Pincode 5de editie, GT 4 antwoorden leerboek Boek4 Hoofdstuk 5

Report
Pincode 5de editie, GT 4 antwoorden leerboek
Boek4
Hoofdstuk 5: Aan de slag!
Werk aan de winkel.
a Voorbeelden zijn: tekst van de liedjes moet geschreven worden, muziek moet worden
gecomponeerd (samengesteld), liedjes moeten opgenomen worden, op de cd worden gezet, er
moeten meerdere cd’s worden gemaakt (geperst), het hoesje moet worden ontworpen en
gemaakt, de cd moet naar de muziekwinkel worden vervoerd.
b Life Records kan proberen de plaat op de radio te laten draaien. De cd kan worden verkocht
bij live optredens van Fix-Up. Ze kunnen ook op de site van de platenmaatschappij of de
website van de band zelf reclame maken voor de cd.
c Voorbeelden zijn: uit hoeveel uur een volledige werkweek bestaat, het minimum aantal
vakantiedagen, de vaste vrije dagen, welk salarissen bij welke functies horen, welke
vergoedingen de werkgever moet betalen.
Weet je het nog?
1 2.560 x € 1.460 = € 3.737.600
2 A € 947.175 : 1.095 = € 865
3 Voorbeelden van bedrijfskosten zijn: lonen, kosten van het gebouw, reclamekosten,
verzekeringspremies, rentekosten voor een lening en afschrijvingskosten.
4 a juist
b onjuist
5 Het geld dat je ontvangt door producten te verkopen, is je (a) omzet. Daarvan moet je eerst
de (b) inkoopwaarde van de producten aftrekken. Je houdt dan de (c) brutowinst over.
Daarvan gaan de (d) bedrijfskosten af. Wat uiteindelijk overblijft is de (e) nettowinst.
6 D
7 a Omzet – inkoopwaarde = brutowinst.  € 15.271.000 - € 14.410.000 = € 861.000
b Brutowinst – kosten = nettoresultaat.  € 861.000 – (€ 934.000 + € 1.982.000) =
(-) € 2.055.000
c Dit is nettoverlies.
8 Voorbeelden zijn: goedkoper of minder personeel (eventueel uitzendkrachten), minder of
anders reclame maken, kijken welke verzekeringsmaatschappij de goedkoopste verzekeringen
heeft.
9 Nettowinst + bedrijfskosten = brutowinst. Brutowinst + inkoopwaarde = omzet.
€ 45.696 + € 76.512 = € 122.208  € 122.208 + € 219.743 = € 341.951.
10 € 1,74 + € 0,10 (6%) = € 1,84
11 Inkoopprijs + winst + btw = winkelprijs.
€ 74,50 + € 18,63(25%) = € 93,13 + € 17,69(19%) = € 110,82
12 a Voorbeelden zijn: advocaat, tandarts, huisarts, opticien, leraar.
b Voorbeelden zijn: tuinbouwmedewerker, vuilnisophaler, koerier, vakkenvuller, postbode.
13
Leidinggevende functie
Bedrijfsleider bank
Uitvoerende functie
Administratief medewerker
© Noordhoff Uitgevers bv
Pincode 5de editie, GT 4 antwoorden leerboek
Facilitair leidinggevende
Filiaalmanager
Hoofd informatie
Logistiek teamleider
Apothekersassistent
Baliemedewerker
Logistiek medewerker
Onderwijsassistent
Pedagogisch medewerker
Verkeersspecialist
14 Werk in je eigen huishouden en vrijwilligerswerk.
15 a Mensen willen in deeltijd werken om tijd over te houden om andere dingen te doen.
b De werknemer is niet altijd aanwezig en dat kan met het plannen van de werkzaamheden
lastig zijn.
5.1 Hoeveel kost het?
1
2
990.000 x € 1,40 = € 1.386.000
De afzet kan zijn gestegen of de prijs per cd is hoger geworden.
3 a 22% = 990.000 cd’s, 1% = 45.000 cd’s, 100% = 4.500.000 cd’s
b Zowel Track’m als Mediamultus hebben 10% marktaandeel (het kleinste marktaandeel).
1% = 45.000 cd’s, 10% = 450.000 cd’s
4 De totale afzet daalde met 14% van 4.500.000 = 630.000 cd’s. Dus de totale afzet werd
4.500.000 – 630.000 = 3.870.000.
