Document 60397

Report
Redt de rechter het
burgerlijk procesrecht?
Prof. mr. Ton Jongbloed
22 januari 2015
[email protected]
1
• Redt de rechter (en met name de Hoge Raad) het burgerlijk
procesrecht?
– Hoge Raad focust op algemene beginselen van
procesrecht en ziet een verschuiving van het schriftelijke
naar het mondeling element in de procedure
– De kabinetsplannen om het (bestuurs- en burgerlijk)
procesrecht te herzien: een KEI-harde bezuiniging die
afbreuk doet aan de toegang tot de gerechtelijke
procedure?
– Wordt de Hoge Raad steeds meer een wetgeverplaatsvervanger waarna er geen wetgeving meer volgt?
2
HR focust op alg. beginselen procesrecht en
ziet verschuiving van schriftelijke naar
mondelinge fase
• HR 28 maart 2014, HR:2014:699; NJB
2014/744
• De heffing van griffierechten in het bestuursrecht is in het
algemeen van dien aard dat rechtzoekenden daarmee de
effectieve toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Er
kunnen zich evenwel gevallen voordoen (zoals in casu:
financieel onvermogen van de betrokkene) waarin heffing
van het wettelijke griffierecht het voor de rechtzoekende
onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om de door de
wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang te volgen.
Ook buiten de werkingssfeer van art. 6 EVRM en art. 47
van het Handvest EU kan niet worden aanvaard dat in die
gevallen een (hoger) beroep wegens het onbetaald laten
van griffierechten niet-ontvankelijk wordt verklaard.
3
HR 28 maart 2014, HR:2014:736; JBPr 2014,
48; NJ 2014/525; NJB 2014/731 (Severijnen
c.s./Gemeente De Bilt)
• Een vordering tot vergoeding van immateriële schade
wegens een onredelijk lange duur van een civiele procedure
moet worden ingesteld in een afzonderlijke procedure tegen
de Staat. Voor de hoogte van de vergoeding wordt in
beginsel aangesloten bij de richtlijnen die daarvoor in het
bestuursrecht ontwikkeld zijn (vgl. ABRvS 29 januari 2014,
ECLI:NL:RVS:2014:188: redelijke termijn van artikel 6 EVRM in
niet-punitieve zaken; uniforme termijn bezwaar (maximaal zes maanden),
beroep (maximaal achttien maanden) en hoger beroep (maximaal 24
maanden) = totaal maximaal vier jaar; duur prejudiciële procedure telt na
kennisgeving niet mee).
4
•
•
•
•
•
•
In een civiele procedure is het niet nodig dat de beoordeling van de
termijnoverschrijding in de lopende procedure plaatsvindt, ook al omdat
het betrekken van de Staat in een lopende civiele procedure bezwaarlijk is
in te passen in het Nederlandse burgerlijk procesrecht.
In de ons omringende landen vindt de beoordeling van een vordering tot
schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in civiele
procedures, plaats in een afzonderlijke procedure.
De afzonderlijke civiele procedure over de vraag of de eerdere civiele
procedure te lang heeft geduurd, kan in bijna alle gevallen worden
gevoerd voor de kantonrechter, waar rechtsbijstand niet verplicht is.
Voor deze afzonderlijke procedure mag geen griffierecht worden geheven,
omdat in de zaak waarin de redelijke termijn zou zijn overschreden veelal
al griffierecht is betaald.
De behandeling van de vordering tot immateriële schadevergoeding moet
worden aangehouden tot na de einduitspraak in het eigenlijke geschil
omdat de duur van de hele procedure voor de beoordeling van belang is.
Het gaat om een vergoeding van € 500 voor ieder half jaar waarmee de
redelijke termijn is overschreden.
5
HR 30 oktober 2014, HR:2014:3076; NJB
2014/2012; RvdW 2014/1205 (Vis/Staat)
• 3.4.1 (…) Het – niet onbegrensde – recht van partijen hun
standpunten mondeling ten overstaan van de rechter uiteen
te zetten, is een fundamenteel beginsel van burgerlijk
procesrecht, dat is neergelegd in art. 134 Rv en ook
voortvloeit uit art. 6 EVRM (zie bijvoorbeeld HR 15 maart
1996, NJ 1997/341, Boumans/ 't Plenkske ).
6
• 3.4.2 Een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen
op de grondslag van een voorafgaande mondelinge
behandeling (daaronder begrepen een comparitie van
partijen of pleidooi in dagvaardingszaken), behoort,
behoudens bijzondere omstandigheden, te worden gegeven
door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge
behandeling heeft plaatsgevonden, teneinde te waarborgen
dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij
de totstandkoming van die beslissing.
