Werk

Report
werk
Aanbod van arbeid
Ouders
• Werkt, werkloos of geen van beiden
• Deeltijd of voltijd
• Ondernemer of in loondienst
Bevolking
• De bevolking in Nederland bestaat uit circa
16,9 miljoen mensen.
• De potentiele beroepsbevolking (mensen van
15 t/m 64 jaar) betreft circa 11 miljoen
mensen.
Beroepsbevolking
• Potentiele beroepsbevolking: iedereen tussen
15 t/m 64
• Bestaat uit
– Beroepsbevolking: werkt of biedt zich aan voor
werk, minimaal 12 uur per week
– Niet beroepsbevolking: biedt zich niet aan voor
werk (b.v. studenten, huisvrouwen, huismannen,
arbeidsongeschikten)
cijfers
• De beroepsbevolking betreft ongeveer 7,2
miljoen mensen. Deze mensen zijn tussen 15
en 65 jaar oud en kunnen/willen werken.
• De niet-beroepsbevolking betreft ongeveer 3,8
miljoen mensen. Deze mensen zijn niet op
zoek naar werk of b.v. arbeidsongeschikt.
Cijfers
• De beroepsbevolking bestaat uit een werkend
deel en een werkloos deel.
• Het werkeloze deel is 8,5% van
beroepsbevolking
• 8,5% van 7,2 miljoen = 600.000 werklozen
• Structureel of conjunctureel???????
Deeltijd
• Je werkt geen volledige werkweek van 38 of
40 uur, maar een deel daarvan.
• Is in Nederland populair omdat:
– Nederlanders verdelen de zorgtaken
– Nederlanders hechten aan vrije tijd
Deeltijd werken
• Voordeel van deeltijd werken: mensen kunnen
werk en zorg combineren
• Nadeel van deeltijd werken: minder aanbod
van arbeid: mensen werken immers geen 40
uur maar b.v. 24 uur per week. Zeker bij
krappe arbeidsmarkt is dat een probleem.
Werk
• Werkgelegenheid berekenen we in
voltijdbanen van 38 uur
• Als er in een land 100.000 mensen 38 uur per
week kunnen werken, en iedereen werkt in
deeltijd 3,8 uur per week, dan wordt de
werkgelegenheid niet plotseling 1.000.000
Deeltijdfactor
• Deeltijdfactor: aantal uren dat iemand werkt
gedeeld door uren van een volledige baan.
• Voorbeeld: aantal werkenden is 150.000 en
aantal voltijdsbanen is 100.000
• Deeltijdfactor: 100.000/150.000 = 0,67
• Hoe lager de factor, hoe meer deeltijd
p/a ratio
• P/A ratio is omgekeerde van deeltijd factor.
• Geeft aan hoeveel mensen er werken tov
aantal banen
• Voorbeeld: aantal werkenden is 150.000 en
aantal voltijdsbanen is 100.000
• P/A ratio: 150.000/100.000 = 1,5
Arbeidsparticipatie
• Participatiegraad: de mate waarin de
potentiële beroepsbevolking meedoet aan
arbeidsproces
• (beroepsbevolking/potentiële
beroepsbevolking) x 100%
• Maak opdracht 1.7 t/m 1.10
Arbeidsparticipatie
• Verhogen arbeidsparticipatie om in toekomst
voldoende aanbod van arbeid te hebben
• En om uitkeringen betaalbaar te houden (denk
aan grijze druk…)
Werk of vrije tijd
• Cbs: ben jij uniek of ben jij gemiddeld?
• We zijn allemaal uniek, maar toch niet
helemaal?
Werk of vrije tijd
•
•
•
•
•
We kiezen tussen werk en vrije tijd
Meer vrije tijd is minder inkomen
Meer inkomen en werk, is minder vrije tijd
Opofferingskosten van werken is dus vrije tijd
Opofferingskosten van meer vrije tijd is
minder loon
Werk of vrije tijd
• Nederlanders kiezen voor meer vrije tijd dan
Amerikanen.
• Hangt af van:
– voorkeuren
– Wettelijke mogelijkheden
Meer of minder werken
• Wat ga je doen als je meer loon per uur krijgt:
– Meer werken, want je krijgt een hogere beloning
– Minder werken want je hoeft minder te werken
om het zelfde loon te krijgen
Werk of vrije tijd
• Budgetlijn: relatie tussen inkomen en vrije tijd,
bij een bepaald uurloon.