Het marktaandeel van CDTrack steeg met 9% en werd dus 22% + 9% = 31%.
31% van 3.870.000 = 1.199.700 cd’s.
De afzet van CDTrack is dus met 1.199.700 – 990.000 = 209.700 cd’s gestegen.
5 a € 623.310 : 39.450 = € 15,80
b € 15,80 - € 10,30 = € 5,50
c 39.450 x € 5,50 = 216.975
6 a De omzet exclusief btw: € 584.409 - € 93.309 = € 491.100
De inkoopwaarde exclusief btw: € 386.512 - € 61.712 = € 324.800
Brutowinst: € 491.100 - € 324.800 = € 166.300
b Brutowinst – nettowinst = bedrijfskosten
€ 166.300 - € 36.124 = € 130.176
7
Omzet
Inkoopwaarde Brutowinst
Bedrijfskosten Nettowinst
€
€
€
€
€
77.231.700
52.474.50024.757.200
18.700.0006.057.200
5.382.000 x € 14,35
5.382.000 x € 9,75
8 + 1,7 + 9 miljoen
8 C
9 a € 19,90 - € 3,18 = € 16,72 - € 12,80 = € 3,92 brutowinst per cd
b € 3,92 - € 3,45 = € 0,47 nettoresultaat per cd
10 a Als de bedrijfskosten stijgen en de winkelier kan de verkoopprijs niet verhogen, zal zijn
nettowinst lager worden.
b De consument kan er voor kiezen het product in een andere winkel te kopen waar het
goedkoper is.
11 a € 8.300 - € 1.500 = € 6.800 : 8 = € 850 afschrijving per jaar
b € 1.500
c € 8.300 – (4 x € 850) = € 4.900 waarde na 4 jaar.
© Noordhoff Uitgevers bv
Pincode 5de editie, GT 4 antwoorden leerboek
12 a De technische levensduur van een machine is voorbij als de machine versleten is. De
economische levensduur loopt tot het moment dat de machine vervangen wordt, omdat een
nieuwe, modernere machine goedkoper (en sneller) kan produceren.
b Je kunt niet precies zeggen hoeveel een kapitaalgoed nog waard is na een bepaald aantal
jaren.
c Je weet niet hoeveel geld het nieuwe kapitaalgoed kost dat je wilt aanschaffen over een paar
jaar.
13 a Inkoopprijs + brutowinstmarge = verkoopprijs excl. btw
€ 425 + € 148,75(35%) = € 573,75
b verkoopprijs excl. btw + btw = consumentprijs
€ 573,75 + € 109,01(19%) = € 682,76
14 a € 15,15 - € 11,65 = € 3,50
b (€ 3,50 : € 11,65) x 100 = 30%
15 a € 16,85 = 119%  1% = € 0,14  100% = € 14,16
b € 19,50 = 106%  100% = € 18,40 + € 3,50 (19%) = € 21,90
5.2 Kun je meer produceren?
16 Er wordt steeds meer muziek gedownload en dus minder cd’s gekocht. Dit heeft als gevolg
dat er minder cd’s worden gemaakt, omdat er minder vraag naar is.
17 Onderbezet.
18 Fabrieken maken tegenwoordig veel meer gebruik van machines. Deze machines kunnen in
een bepaalde periode meer produceren dan dat mensen dat kunnen.
19 Foto 1: Bestaat over twintig jaar nog, omdat er altijd mensen zijn die cd’s willen kopen.
Bestaat over twintig jaar niet meer, omdat dan alle muziek wordt gedownload.
Foto 2: Bestaat over twintig jaar nog, omdat mensen foto’s willen laten afdrukken en pasfoto’s
willen laten maken.
Bestaat over twintig jaar niet meer, omdat dan alle foto’s zelf worden afgedrukt.
Foto 3: Bestaat over twintig jaar nog, omdat videofilms dan nog gehuurd worden.
Bestaat over twintig jaar niet meer, omdat films alleen nog worden gedownload.