• Deze regel heeft in de afgelopen decennia aan betekenis
gewonnen door het toegenomen gewicht van de
mondelinge behandeling in de civiele procedure.
• In verzoekschriftprocedures is de mondelinge behandeling
hoofdregel (art. 279 lid 1 Rv, art. 362 Rv).
7
• In dagvaardingsprocedures is in eerste aanleg de
comparitie na antwoord hoofdregel geworden (art. 130 Rv),
en in hoger beroep heeft de comparitie na aanbrengen
ingang gevonden.
• Bovendien hebben partijen in een dagvaardingsprocedure in
beginsel recht op pleidooi. Mondelinge interactie tussen
partijen en de rechter ter zitting kan van wezenlijke invloed
zijn op de oordeelsvorming van de rechter, en kan niet
altijd volledig in een proces-verbaal worden weergegeven,
nog daargelaten dat het opmaken van een proces-verbaal
niet in alle gevallen wettelijk is voorgeschreven.
8
• 3.4.3 Aan het belang dat de op een mondelinge
behandeling volgende uitspraak wordt gewezen door de
rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge
behandeling heeft plaatsgevonden, zal echter niet onder
alle omstandigheden kunnen worden tegemoet gekomen.
Zo kan een rechter in de loop van de behandeling van een
zaak defungeren, overlijden of langdurig ziek worden.
9
• 3.4.4 Het voorgaande brengt mee dat, indien tussen de
mondelinge behandeling en de daaropvolgende uitspraak
vervanging van een of meer rechters noodzakelijk blijkt,
partijen, alsmede – in verzoekschriftprocedures – de
belanghebbenden, daarover voorafgaand aan die uitspraak
worden ingelicht, onder opgave van de reden(en) voor de
vervanging en de beoogde uitspraakdatum. Elk van de bij
de mondelinge behandeling verschenen partijen en
belanghebbenden zal in dat geval een nadere mondelinge
behandeling mogen verzoeken ten overstaan van de
rechter(s) door wie de uitspraak zal worden gewezen.
10
•
•
Dit verzoek mag in geen geval worden afgewezen indien niet een
proces-verbaal van de eerdere mondelinge behandeling is
opgemaakt en uiterlijk tegelijk met de hiervoor bedoelde
mededeling aan partijen en belanghebbenden ter beschikking is
gesteld. Anders is onvoldoende gewaarborgd dat hetgeen ter
zitting is voorgevallen, wordt meegewogen bij de totstandkoming
van de uitspraak.
Is van die mondelinge behandeling wel (tijdig) een proces-verbaal
opgemaakt en aan partijen en belanghebbenden ter beschikking
gesteld, dan kan de rechter het verzoek afwijzen in het belang
van een voortvarende procesvoering. Hij dient in dat geval in de –
alsdan zonder nadere mondelinge behandeling volgende –
uitspraak te motiveren waarom dit belang in de gegeven
omstandigheden zwaarder weegt dan het belang van verzoeker
om zijn standpunt te mogen uiteenzetten ten overstaan van de
rechter(s) die over de zaak zal (zullen) oordelen.
11
• In zoverre komt de Hoge Raad terug van zijn eerdere
rechtspraak (vgl. HR 25 september 1941, NJ 1942/227, HR
5 april 1963, NJ 1963/338 en HR 9 november 1990, NJ
1991/26. Speeckaert/Gardener: Weliswaar is het in
verband met het belang van het verhoor van een
deskundige voor een juiste oordeelsvorming door de
rechter wenselijk dat aan de beslissing zoveel mogelijk
wordt deelgenomen door dezelfde rechters die bij het
verhoor aanwezig waren, maar er bestaat op dit punt geen
rechtsregel over schending waarvan in cassatie kan worden
geklaagd).
• 3.4.5 De Hoge Raad ziet geen grond om voor
onteigeningszaken anders te oordelen dan hiervoor in 3.4.4
voor civiele procedures in het algemeen is geoordeeld. (…)
12
• 3.4.6 Aangezien de gerechten met de hiervoor in 3.4.4
gegeven regels nog geen rekening hebben kunnen houden,
zal aan schending daarvan pas rechtsgevolg kunnen
worden verbonden in procedures waarin na de datum van
dit arrest een mondelinge behandeling plaatsvindt. Een
dergelijke overgangsmaatregel behoeft echter niet te
gelden voor onteigeningsprocedures, nu de gerechten tot
op heden rekening hadden te houden met het arrest van 11
maart 1964, dat – in afwijking van de rechtspraak vermeld
hiervoor in 3.4.4, laatste volzin – een maatstaf aanlegt die
zelfs strenger is dan de maatstaf die volgt uit de hiervoor in
3.4.4 gegeven regels.
