Paragraaf 4.3 - Liefting

Report
Paragraaf 4.3
Machtige heren, halfvrije boeren
Bodo en Ermentrude
• Hoe leefden mensen vroeger in de
middeleeuwen?
• Veel mensen waren toen boer.
• Zo’n boer moest veel op het land werken.
• En ook moest hij werken op het land van het
klooster.
• De boer moest ploegen, en voor de dieren
zorgen.
• De boerin moest voor het klooster kleding
spinnen en weven.
• En voor haar eigen gezin moest ze ook weven
en koken.
• Een voorbeeld hiervan zijn Bodo en
Ermentrude uit het tekstboek.
•
•
•
•
Veel mensen leefden op deze manier.
Vaak was het land niet hun eigen bezit.
Het land was vaak van de rijke heer of klooster.
De boeren waren dan geen slaven, maar echt
vrij waren ze ook niet.
• Ze woonde op het terrein van de heer:
domein.
• Ze mogen het domein niet zomaar verlaten.
• De boeren heten dan horigen.
Wonen op een domein
• In de landbouwsamenleving leeft bijna
iedereen als horige boer.
• Het was niet veilig en dus zochten veel boeren
bescherming bij een rijke heer of een klooster.
• In ruil daarvoor staan ze hun vrijheid af.
• Zo is de horigheid ontstaan.
• Een domein bestond vaak uit 2 delen:
• 1. akkers en moestuinen voor de heer of
klooster.
• 2. akkers + boerderijen van de horigen die er
woonden.
•
•
•
•
Midden op het domein stond de hof.
Daar woonde dan de heer.
Vaak had een heer meerdere domeinen.
Dan had hij daar een plaatsvervanger wonen,
een rentmeester. Die was dan de baas van de
horigen.
• Rondom het domein lagen weiden en bossen.
• Daar mochten de dieren van de horigen
rondlopen bv in ruil voor en stapel hout.
• De horige moest dus wel voor alles betalen.
Werken voor de heer
•
•
•
•
•
De horigen produceerden hun eigen voedsel.
Een deel moesten ze afstaan als belasting.
Ze werken ook op de akkers van de heer.
En ze moeten klusjes doen voor de heer.
Bv hek repareren, boom kappen, kleding
spinnen en wezen, enz.
• Dit zijn herendiensten.
• Al die herendiensten kostte veel tijd in de
week.
• Dit systeem van horigen, heren,
herendiensten op een domein noemen we het
hofstelsel.
Weinig handel
• Horigen kwamen eigenlijk nooit van het
domein af.
• Alles wat ze nodig hadden was aanwezig op
het domein: brood bakken, kleding maken, er
was een kerkje, een molen, een brouwerij en
een vijver om in te vissen.
• Ze zorgen dus zelf voor alles dat ze nodig
hebben: zelfvoorzienend.
• Er was dus weinig handel op het platteland.
• Geld werd niet meer gebruikt en steden
verdwenen compleet.
• In Nederland was alleen Dorestad nog een
stad met handel.
• Daar kwamen kooplieden uit Duitsland,
Frankrijk, Scandinavië.
• Ze namen wijn, zout en aardewerk mee.
• Ook handelaren uit Afrika namen ivoor en
edelstenen mee.
Drie groepen
• Er waren in de middeleeuwen 3 groepen
mensen:
• Boeren
• Edelen
• De geestelijken
• Dit zijn de drie standen.
• Edelen en geestelijken mochten meer dingen
dan de boeren.
• Deze standen mochten meer en hadden dus
meer privileges.
• Ze mochten rechtspreken, belasting heffen en
herendiensten eisen.
• Zelf betaalden ze geen belasting.
• Ze mochten jagen, zelfs als ze dan over de
akker van de boer moesten.
• Iedereen had toen een vaste plaats in de
samenleving.
• Een zoon of dochter van de edelen, trouwde
altijd met iemand uit dezelfde stand.
• Ze konden wel ook een hoge functie in de kerk
krijgen.
• Een zoon van een boer zal nooit edelman
worden!
• Hij kon wel een eenvoudige monnik worden
• Einde

similar documents