WS 15 Kinderarmoede Inleiding Griet Roets

Report
Kinderarmoede: iedereen
expert, iedereen alert
I. Armoede: een multi-dimensioneel probleem?
• Ondergesneeuwde definitie van armoede: een gebrek aan
zowel materiële als immateriële of sociale
maatschappelijke hulpbronnen (Bouverne-De Bie, 2003;
Lister, 2004)
• “Armoede is een samengaan van een
(1) gebrek aan voldoende middelen,
(2) maatschappelijk uitgesloten worden, en
(3) meervoudige deprivatie” (Engbersen, 1995)
• verantwoordelijkheden welvaartsstaat en sociaal beleid
dat vorm geeft aan de relatie tussen individu en
samenleving, of burgerschap, Lister, 2007)
I. Armoede: een multi-dimensioneel probleem?
Dominante definitie van armoede in Vlaanderen:
“Een netwerk van sociale uitsluitingen dat zich
uitstrekt over. meerdere gebieden van het individuele en
collectieve bestaan. Het scheidt de armen van de algemeen
aanvaarde leefpatronen van de samenleving. Deze kloof
kunnen ze niet op eigen kracht overbruggen” (Vranken,
2006)
I. Armoede: een multi-dimensioneel probleem?
“Vergeten we daarbij niet dat het juist de cumulatie
en verwevenheid van die ongelijkheden en uitsluitingen is,
die de eigenheid van armoede uitmaken. (…) Belangrijk
hierbij is de machteloosheid van de armen. Ze kunnen de
kloof met de rest van de samenleving niet op eigen kracht
overbruggen: ze hebben daartoe hulp nodig. Daar ligt de rol
van het overheidsbeleid en van de welzijnssector…”
(Vranken, 2007: 37)
II. Psychologisering?
• Psychologisch mechanisme: verinnerlijking van
gevoelens van machteloosheid (‘psychology of
powerlessness’) (Van Regenmortel, 2002)
• Empowerment is viewed as a process: the mechanism
by which people gain mastery over their lives (Van
Regenmortel, 2002)
• Cf. politics of recognition and respect (Lister, 2002)
• Cf. psycho-social dimensions of welfare (Froggett, 2002, zie les
Joris Beaumon en Thomas Maeseele)
II. Psychologisering?
Belangrijk onderscheid tussen strategieën van
armoedebestrijding:
• herverdeling of ‘politics of redistribution’ (cf. tekort aan
materiële maatschappelijke hulpbronnen leidt tot
bescherming en herverdeling)
• erkenning of ‘politics of recognition’ (cf. tekort aan
immateriële/sociale hulpbronnen leidt tot
empowerment)
(Fraser, 1996; Lister, 2004)
II. Psychologisering?
“We increasingly encounter a second type of
social justice claim in the “politics of recognition’’. (…)
The discourse of social justice, once centred on
distribution, is now increasingly divided between claims
for redistribution, on the one hand, and claims for
recognition, on the other. Increasingly too, recognition
claims tend to dominate. (…)” (Fraser, 1996)
II. Psychologisering?
“In doing so, they leave the agenda to be set by
people whose power has been so much taken for granted
that they do not even think of themselves as a distinct
social group” (Phillips, 2004: 36-37)
…the logic of individual empowerment operates in the
name of making the social change on their own, in the
name of making themselves free (Baistow 2000)
Cf. ‘The Will to Empower’, Cruikshank, 1999;
‘The Myth of Empowerment’, Becker, 2005
II. Psychologisering?
 Verantwoordelijkheid individu of samenleving?
 Risico’s:
 individualisering en responsabilisering individu en deresponsabilisering samenleving
 culpabilisering van individu én samenleving
 Vb. Risico van opvoedingsondersteuning ten aanzien van ouders,
omdat ze de kinderen niet goed opvoeden: armoedeprobleem
wordt gedefinieerd als opvoedingsprobleem, geen aandacht voor
structurele dimensies waarin het gezin leeft
III. Bestrijding van cultuur van het zwijgen
Cultuur van het zwijgen (Freire, 1972)
Sterke marginalisering, geringe maatschappelijke invloed
Berusting in eigen situatie
Apathie voor acties die deze situatie kunnen veranderen
 geen eigenschap van alleen mensen in armoede
(individualiserend), ook niet-armen ontwikkelen dergelijk
cultuurpatroon (collectieve cultuur van het zwijgen)
III. Bestrijding van cultuur van het zwijgen
Cultuur van het zwijgen (Freire, 1972) verwijst naar processen
van samen-leven:
• via ‘cultuur van het zwijgen’ zijn mensen in armoede ook
producenten van armoede (gesocialiseerd in ‘armoede’)
• geen eigenschap van mensen in armoede, maar gevolg
van de socialisatie in armoede en socialisatieprocessen:
ook niet-armen zijn producenten van armoede!
• Impliceert shift van doelgroepspecifiek naar algemeen
sociaal beleid!
III. Armoedebestrijding: culturele actie
 Het bevragen van de bestaande werkelijkheid op haar
menselijke waardigheid (humaniserend perspectief)
 Het bevragen van maatschappelijke evidenties: impliceert
een collectief en tegensprekelijk proces
 Erkenning van mensen in armoede als mede-actor ‘Ik kan
niet voor anderen denken, ik kan niet zonder anderen
denken, evenmin kunnen anderen voor mij denken’ (Freire)
III. Armoedebestrijding: culturele actie
Armoedebestrijding omvat:
• maatregelen die de bestaanscondities van mensen
verbeteren (cf. armoede is een gebrek aan middelen) –
algemeen sociaal beleid van bescherming en
herverdeling
• die structureel bepaalde processen van sociale uitsluiting
tegen gaan (cf. armoede is sociale uitsluiting),
• die de ‘cultuur van het zwijgen’ doorbreken (cf. armoede
is socialisatie in een cumulatie van uitsluitingen)
IV. Implicaties voor de bestrijding van
kinderarmoede
• Verantwoordelijkheid individu (cf.
zelfredzaamheid) én samenleving
• Gerelateerde rechten van kinderen én ouders (cf.
economische afhankelijkheid van kinderen)
• Responsabilisering van de samenleving (cf.
Society Case ‘Ongelijkheid begint in de wieg’,
Vandenbroeck, 2013, VLAS):
– (1) bescherming en herverdeling van
maatschappelijke hulpbronnen (materieel en
immaterieel (sociaal/macht)
– (2) tewerkstelling
– (3) kwaliteitsvolle basisvoorzieningen

similar documents