13
HR 2 mei 2014, HR:2014:1063; NJ 2014/468;
NJB 2014/984
•
Bij gebreke van een rijksregeling dient de rechter in het
Nederlandse deel van het Koninkrijk evenals de rechter in Aruba,
Curaçao en Sint Maarten, zijn bevoegdheid in privaatrechtelijke
zaken van interregionale aard te bepalen door zoveel mogelijk
aansluiting te zoeken bij de bevoegdheidsregels die voor hem
gelden op het terrein van het internationaal privaatrecht. De
rechter in het Nederlandse deel van het Koninkrijk dient daarbij
eerst te onderzoeken of overeenkomstige toepassing kan worden
gegeven aan de in verdragen en EU-verordeningen neergelegde
bevoegdheidsbepalingen. Slechts indien blijkt dat dergelijke
verdragrechtelijke of Unierechtelijke bepalingen ontbreken of zich
niet lenen voor overeenkomstige toepassing, dient de rechter zijn
rechtsmacht te bepalen met overeenkomstige toepassing van art.
1-14 Rv
14
HR 5 december 2014, HR:2014:3535; NJB
2014/2275; RvdW 2015/32
• Het in art. 6 lid 1 EVRM voor een ieder, dus ook voor
minderjarigen, gewaarborgde recht op toegang tot de
rechter brengt mee dat het recht om te worden gehoord
effectief dient te kunnen worden uitgeoefend. Noch uit art.
6 lid 1 EVRM, noch uit art. 12 IVRK of enige andere,
Nederland bindende internationale regeling, vloeit voort dat
van een effectieve uitoefening van bedoeld recht slechts
sprake kan zijn indien de minderjarige zonder tussenkomst
van een (wettelijk) vertegenwoordiger kennis kan nemen
van alle gedingstukken in de procedure waarin hij of zij
wordt gehoord.
15
•
Het begrip `belanghebbende’ in art. 290 Rv moet in
familierechtzaken in dezelfde zin worden verstaan als in art. 798
lid 1 Rv, waarin het begrip is omschreven als degene op wiens
rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.
In alle familierechtelijke zaken de minderjarige betreffende dient
de minderjarige te worden beschouwd als belanghebbende in de
zin van art. 798 Rv. Dat brengt echter niet zonder meer mee dat
de minderjarige de door de wetgever aan belanghebbenden
toegekende processuele bevoegdheden zonder tussenkomst van
een wettelijk vertegenwoordiger of een daartoe benoemde
bijzondere curator kan uitoefenen. De processuele positie van
minderjarigen is in de afgelopen jaren weliswaar herhaaldelijk ter
discussie gesteld, maar de wetgever tot dusverre geen aanleiding
heeft gezien daarin wijziging te brengen.
16
• In beginsel zullen de belangen van een minderjarige in een
procedure voldoende behartigd kunnen worden door zijn
wettelijk vertegenwoordiger(s). Dat kan anders zijn indien
de belangen van de minderjarige en die van de wettelijk
vertegenwoordiger(s) niet gelijklopen. Die situatie kan zich
in het bijzonder voordoen in gevallen waarin de verzorging
en opvoeding van de minderjarige in het geding is. Voor dat
geval is ervoor gekozen het recht op toegang tot de rechter
van minderjarigen te waarborgen door de mogelijkheid van
benoeming van een bijzondere curator
17
Is het plan om het procesrecht te herzien een
KEI-harde bezuiniging die afbreuk doet aan de
toegang tot de gerechtelijke procedure?
• Digitaal procederen wordt verplicht voor professionele
partijen
• Rechtzoekenden krijgen een digitaal dossier waarmee ze
elke stap in het proces kunnen volgen en worden
geïnformeerd over een rechterlijke uitspraak of beslissing.
• De procedure wordt eenvoudiger door de invoering van een
basisprocedure die bestaat uit één schriftelijke ronde, één
mondelinge behandeling bij de rechter en daarna een
uitspraak. Alle civiele procedures beginnen met een digitale
procesinleiding, waarmee vorderingen en verzoeken kunnen
worden ingediend.