• Stel loon is € 10 per uur en ik kan maximaal 24
uur werken per etmaal
– Als ik 24 uur werk, verdien ik € 240 en heb ik nul
uur vrije tijd
– Als ik nul uur werken verdien ik niks en heb ik 24
uur vrije tijd
– Als ik 12 uur werk, heb ik 12 uur vrije tijd en
verdien ik € 120
Hoofdstuk 2
• Vergrijzing
• Filmpje (cbs in de klas)
Vergrijzing
• Relatief steeds meer 65 plussers
• Grijze druk neemt toe: grijze druk is aantal 65
plussers ten opzichte van bevolking tussen 20
en 65
• Stijgt naar 40% in 2025
Grijze druk
Gevolgen vergrijzing
• Meer zorgkosten en meer kosten voor AOW
• Minder mensen die AOW premies betalen
• Dus: meer kosten en minder mensen die
ervoor betalen
• En: Minder mensen beschikbaar op
arbeidsmarkt (wie doet het werk straks?)
Vergrijzing
• Vergrijzing leidt er dus toe dat er relatief
weinig actieven zijn die belasting en premies
betalen en relatief veel mensen zijn die veel
kosten
• Naast 65 plussers zijn er ook nog andere
inactieven: werklozen, studenten,
arbeidsongeschikten
Vergrijzing
• Inactieven kosten vaak veel geld, maar betalen
geen of weinig belastingen en premies.
• Als er teveel inactieven komen, ontstaat er
een probleem: veel kosten, weinig
opbrengsten
I/A ratio
• I/A ratio: verhouding tussen inactieven en
actieven
• I/A ratio = aantal inactieven/aantal actieven x
100%
I/A ratio
• Inactieven: mensen van 15 jaar en ouder die
een uitkering ontvangen: gepensioneerden,
werklozen en arbeidsongeschikten.
• Actieven: mensen die werken en sociale
premies betalen.
I/A ratio
• Probleem van hoog I/A ratio oplossen door
• Hogere belastingen en premies voor actieven:
niet wenselijk voor actieven
• Lagere uitkeringen voor inactieven: ook niet
echt wenselijk
I/A ratio
• Probleem van hoog I/A ratio oplossen door:
– Verhogen apt: groeiend aantal actieven kan
betaald worden zonder verhoging van belastingen
of verlagen van uitkeringen
– Verhogen van de participatie: pensioenleeftijd
omhoog en kinderopvang verbeteren
Verhogen apt
• Stel ik heb 100 actieven die met elkaar 10.000 (100
pp) verdienen. Er zijn 20 inactieven die samen 200
krijgen (10 per persoon).
• De actieven moeten 2% van hun inkomen aan
belasting/premies betalen (200/10.000)
• Nu gaat de apt omhoog met 10% omhoog tot 11.000
en komen er twee inactieven bij die met elkaar 220
verdienen (nog steeds 10 per persoon)
• Door de gestegen APT blijft belastingdruk op 2%
(220/11.000)
2.12
a. i/a ratio is 60. Bij 5 miljoen actieven, moet
het aantal inactieven dan 3 miljoen zijn.
b. 30% van 400 miljard = 120 miljard. 120
miljard gedeeld door 3 miljoen inactieven is 4
miljoen.
c. (400/32) X 36 = 450 miljard
d. (120 miljard/ 450 miljard) x 100% = 26,7%
e. (120 miljard/420 miljard) x 100% = 28,6%
Hoofdstuk 3: vraag en aanbod
• Markt van vraag en aanbod van arbeid
• Aanbod: iedereen tussen de 15 en 67 die
werkt of wil werken (= beroepsbevolking)
• Vraag: mensen die werken (vervulde vraag
naar arbeid) en vacatures (onvervulde vraag
naar arbeid)
Prijs op de markt
•
•
•
•
Op elke markt is er een prijs.
Op de arbeidsmarkt is dat het loon.