20 D
21 a Iedereen de taak laten doen waar hij/zij goed in is.
b Je zoekt informatie op via internet. Je kunt het verslag en de presentatie op de computer
uitwerken. Je presenteert het via de beamer / digibord / smartboard aan de klas.
c Als je een presentatie wilt maken in PowerPoint is het handig dat je een cursus hebt gedaan
en weet hoe je dat het best kunt doen.
d Je kunt beter je best doen voor een hoger cijfer.
e Als de sfeer goed is in de groep wordt er goed samengewerkt. Iedereen krijgt de kans de
werkzaamheden te doen waar hij goed in is. Er is regelmatig overleg over het werkstuk, zodat
het eindresultaat goed is.
22 a Bijvoorbeeld de receptie, keuken, restaurant en administratie.
b Receptionist, kok, kelner en administratief medewerker.
23 a Mogelijke antwoorden: werknemers wordt steeds beter in hun werk, het werk wordt
sneller en beter gedaan dan wanneer werknemers steeds moeten overschakelen naar andere
taken, de werkgever betaalt een laag loon voor eenvoudig werk en alleen een hoog loon voor
moeilijk of verantwoordelijk werk.
b Mogelijke antwoorden: werknemers worden steeds beter in hun werk, werknemers die
moeilijk of verantwoordelijk werk doen krijgen een hoog loon.
© Noordhoff Uitgevers bv
Pincode 5de editie, GT 4 antwoorden leerboek
c Het werk kan eentonig zijn.
24 a Bijvoorbeeld directeur, teamleider en (directie)secretaresse.
b Bijvoorbeeld docent, administratief medewerker, conciërge en schoonmaker.
25 a 4.900 : 10 = 490 cd’s per uur
b 50 uur + 8 = 58 uur x 490 cd’s = 28.420 cd’s per week
c De productiekosten zullen dalen.
d De loonkosten en energiekosten zullen stijgen.
26 a 50.000 : 1.000 = 50 x € 1.994 = € 99.700 totale productiekosten.
€ 99.700 x 35,8% = € 35.692,60 loonkosten
b De productiekosten per cd in 2009 bedroegen € 1.994 : 1.000 = € 1,99. De productiekosten
in 2010 stegen met € 0,10 naar € 2,09 per cd. 55.000 x € 2,09 = € 114.950.
c Voorbeelden: goedkoper personeel in dienst nemen, op zoek gaan naar goedkopere
grondstoffen en energiebesparende maatregelen nemen.
5.3 Heb je werk?
27 Fokke en Sukke zijn werkzoekend. Zij bieden arbeid aan.
28 Mensen die op zoek zijn naar werk, maar waarbij arbeidsplaatsen bezet worden door
mensen die zwart werken.
29 a De werkgelegenheid blijft gelijk.
b De werkloze beroepsbevolking blijft gelijk.
30 Vraag naar producten daalt  2  3  1  werkloosheid neemt toe.
31 a Wanneer de consumenten meer vertrouwen hebben in de economie gaan ze meer geld
uitgeven. Er komt meer vraag naar producten en diensten. Om aan deze vraag te voldoen
zullen er meer producten gemaakt moeten worden en hier zijn extra werknemers voor nodig.
Hierdoor daalt de werkloosheid.
b Hier is sprake van conjuncturele werkloosheid, omdat deze daling van de werkloosheid het
gevolg is van schommelingen in de economie.
c Dit leidt tot structurele werkloosheid.
32 a De werknemer kan zich laten omscholen.
b De werkgever kan mensen aannemen die binnen het bedrijf worden geschoold voor het werk
dat gedaan moet worden.
33 a Frictiewerkloosheid duurt maar kort. Het is geen probleem dat een werkzoekende een
korte tijd zonder werk zit.
b Bijvoorbeeld horeca medewerker, medewerker in een pretpark, aardbeienplukker en
campingmedewerker.
c Groningen, Drenthe, Limburg.
34 a 4,1% x 601.000 = 24.641 werklozen in de provincie Utrecht.
b (15.200 : 210.000) x 100 = 7,2%
c In verhouding tot de totale beroepsbevolking is de werkloosheid hoog.
Er wonen minder mensen in Groningen dan in Zuid-Holland, dus het aantal werklozen is lager
in Groningen.
35 a € 1.312 x 70% = € 918,40
b Zij heeft te weinig geld om in haar behoeften te voorzien. Ze mist de sociale contacten.
36 Vrouwen zijn vaker op zoek naar een baan voor een bepaald aantal uren. Als ze (jonge)
kinderen heeft wil een vrouw graag onder schooltijden werken. Het opleidingsniveau van
vrouwen is gemiddeld lager dan dat van mannen.