18
• De kern is een mondelinge behandeling, al vrij snel na de
start van de basisprocedure. Hierdoor heeft de rechter
vroeg contact met partijen en kan hen dan om een
toelichting vragen, getuigen of deskundigen horen en
schikkingsmogelijkheden aftasten. Ook geeft hij partijen
gelegenheid om de zaak toe te lichten.
• Is de zaak ingewikkeld, dan kan de rechter de
basisprocedure aanvullen met een extra schriftelijke of
mondelinge ronde.
• Partijen krijgen duidelijkheid over termijnen om verweer te
voeren en nadere stukken in te dienen. In het merendeel
van de gevallen volgt binnen zes weken na de mondelinge
behandeling een uitspraak.
19
Storing betalingsverkeer griffierecht verholpen
Utrecht, 30-10-2014
De storing in de betaling van griffierecht via internetbankieren
(zie bericht van 20 oktober jl.) is verholpen. Mocht u vragen
hebben over dit onderwerp, dan kunt u contact opnemen met
het Klant Contact Centrum van het Landelijk Dienstencentrum
voor de Rechtspraak: 088 - 361 10 01 (8.30 – 17.00 uur).
• het heeft maar 10 dagen geduurd....
20
• Artikel 11Wet griffierechten burgerlijke zaken wordt
als volgt gewijzigd:
• (…)
• 2. Indien in een zaak waarbij een vordering is ingesteld, de
eiser schriftelijk afstand doet van de instantie voordat de
verweerder in de procedure is verschenen of uiterlijk in de
procedure had kunnen verschijnen, stort de griffier twee
derde deel van het reeds betaalde griffierecht terug aan de
eiser. Het griffierecht wordt niet aan de eiser teruggestort
wanneer beroep in cassatie is ingesteld.
(…)
21
Rapport visitatie gerechten 2014
Rechtspraak: de rek is uit de organisatie
De Rechtspraak gaat meer aandacht besteden aan
kwaliteitszorg. De productiedruk, de modernisering en de
reorganisatie van de gerechten in 2013 hebben veel gevergd
van de organisatie. De aandacht voor de kwaliteitszorg is
naar de achtergrond gedrongen. Om de kwaliteit van
rechtspraak ook op termijn te waarborgen, moet er weer
worden geïnvesteerd. “Er is een grens bereikt.”
22
Wordt de rechter (HR) steeds meer een
wetgever-plv waarna geen wetgeving meer
volgt?
• HvJ EU 7 november 2013, ECLI:EU:C:2013:717; RvdW
2014/329; JBPr 2014/14 (Sneller/DAS
Rechtsbijstand)
•
Art. 4 lid 1 sub a Richtlijn 87/344 moet aldus worden uitgelegd
dat het zich ertegen verzet dat een rechtsbijstandverzekeraar die
in zijn verzekeringsovereenkomsten regelt dat rechtsbijstand in
beginsel wordt verleend door zijn eigen werknemers (de zgn.
natura-rechtsbijstandverzekering), tevens bedingt dat de kosten
van rechtsbijstand van een door de verzekerde vrij gekozen
advocaat of rechtsbijstandverlener slechts vergoed kunnen
worden indien de verzekeraar van mening is dat de behandeling
van de zaak aan een externe rechtshulpverlener moet worden
uitbesteed. Daarbij maakt het geen verschil of de procedure al of
niet valt onder het procesmonopolie van advocaten.
23
HR 21 februari 2014, HR:2014:396; NJB
2014/477; JBPr 2014/19; RvdW 2014, 369
(Sneller/DAS Rechtsbijstand)
• Uit de beantwoording van de prejudiciële vragen door het
HvJEU volgt dat de onderdelen 1 en 2 van het middel
terecht aanvoeren dat het recht op vrije keuze van een
rechtshulpverlener niet afhankelijk is van een besluit van de
rechtsbijstandverzekeraar dat de zaak door een externe
rechtshulpverlener zal worden behandeld.
• Nu vaststond dat DAS instemde met het voeren van een
procedure voor de kantonrechter, had het hof de primaire
vordering van eiser (strekkend tot vergoeding van de
kosten van de door eiser zelf gekozen advocaat) moeten
toewijzen.
24
Rb Amsterdam, 18 maart 2014,
RBAMS:2014:1920; NJF 2014/238
• Wat wordt verstaan onder het begrip “gerechtelijke of
administratieve procedure” als bedoeld in artikel 4:67 Wft
en valt de procedure bij het UWV, die volgt op een verzoek
van een werkgever om toestemming te verlenen voor
opzegging van een arbeidsverhouding (ex artikel 6 BBA),
onder dit begrip?