Op de valutamarkt is het de wisselkoers
Op de vermogensmarkt is het de rente
Aanbod
• Aanbod wordt bepaald door
– Economie: als het economisch goed gaat
(hoogconjunctuur), bieden meer mensen zich aan
omdat de kans dat je een baan vindt groter is
– Demografische factoren: groei van de bevolking,
meer vrouwen die willen werken, immigratie
– Loon: hoe hoger het loon, hoe meer aanbod
– Wetgeving: iedereen moet doorwerken tot 67 jaar,
leerplicht wordt langer
Vraag
• Vraag wordt bepaald door:
– Economische situatie: als het economisch goed
gaat, meer vraag naar personeel
– Loon: hoe hoger de lonen, hoe minder vraag
– Technologische ontwikkelingen: machines
vervangen mensen, maar scheppen ook nieuw
werk (structuur van de economie: arbeid
vervangen door kapitaal)
Arbeidsmarkt
• Krappe arbeidsmarkt: vraag naar arbeid is
groter dan aanbod van arbeid. Meestal in een
hoogconjunctuur: lonen stijgen.
• Ruime arbeidsmarkt: aanbod van arbeid is
groter dan vraag. Meestal in laagconjunctuur:
lonen dalen
Hoofdstuk 4
• Individuele arbeidsovereenkomst: tussen 1
werknemer en 1 werkgever
• Gaat over loon, werktijden, werktijden,
opzegtermijn, looptijd, secundaire
arbeidsvoorwaarden
Hoofdstuk 4
Collectieve arbeidsovereenkomst (cao):
afspraken tussen werkgevers en werknemers in
1 bedrijfstak (b.v. Metaal) of tussen 1 werkgever
en de werknemers van die werkgever (b.v. KLM)
• Gaat over loon, scholing
• CAO wordt afgesloten tussen organisaties van
werkgevers en werknemers (vakbond)
Hoofdstuk 4
• cao wordt meestal algemeen verbindend
verklaard.
• Dan geldt de cao voor alle bedrijven en
werknemers in de bedrijfstak.
• De Cao geldt dan ook voor werknemers en
werkgevers die geen lid zijn van een vakbond
• Werkgevers moeten cao afspraken toepassen
in individuele arbeidsovereenkomsten.
Hoofdstuk 4
• cao onderhandelingen kunnen leiden tot strijd
en stakingen
• Actie in Veghel voor onderhandelingen CAO in
transportsector
Strijd
• cao onderhandeling zijn een strijd tussen
productiefactor kapitaal en productiefactor
arbeid
Strijd
• Vakbonden eisen tijdens cao
onderhandelingen meer loon
– Meer loon ter compensatie van de inflatie, anders
gaan ze er in koopkracht achteruit
– Meer loon omdat de arbeidsproductiviteit is
toegenomen; ze zijn harder gaan werken
Loonstijgingen
• Loonstijging ter compensatie van inflatie
• Loonstijging ter compensatie van gestegen
arbeidsproductiviteit
• Loonstijging boven prijscompensatie is initiele
loonstijging
Loonstijgingen
• Loonstijgingen die gelijk zijn aan de stijging
van de arbeidsproductiviteit en de inflatie
samen, hebben geen invloed op verhouding
loon en winst uitgedrukt in de loonquote en
winstquote.
Loonruimte
• Loonruimte: het percentage waarmee de
lonen kunnen stijgen, zonder dat de
winstquote daalt.
• Loonmatiging: loonstijging is kleiner dan
loonruimte.
vandaag
•
•
•
•
Opdracht afronden en bespreken
Filmpje vakbonden
Wat bepaalt de hoogte van ons loon
Opdrachten 4.10/4.11/4.12/4.13/4.14 en 4.15
Wat bepaalt de hoogte van ons
loon
• Wat bepaalt de hoogte van ons loon
• Noem vijf kenmerken/eigenschappen die van
invloed op de hoogte van het loon dat iemand
verdient
Van invloed
• Leeftijd
Van invloed
• Opleiding: mbo/hbo/wo
Van invloed
• Opleiding: techniek, sociaal, rechten,
economie
Van invloed
• Allochtoon/autochtoon
Van invloed
• Man/vrouw
Van invloed
• Provincie
Van invloed
• Groot bedrijf/klein bedrijf
Van invloed
• Opleiding: mbo/hbo/wo
Van invloed
• Gevaarlijk werk
Van invloed
• Vies werk
Van invloed
• Witte boorden of blauwe boorden
Van invloed
• Voltijd/deeltijd
Van invloed
• ZZPer of in loondienst (risico)
Van invloed
• Georganiseerd of niet georganiseerd?