© Noordhoff Uitgevers bv
Pincode 5de editie, GT 4 antwoorden leerboek
37 a Een werkzoekende kan voor alle informatie over werk terecht bij het UWV WERKbedrijf.
b Het UWV WERKbedrijf kan werkgevers in contact brengen met werkzoekenden.
38 a Nee. Jim staat niet ingeschreven bij het UWV WERKbedrijf.
b Ja. De tante van Jim staat ingeschreven bij het UWV WERKbedrijf en zoekt een baan van ten
minste 12 uur.
c Nee. Aniek zoekt geen werk, maar een stageplaats.
d Nee. De buurman van Jim is niet werkloos. Hij zoekt een andere baan.
5.4 Is er werk?
39 Bij omscholing krijg je meer kennis en kun je in meer sectoren kans maken op een baan.
40 a Bij horecabedrijven zal de omzet meer toenemen. Bij stijging van de koopkracht hebben
mensen geld om uit te geven aan extraatjes. Men gaat dan bijvoorbeeld meer uit eten.
b De werkgelegenheid stijgt bij de horecabedrijven.
41 Het neerzetten van de productiehal zorgt voor werkgelegenheid bij een bouwbedrijf. Er
moeten mensen aangenomen worden die in de nieuwe productiehal gaan werken.
42 Het verhogen van de Afsluitdijk wordt gedaan door een bedrijf. Bij dit bedrijf zorgt dit voor
werkgelegenheid.
43 Als het consumentenvertrouwen stijgt gaat men meer geld uitgeven. Er worden meer
producten gekocht en er wordt meer gebruik gemaakt van diensten. Dit zorgt voor stijging van
de werkgelegenheid.
44 a Als de lonen in de horeca flink stijgen, stijgen de prijzen ook.
b De kans is groot dat de afzet dan gaat dalen.
45 a de loonkosten voor de werkgevers blijven gelijk.
b de nettolonen van de werknemers stijgen.
c de prijzen van producten hierdoor niet stijgen en de werknemers kunnen dan meer kopen.
46 a Een groot deel van de 15 tot en met 25 jarigen gaat nog naar school.
b
leeftijdsgroep
Arbeidsdeelname mannen
Arbeidsdeelname vrouwen
35-45 jaar
94,2 %
78,6%
45-55 jaar
91,7%
72,9%
55-65 jaar
64,3%
38,1%
c In de leeftijdsgroep 55-65 jaar is het verschil tussen mannen en vrouwen het grootst.
d In de leeftijdsgroep 55-65 jaar is het verschil tussen mannen en vrouwen het grootst. Dit
komt doordat vrouwen vroeger minder opleiding hadden en minder vaak gingen werken. Bij
oudere vrouwen is dit nog te merken. Over 25 jaar is dit verschil waarschijnlijk verdwenen.
47 Vrouwen die een hogere opleiding hebben kunnen makkelijker een baan vinden.
48 a (2.727 : 7.187) x 100= 37,9%
b (541 : 1.607) x 100 = 33,7%
c Deeltijd in handel en horeca: (574 + 312) : 1.607 x 100 = 55,1%
Deeltijd totaal: (2.727 + 1.283) : 7.187 x 100 = 55,8%
Veel mensen die in deeltijd werken, werken in de handel of horeca.
49 a Je werkt bij verschillende bedrijven en moet steeds weer wennen aan nieuwe collega’s en
nieuw werk.
b Het is afwisselend.
© Noordhoff Uitgevers bv
Pincode 5de editie, GT 4 antwoorden leerboek
50 € 302 + € 443 + € 160 = € 905
(€ 160 : € 905) x 100 = 17,7%
51 a 18 x 40 = 720 uur
b 20 fulltime banen
c Door de arbeidstijdverkorting is de werkgelegenheid uitgedrukt in uren gelijk gebleven.
d De werkgelegenheid uitgedrukt in personen is toegenomen.
52 1 Klanten en werknemers kunnen makkelijker en sneller bij het bedrijf komen en er is
minder transport nodig voor grondstoffen en producten. Daardoor kunnen bedrijven hun
producten makkelijker verkopen en maken ze meer winst. Bedrijven hoeven minder uit te
geven aan reiskostenvergoedingen voor werknemers en maken minder transportkosten.