•
•
•
Art. 4:67 Wet op het financieel toezicht (Wft):
“Een rechtsbijstandverzekeraar draagt er zorg voor dat in de
overeenkomst inzake de rechtsbijstanddekking uitdrukkelijk wordt bepaald
dat het de verzekerde vrij staat een advocaat of een andere rechtens
bevoegde deskundige te kiezen indien:
a. een advocaat of andere rechtens bevoegde deskundige wordt verzocht
de belangen van de verzekerde in een gerechtelijke of administratieve
procedure te verdedigen, te vertegenwoordigen of te behartigen;
25
HR 3 oktober 2014, HR:2014:2901; NJ
2014/428; NJB 2014/1846 (Massar/DAS)
• HR: voorshands van oordeel dat de procedure bij het UWV
moet worden aangemerkt als een administratieve
procedure als bedoeld in art. 4 lid 1, aanhef en onder a,
Richtlijn (en daarmee tevens als een administratieve
procedure als bedoeld in art. 4:67 Wft).
• De verlening van de ontslagvergunning door de overheid
naar Nederlands recht wordt niet aangemerkt als een
(administratieve) procedure, maar de betekenis van de
ontslagvergunning en de wijze waarop deze wordt verleend
kunnen aanleiding zijn de verlening wel aan te merken als
een administratieve procedure
• HvJEU heeft in Sneller/DAS overwogen dat de Richtlijn, en
met name art. 4 ervan, beoogt de belangen van de
verzekerden ruim te beschermen, hetgeen niet verenigbaar
is met een restrictieve uitleg van art. 4.
26
•
•
De verlening van een ontslagvergunning heeft verstrekkende
gevolgen voor de werknemer, die burgerlijke rechten en plichten
in de zin van art. 6 EVRM betreffen, wat meebrengt dat de
werknemer erbij belang heeft dat zijn standpunt op adequate
wijze ter kennis wordt gebracht van UWV. Daarom kan de
werknemer redelijkerwijs behoefte hebben aan rechtsbijstand
door een advocaat of een andere gekwalificeerde persoon.
Naar het voorlopig oordeel van de Hoge Raad rechtvaardigt de
ruime bescherming van de belangen van de verzekerde die de
Richtlijn, en met name art. 4 ervan, beoogt te bieden, daarom dat
de procedure bij het UWV door die bepaling wordt bestreken.
Alleen langs die weg kan worden bereikt dat de werknemer die
voor rechtsbijstand is verzekerd, aanspraak erop kan maken dat
hij in de procedure bij het UWV, die voor het voortbestaan van zijn
dienstverband verstrekkende gevolgen kan hebben, is voorzien
van rechtsbijstand door een advocaat of een andere
gekwalificeerde persoon.
27
•
•
•
prejudiciële vragen aan HvJ EU:
1. Dient het begrip “administratieve procedure” in art. 4 lid 1,
aanhef en onder a, van Richtlijn 87/344/EEG van de Raad van 22
juni 1987 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen betreffende de rechtsbijstandverzekering, aldus te
worden uitgelegd dat daaronder is begrepen de procedure bij het
UWV, waarin de werkgever verzoekt om een ontslagvergunning
teneinde te komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst
met de (voor rechtsbijstand verzekerde) werknemer?
2. Indien het antwoord op vraag 1 afhangt van de kenmerken van
de specifieke procedure, zo nodig in samenhang met de feiten en
omstandigheden van het geval, aan de hand van welke
kenmerken, feiten en omstandigheden dient de nationale rechter
dan te bepalen of die procedure dient te worden aangemerkt als
een administratieve procedure als bedoeld in art. 4 lid 1, aanhef
en onder a, van de Richtlijn?
28
Hof Amsterdam 23 december 2014,
GHAMS:2014:5790 (X/Achmea)
• Vrije advocaatkeuze in de fase van bezwaar bij het Centrum
Indicatiestelling Zorg (CIZ) tegen afwijzend besluit op
verzoek op indicatiestelling AWBZ-zorg (o.a. persoonlijke
verzorging, verpleging en begeleiding)
• Moet de fase van bezwaar bij het Centrum Indicatiestelling
Zorg, waarin degene die een afwijzend besluit van het CIZ
heeft gekregen een bezwaarschrift indient bij het CIZ met
het verzoek het besluit te herzien worden aangemerkt als
‘administratieve procedure’ in de zin van art. 4 lid 1, aanhef
en onder a, Richtlijn 87/344/EEG?
• Het hof stelt een prejudiciële vraag aan het HvJEU.
29

similar documents