Hoofdstuk 5
• Het aanbod van werk
• Tekenen van een aanbodlijn
• We gaan werken als serveerder/serveerster
Aanbodlijn maken
• Wie gaat er werken voor € 1 per uur
• Wie werkt er voor € 2 per uur (ook degenen die voor € 1
werken)
• Wie werkt er voor € 3 per uur
• Wie werkt er voor € 4 per uur
• Wie werkt er voor € 5 per uur
• Wie werkt er voor €6 per uur
• Wie werkt er voor € 7 per uur
• Wie werkt er voor € 8 per uur
• Wie werkt er voor € 9 per uur
De aanbodfunctie
• De aanbodfunctie wordt dan:
• Qa = L -…
Vraaglijn
• Het cafe vraagt medewerkers. Medewerkers
van € 10 per uur is te duur. Bij € 9 wordt 1
medewerker aangenomen, Bij € 8 2
enzovoorts
• De vraagfunctie is dan; Qv = -L + 10
Evenwicht
• Met de vraagfunctie en de aanbodfunctie,
kunnen we een evenwichtsloon uitrekenen
• Qa = Qv
Prijs op de markt
• Op elke markt is er een evenwichtsprijs.
• Op de arbeidsmarkt is dat het loon.
Aanbod
• Aanbod wordt bepaald door
– Economie: als het economisch goed gaat, bieden
meer mensen zich aan omdat de kans dat je een
baan vindt groter is
– Demografische factoren: groei van de bevolking,
meer vrouwen die willen werken, immigratie
– Loon: hoe hoger het loon, hoe meer aanbod
– Wetgeving: iedereen moet doorwerken tot 67 jaar,
leerplicht wordt langer
Vraag
• Vraag wordt bepaald door:
– Economische situatie: als het economisch goed
gaat, meer vraag naar personeel
– Loon: hoe hoger de lonen, hoe minder vraag
– Technologische ontwikkelingen: machines
vervangen mensen, maar scheppen ook nieuw
werk.
Aanbod
• Aanbodlijn: aanbod neemt toe als loon
toeneemt: verschuiving op de aanbodlijn
• Aanbodlijn kan ook verschuiven als loon niet
toeneemt.
• De aanbodlijn verschuift naar rechts als het
aantal aanbieders door immigratie, verhogen
pensioenleeftijd of geboorte toeneemt
Vraag
• Vraaglijn: vraag neemt toe als loon afneemt:
verschuiving op de vraaglijn
• Vraaglijn kan ook verschuiven als loon niet
afneemt.
• De vraaglijn verschuift naar rechts als het
economisch goed gaat
Markt
•
•
•
•
Vraagfunctie: Qv = - L + 50.000
Aanbodfunctie: Qa = 2L – 10.000
L = loon (prijs van arbeid)
Evenwicht bij
– -L + 50.000 = 2L -10.000
– -3L = -60.000
– L = 20.000
• Check: bij een loon van 20.000 is de vraag en
het aanbod: 30.000
Markt
• Vraagfunctie: Qv = - L + 100.000
• Aanbodfunctie: Qa = 2L – 80.000
• L = loon (prijs van arbeid)
– Bereken het evenwichtsloon
– Vul het evenwichtsloon in de vraag en
aanbodfunctie in en bewijs dat vraag en aanbod
gelijk zijn
– Wat wordt bedoeld met het evenwichtsloon
Markt
•
•
•
•
•
•
•
Vraagfunctie: Qv = - L + 100.000
Aanbodfunctie: Qa = 2L – 80.000
Qa = Qv
2l -80.000 = -l +100.000
3L -80.000 = 100.000
3L = 180.000
L = 60.000
Markt
• Vraagfunctie: Qv = - 60.000 + 100.000 =
40.000
• Aanbodfunctie: Qa = 2L – 80.000 = 120.000 –
80.000 = 40.000
• Klopt: vraag en aanbod zijn beiden 40.000
Markt
• Er komen meer mensen op de arbeidsmarkt
die willen werken.
• Vraagfunctie blijft : Qv = - L + 100.000
• Aanbodfunctie wordt: Qa = 2L – 50.000
– Bereken het nieuwe evenwichtsloon
– Wat gebeurt met het evenwichtsloon.
– Verklaar waarom het loon omlaag gaat?
