Soorten onderzoeksvragen en hypothesen

Report
Soorten onderzoeksvragen
MODULE OV 2009-2010
LES 10
Overzicht onderzoeksvragen
• beschrijvend of beeldvormend
• vergelijkend
• verklarend
• waardebepalend en evaluatief
Beschrijvend/beeldvormend
• GEEN hypothese, laat staan toetsing daarvan
• Geen duidelijk aan te wijzen variabelen (je varieert
niets)
• Beschrijving (van situatie, begrip, thema, persoon,
etc.) op basis van eigen waarnemingen (nu, ‘live’) of
verzamelde waarnemingen (verleden, literatuur)
• Kenmerkend: veel ‘hoe’- en ‘wat’-vragen
• In PWS: typisch voor literatuurgedeelte, maar zie ook
‘waarnemingsverslag’
Voorbeelden
• “Hoe ziet een doorgesneden ui er uit?”
• “Hoe gedraagt een tijger zich in gevangenchap?”
• “Wat schrijft de literatuur over tijgers in
gevangenschap?”
• “Wat is viscositeit?”
• “Wat is in de natuurkunde een weerstand?”
(LET OP: “Hoe WERKT een weerstand?” is een ander
type vraag!)
Vergelijkend
• Beschrijvend, maar met intentie om verschil en/of
overeenkomst aan te tonen
• Hypothese (niet noodzakelijk) omschrijft
verschil/overeenkomst, of doet uitspraak over bestaan
hiervan
• Meerdere zaken op zelfde aspect vergeleken?
‘Als…dan…’-hypothese KAN van toepassing zijn  hier
ook variabelen aan te wijzen
• Kenmerkende termen: verschil, overeenkomst, meer,
minder, …-er dan, even als, etc.
• In PWS: zowel in literatuurgedeelte als in experimenten
Voorbeelden
• “Op welke punten komen de doorsnedes van een ui
en een appel overeen?”
– “De overeenkomsten zijn …”
• “Wat zijn de verschillen tussen het gedrag van tijgers
in het wild en tijgers in gevangenschap?”
– “Er is geen verschil tussen…”
• “Wat is meer visceus: water of slaolie?”
– “Water is meer visceus”
• “Wat is meer visceus: water met of zonder suiker?”
– “ALS de suikerconcentratie toeneemt, DAN…”
Verklarend
• Op zoek naar antwoord op ‘waarom’-vraag
• Hypothese (in gedachten) vaak voorafgegaand door
‘omdat’, ‘want’, ‘vanwege’, etc.
• Kenmerkende termen: ‘waarom (beter:
waardoor/waarvoor)?’, ‘hoe komt het dat?’ ‘wat is de
oorzaak van?’, ‘wat is de reden voor?’
• ‘Als…dan…’-hypothese van toepassing bij vragen die gaan
over VERBAND tussen verschijnselen  kan worden
gebruikt om verklaring te toetsen  aanwijzen van
variabelen
• In PWS: altijd vergezeld van EXPERIMENT
Voorbeelden
Let op het subtiele verschil bij de onderstaande vragen:
• Vraag: “Hoe komt dat de snelheid van een chemische
reactie toeneemt als de temperatuur toeneemt?” (vraagt
verklaring voor waargenomen VERBAND)
• Hypothese: “De reactiesnelheid neemt toe door het sneller
bewegen van deeltjes bij hogere temperatuur” (hoe te
toetsen?)
• Vraag: “Neemt de snelheid van een chemische reactie toe
bij hogere temperatuur?”
• Hypothese: “ALS de temperatuur toeneemt, DAN neemt de
reactiesnelheid toe” (toetsen van het waargenomen
verband ZELF)
Waardebepalend en evaluatief
• Op zoek naar getallen en aantallen (‘harde
meetwaarden’) of naar meningen (‘zachte
meetwaarden’)
• Bij ‘harde’ data: GEEN hypothese ( zou GOK zijn!);
wel: onafhankelijke en afhankelijke variabele
• Kenmerkende termen: ‘hoeveel?’ ‘hoe lang?’ ‘hoe
snel?’, etc. maar ook ‘wat vindt ….?’, ‘hoe denkt?’
• In PWS:
– evaluatief: vaak in enquêtes
– waardebepalend: in experimenten
Voorbeelden
• “Hoe lang brandt een waxinelichtje van de HEMA?”
