
hun effecten op academisch zelfconcept,
prestaties en motivatie
Karine Verschueren & Sofie Wouters
Schoolpsychologie en Ontwikkelingspsychologie van Kind en
Adolescent
m.m.v. Hilde Colpin, Bieke De Fraine, & Jan Van Damme
Watervaleffect in het secundair onderwijs
“fenomeen waarbij leerlingen in het begin van het gewoon
secundair onderwijs ‘(te) hoog mikken’: leerlingen
proberen eerst ‘zwaardere’ studierichtingen of
onderwijsvormen en zakken vervolgens naar ‘lichtere’
studierichtingen of onderwijsvormen af”
(naar: Oriëntatienota hervorming secundair onderwijs,
september 2010, p. 8).
negatief en te
vermijden
Illustratie: website Nederlandse taalunie
“De systematische overstap van een hoger naar een lager
onderwijstype vindt zijn oorzaak in een foutieve perceptie
van onderwijskwaliteit, van de maatschappelijke status
van onderwijsvormen en van de mogelijkheden die de
verschillende onderwijsvormen bieden. Het
watervalsyndroom is vooral nefast voor de motivatie van
scholieren en wordt momenteel bestreden door een
betere studiekeuzebegeleiding en een opwaardering van
tso en bso.
Het watervaleffect wordt in Nederland 'afstroom'
genoemd.”
• Onderwijsgevenden, begeleiders, ouders vrezen voor
“psychologische kosten” van het watervalfenomeen
• Beleidsmaatregel: betere studiekeuzebegeleiding
waardoor leerlingen sneller op de “juiste plaats” terecht
komen
• Ook geplande hervorming van SO is o.m. ontstaan vanuit
de wens om het watervalfenomeen te bestrijden
(visienota SO commissie Monard, 2009)
Centrale onderzoeksdoel
Nagaan van verschillen in psychologische
ontwikkeling naargelang het gevolgde
traject doorheen SO
Cascadetrajecten vs. stabiele academische,
technische en beroepsgerichte trajecten
Op vlak van academisch zelfconcept,
schools welbevinden en engagement &
prestaties
Steekproef
• 2781 leerlingen gevolgd in kader van LOSO-onderzoek (Van
Damme et al., 2002)
• 50 scholen in 3 representatieve regio’s in Vlaanderen
• 42 % jongens
• normaalvorderende leerlingen die in dezelfde school
bleven
• Beginprestaties aanvang S.O.
• 4 meetmomenten eind 1ste, 2de, 4de en 6de jaar
Instrumenten
Variabele
Schaal
Voorbeelditem
Betrouwbaarheid
Academisch
zelfconcept
Zelfconceptvragenlijst van Stoel
(1980) (9 items)
‘Ik denk dat ik goed kan
leren’
α= .78-.81
Schools engagement Motivatieschaal (28
items) gebaseerd op
Smits & Vorst (1982)
en Janssen (1982)
‘Bij de meeste lessen let ik
goed op’
‘Ik doe goed mijn best op
school’
α= .92-.93
Schools welbevinden Welbevinden-schaal
(24 items) gebaseerd
op Smits & Vorst
‘Ik vind het leuk op school’
‘Ik kan goed met mijn
klasgenoten opschieten’
α= .89-.91
Taal
vergelijkbaar gemaakt o.b.v.
IRT-modellering
Gestandaardiseerde
taaltoetsen ~
leerplannen
6 trajecten op basis van onderwijsvorm op 4
meetmomenten
1.
2.
3.
4.
Stabiel academische vorming (L1-L6)
(N = 1678)
Stabiel technische vorming (L1-L6)
(N = 262)
Stabiel beroepsgerichte vorming (L1-L6)
(N = 199)
Cascade academisch – technisch (tussen L1 en L2 of
tussen L2 en L4)
(N = 224)
5. Cascade technisch – beroeps (tussen L1 en L2 of tussen L2
en L4)
(N = 185)
6. Cascade academisch – beroeps (tussen L1 en L2 of tussen
L2 en L4)
(N = 86)
Indeling m.m.v. Marc Vanderlocht
147 resterende cases niet opgenomen in
analyses; KSO bij TSO
Analyses
• Latente groeicurve analyses (Mplus) met controle voor
clustering van leerlingen in scholen
• Eerst groeimodellen voor ganse steekproef
• Dan multi-groep groeicurve modellen  groeiparameters
gelijkaardig voor verschillende trajectgroepen?
• Multi-groep analyses herhaald met controle voor
aanvangsprestaties S.O.
• Modellen passen goed bij de data
Academisch zelfconcept
Academisch zelfconcept
• Overgang naar minder academisch gerichte
onderwijsvormen gaat gepaard met een gunstiger
ontwikkeling van het academisch zelfconcept
• Big-Fish-Little-Pond Effect Model van Herbert Marsh (1984)
• Meer succeservaringen, andere evaluatiepraktijken, …
• Even gunstige ontwikkeling voor andere psychologische
variabelen?
Schools engagement
Schools engagement
• Daling voor alle trajectgroepen
• Laagste engagement voor leerlingen in cascadetraject
naar BSO
• Maar dat was al zo van in het begin (toen ze nog
academische of technische vorming volgden) en ook na
controle voor aanvangsprestaties
Schools welbevinden
Schools welbevinden
• Daling voor alle trajectgroepen
• Weinig verschillen tussen groepen
• Watervalfenomeen noch positieve noch negatieve
effecten
Prestaties Taal
Prestaties Taal
• Stabiel academisch traject gaat gepaard met beste
prestaties voor Nederlands, zelfs na controle voor
aanvangsprestaties; stabiele en cascadetrajecten BSO
gaan gepaard met slechtste prestaties
• Gevolgde onderwijsvorm in bovenbouw van SO meer
bepalend voor eindprestaties dan cascadefenomeen
Besluit
• Weinig steun voor idee dat cascadetrajecten gepaard gaan
met een minder gunstige psychologische ontwikkeling van
leerlingen
• Tenminste voor normaalvorderende leerlingen
• Voor academisch zelfconcept: zelfs positief effect van
overgaan naar minder academisch georiënteerde
onderwijsvormen
• Als er verschillen zijn, betreffen die meestal overgang naar
BSO
• Stabiel academische opleiding: beste prestaties
Nederlands doorheen SO
Implicaties
• Niet: aanmoedigen of minimaliseren van
watervalfenomeen
• Wel: men moet keuzes niet ‘forceren’ om mislukkingen te
vermijden
• Men leert zichzelf ook kennen door (negatieve) ervaringen
• Ook/net dan is goede keuzebegeleiding van groot belang
Dank voor jullie aandacht!
[email protected]
[email protected]

similar documents