Markt
•
•
•
•
•
•
•
Vraagfunctie: Qv = - L + 100.000
Aanbodfunctie: Qa = 2L – 80.000
Qa = Qv
2l - 50.000 = -l +100.000
3L - 50.000 = 100.000
3L = 150.000
L = 50.000
Markt
• Deze markt werkt perfect
• Als er meer aanbieders komen, dan daalt het
loon.
• Als het loon daalt, is het voor werkgevers
weer interessant nieuwe mensen aan te
nemen
• Het evenwicht wordt hersteld; iedereen heeft
weer werk
Markt
• De markt werkt perfect als vraag en aanbod
altijd voor evenwicht kunnen zorgen
• Als er meer vraag naar arbeid komt, dan stijgt
het loon.
• Als het loon stijgt, bieden meer mensen zich
aan.
Imperfecte markt
• In het echt werkt de markt niet perfect
• Vraag en aanbod zorgen niet altijd voor
evenwicht
Imperfecte markt(1)
• In het echt werkt de markt niet perfect
• Vraag en aanbod zorgen niet altijd voor
evenwicht
• Er is een minimumloon: ook al neemt het
aanbod van arbeid enorm toe, het loon zakt
nooit onder het minimumloon (behalve als
het illegaal of zwart gebeurt)
Imperfecte markt (2)
• In het echt werkt de markt niet perfect
• Vraag en aanbod zorgen niet altijd voor
evenwicht
• Er is een CAO loon: vakbonden spreken lonen
af met werkgevers. Dit legt ook een
ondergrens vast
• Dus ook al neemt het aanbod toe, het loon
zakt dan niet onder een bepaalde grens.
Imperfecte markt (3)
• In het echt werkt de markt niet perfect
• Vraag en aanbod zorgen niet altijd voor
evenwicht
• Er is informatie asymmetrie. De een weet
meer dan de ander.
• Vraag en aanbod vinden elkaar niet altijd
omdat vragers en aanbieders niet alles van
elkaar weten
Markt
• Er komen meer mensen op de arbeidsmarkt
die willen werken.
• Vraagfunctie blijft : Qv = - L + 70.000
• Aanbodfunctie wordt: Qa = 2L – 80.000
• Vakbond heeft afgesproken dat loon minimaal
55.000 is
• Bereken de vraag naar en het aanbod van
arbeid
• Hoe hoog is de werkloosheid?
conclusie
• Markten werken niet perfect
• Door het afspreken van een ondergrens
hebben de mensen die werken een goed loon,
maar zijn er ook mensen die buiten de boot
vallen.
Surplus
• Werkgeverssurplus: verschil tussen loon dat
een werkgever bereid is te betalen en het
evenwichtsloon
• Werknemersurplus: verschil tussen loon
waarvoor een werknemer wil werken en het
evenwichtsloon.
Hoofdstuk 6
•
•
•
•
Test
Werkloosheid
Als percentage van de beroepsbevolking
Zie definitie p. 54
Wat is belangrijk
• Wat is belangrijk bij het vinden van een baan
als verkoper boekhandel
• Zet in de goede volgorde (belangrijkste eerst)
– Leeftijd
– Gezond/handicap
– Opleiding
– Knap/lelijk
– Werkervaring
– Etniciteit
Wat is belangrijk
• Wat is belangrijk bij het vinden van een baan
als consultant
• Zet in de goede volgorde (belangrijkste eerst)
– Leeftijd
– Gezond/handicap
– Opleiding
– Knap/lelijk
– Werkervaring
– Etniciteit
Beroepsbevolking
• Potentiele beroepsbevolking: iedereen tussen
15 en 65: 11 miljoen
– Daarvan werkt 7,3 miljoen 12 uur per week of
meer.
– Daarvan wil 1,2 miljoen wel werken
– Daarvan kan of wil 2,5 miljoen niet werken
Beroepsbevolking
Werkloosheid
• (Aantal werklozen/beroepsbevolking) x 100%
• Zie definitie p. 54
• Opdrachten
Soorten werkloosheid
• Natuurlijke werkloosheid
• Conjuncturele werkloosheid
Conjuncturele werkloosheid
• Conjunctuur: op en neergang van de
economie.
• Hangt samen met bestedingen.