• “Hoeveel allochtonen wonen er in Haaksbergen?”
(kan ook worden opgevat als beschrijvend)
• “Hoeveel procent van de leerlingen rookt meer dan
een pakje per week?”
• “Wat vindt de gemiddelde leerling van docent X?”
Onderzoeksvraag vaak combi
• Veel onderzoeksvragen vaak in te delen in meer dan
één categorie
• Hoofdvraag vaak aanleiding voor meerdere
deelvragen, die niet perse uit zelfde categorie komen
• In PWS: altijd meerdere deelvragen bij één
hoofdvraag (ook op te vatten als: hoofdthema)
Onderzoeksvraag vaak combi
– Voorbeeld: “Wat heeft een langere brandtijd: een
waxinelichtje van de HEMA of één van de ACTION?”
(vergelijkend)  nodig: tweemaal antwoord op een
waardebepalende vraag (“Hoe lang brandt…”)
– Voorbeeld: “Wat zijn de verschillen tussen het gedrag van
tijgers in gevangenschap en tijgers in het wild?”
(vergelijkend)  nodig: tweemaal antwoord op een
beschrijvende vraag (“Hoe gedragen…?”)
PWS bij N-profiel
• Moet experimentele component bevatten 
hoofd- dan wel deelvraag is sowieso vergelijkende
en/of verklarende vraag
• Bij aantonen van een verband: ‘Als…dan…’formulering goed te gebruiken als hypothese
Extra voorbeelden
• Hangt het kookpunt van een oplossing af van de
hoeveelheid opgeloste stof?
• Wat wordt bedoeld met homeopathie?
• Wordt het eetgedrag van egels beïnvloed door de
temperatuur?
• Veranderen kleurstoffen bij verandering van pH?
• Verandert iemands hartslag tijdens parachutespringen?
• Hoe werkt de stuurinrichting van een auto?
• Wat zijn de verschillen tussen telescopen gebaseerd op
gekromde spiegels en die gebaseerd op lenzen?
• Welke ideeën bestonden er in de oudheid over
voortplanting?
• Hoe veroorzaakt plaattektoniek gebergtes?
Oefenmateriaal
• Optie 1
Rodekoolsap is onder zure omstandigheden (bij lage pH
waarden) rood van kleur. Het toevoegen van
bijvoorbeeld afwasmiddel zorgt voor een pHverandering (deze wordt hoger), en hiermee verandert
ook de kleur: van rood naar blauw/groen. Is dit normaal
bij kleurstoffen? Ontwerp een experiment waarbij je
voor een afgebakend gebied bovenstaande nader
onderzoekt.
Oefenmateriaal
• Optie 2
Intuitief zeggen veel mensen dat als je twee
voorwerpen van verschillend gewicht vanaf een
bepaalde hoogte loslaat, het zwaardere voorwerp
sneller valt dan het lichtere. Is dit ook werkelijk zo, of
spelen heel andere factoren een rol bij de valtijd?
Ontwerp een (serie) experiment(en) waarmee je
bovenstaande nader onderzoekt.
Oefenmateriaal
• Optie 3
Wanneer een dier wordt begraven, zullen – na vele
jaren – ook de botten ‘verdwenen’ zijn, dat wil zeggen:
volledig afgebroken tot andere materialen. Dit proces is
met behulp van chemicaliën te versnellen. Dit kunnen
vrij eenvoudige stoffen zoals azijn zijn. Wat gebeurt er
als je een kippenbotje in azijn legt? En is het proces wat
dan optreedt weer om te draaien? Ontwerp een
experiment waarin je bovenstaande nader onderzoekt.
Oefenmateriaal
• Optie 4
Wanneer je een munt opgooit en op tafel laat landen,
kan ‘kop’ of ‘munt’ boven liggen. Men is geneigd te
zeggen dat de kans op beide zijden 50% is – je hebt
immers maar twee mogelijkheden. Even zo goed is de
kans op ‘zeven’ met twee dobbelsteen zo’n kleine 17%.
Maar betekent dit ook als je 10 keer ‘kop’ gegooid hebt,
de kans op ‘munt’ groter wordt (anders kom je immers
niet aan 50%)? En krijg je, als je 100 keer met de
dobbelsteen gooit, tenminste 17 keer 7? Of gaan deze
redeneringen helemaal niet op? Ontwerp een
experiment waarin je bovenstaande nader onderzoekt.

similar documents