• Bestedingen zijn consumptie, investeringen,
overheidsbestedingen en export
(=bestedingen van buitenland in ons land)
• In een laagconjunctuur zijn er minder
bestedingen en meer werkeloosheid
Conjuncturele werkloosheid
• Ontstaat door lage bestedingen: vraaguitval
• Bedrijven produceren minder en hebben
minder personeel nodig
• Laag conjunctuur:
–
–
–
–
–
Lonen gaan omlaag
Voorraden nemen toe
Prijzen dalen vaak
Werkloosheid (ruimte arbeidsmarkt)
Faillissementen
Conjuncturele werkloosheid
• Hoogconjunctuur: bestedingen nemen toe
• Bedrijven produceren meer en hebben meer
personeel nodig.
• Hoogconjunctuur
– Lonen gaan omhoog
– Voorraden nemen af en bezettingsgraad neemt
toe
– Prijzen stijgen
– Werkloosheid neemt af (krappe arbeidsmarkt)
Conjunctuurbeleid
• In laagconjunctuur verlaagt overheid
belastingen en verhoogt zij bestedingen om
conjunctuur te stimuleren.
• Dit noemen we anti cyclisch begrotingsbeleid
• Kabinet deed tegenovergestelde: verhoogt
belastingen en bezuinigt.
• Beleid tegen de cyclus (laagconjunctuur) in.
• Overheid (ECB) kan ook rente verlagen.
Conjunctuur
•
•
•
•
•
Bezettingsgraad (p.56)
(productie : productiecapaciteit) x 100%
Productie: hoeveel maak ik
Productiecapaciteit: hoeveel kan ik maken
Relatie arbeidsproductiviteit en
productiecapaciteit
Gisteren
• Arbeidsproductiviteit en laagconjunctuur
– Lage verkopen/omzet; kosten per product
verlagen, anders ga ik failliet.
• Arbeidsproductiviteit en hoogconjunctuur
– Te hoge lonen: loonkosten per product verlagen
– Te weinig personeel: meer machines
Natuurlijke werkloosheid
• Natuurlijke werkloosheid
• Die is er altijd, ook al draait economie op volle
toeren.
• Twee soorten:
– Frictiewerkloosheid: gedurende zoekproces naar
baan
– Structurele werkloosheid: ontstaat door
veranderingen in de economie zoals vervangen
arbeid door kapitaal, verplaatsen werk naar lage
lonen landen
Terugblik
• Conjuncturele werkloosheid: kan ik oplossen
door bestedingen te verhogen
• Structurele werkloosheid: kan ik niet oplossen
door bestedingen te verhogen.
Ontstaan structurele werkloosheid
• Vooral door hoge lonen in relatie tot
arbeidsproductiviteit. Als lonen harder stijgen
dan arbeidsproductiviteit, dan worden
loonkosten per product duurder. Daardoor
wordt arbeid vervangen door machines of
verplaatst naar lage lonen landen
Ontstaan structurele werkloosheid
Structurele werkloosheid ontstaat omdat
arbeidsmarkt slecht functioneert:
- Arbeidsmobiliteit is onvoldoende: werkloze
accepteert niet snel ander werk en blijft
werkloos
- CAO lonen en minimumloon: lonen zijn niet
flexibel en bewegen niet mee met vraag en
aanbod
Ontstaan structurele werkloosheid
Structurele werkloosheid ontstaat omdat
arbeidsmarkt slecht functioneert:
- Ontslagrecht is duur. Het is duur en
ingewikkeld om mensen te ontslaan en
daardoor nemen werkgevers weinig mensen
aan of alleen flexwerkers
mobiliteit
• Omvang daarvan is mede afhankelijk van
arbeidsmobiliteit.
• Arbeidsmobiliteit is de mate waarin mensen
bereid en in staat zijn te veranderen van baan,
regio en beroep
• Mobiliteit hangt af van hoogte en lengte
uitkeringen, mogelijkheden tot omscholing,
sollicitatieregels
mobiliteit
• Beperkte mobiliteit: een werkloze in Limburg
wil niet solliciteren op een baan in Groningen.
• Beperkte mobiliteit: een werkloze leraar wil
niet werken als vuilnisman
• Beperkte mobiliteit: een werkloze filosoof wil
zich niet laten omscholen tot leraar economie
mobiliteit
• Mobiliteit verbeteren door lagere en korte
uitkeringen en door scholing

similar documents