Daardoor hebben bedrijven lagere bedrijfskosten. Door de hogere omzet en de lagere
bedrijfskosten houden bedrijven meer geld over om te investeren en de productie uit te
breiden. Daarvoor is extra personeel nodig.
2 Het is goedkoper een bedrijf te starten. Nieuwe bedrijven leveren banen op.
3 Dit betekent minder kosten voor het bedrijf. Producten en diensten worden daardoor
goedkoper. Er worden meer producten gekocht en er wordt meer gebruik gemaakt van
diensten. Hier is extra personeel voor nodig.
Herhalingsopgaven
Paragraaf 5.1
H1 D
H2 a De afzet was 750 fietsen.
b De omzet was 750 x € 615 = € 461.250.
c De brutowinst per fiets was € 615 - € 420 = € 195.
Dit is in procenten van de inkoopwaarde (€ 195 : € 420) x 100 = 46,4%
d De nettowinst per fiets is € 195 – (€ 55.000 : 750 = )€ 73,33 = € 121,67
H3 a (nieuw – oud) : oud x 100 = (€ 117 miljoen - € 148 miljoen) : € 148 miljoen x 100 =
20,9% daling
b (nieuw – oud) : oud x 100 = (€ 4,9 miljoen - € 10,2 miljoen) : € 10,2 miljoen x 100 = 52%
daling
c De inkoopwaarde en/of de bedrijfskosten waren hoger dan in 2010.
H4 (€ 8.600 - € 830) = € 7.770
7 jaar
7 = € 1.110 afschrijving per jaar
H5 C
€ 140.420.000 - € 22.420.000 = € 118.000.000 omzet exclusief btw
€ 106.148.000 - € 16.948.000 = € 89.200.000 inkoopwaarde exclusief btw
€ 118.000.000 - € 89.200.000 = € 28.800.000 brutowinst
€ 28.800.000 - € 26.750.000 = € 2.050.000 nettowinst
H6 De afschrijving bereken je aan de hand van de economische levensduur.
H7 € 39,95 - € 6,38 = € 33,57 - € 27,97 = € 5,60
(€ 5,60 : € 27,97) x 100 = 20%
H8 € 69,95 = 119%  1% = € 0,5878  100% = € 58,78 verkoopprijs exclusief 19% btw.
Paragraaf 5.2
H9 a (nieuw – oud) : oud x 100 = (225.000 – 189.500) : 189.500 x 100 = 18,7%
b (225.000 : 300.000) x 100 = 75%
© Noordhoff Uitgevers bv
Pincode 5de editie, GT 4 antwoorden leerboek
H10 € 203.000.000 : 3.800 = € 53.421,05
H11 Als je goed opgeleid bent, kun je je werk beter en sneller doen dan zonder opleiding.
H12 a 8.500 + 10% = 9.350 scooters
b Door de bedrijfstijd te verlengen maak je beter gebruik van je kapitaalgoederen. Met
dezelfde machines kun je in een week meer produceren. Het gevolg daarvan is dat de
productiekosten lager worden.
Paragraaf 5.3
H13 a Annelies werkt wel, maar heeft geen betaalde baan. Zij werkt als vrijwilligster.
b Verborgen werklozen zijn werkzoekenden die zich niet hebben ingeschreven bij het UWV
WERKbedrijf.
H14 a juist
b onjuist
c onjuist
H15 a Internetboekingen doen mensen zelf thuis. Dit betekent dat ze niet naar het reisbureau
gaan om daar een reis te boeken. Reisbureaus hebben daardoor minder werk en er is dus
minder werkgelegenheid.
b Deze verandering is structureel.
H16 a seizoenswerkloosheid
b regionale werkloosheid
c structurele werkloosheid
H17 (37.000 : 1.681.818) x 100 = 2,2% werkloosheidspercentage 2009
(61.000 : 1.648.649) x 100 = 3,7% werkloosheidspercentage 2010
H18 a onjuist
b onjuist
c onjuist
Paragraaf 5.4
H19 a bedrijfsleider – eerste verkoopmedewerker – verkoopmedewerker
b bedrijfsleider.
c eerste verkoopmedewerker en verkoopmedewerker
H20 a - 4 b – 3
c–1
H21 a onjuist b onjuist
d-2
c juist
H22 a
Aantal
%
Totaal aantal werkenden
7.400.000
100%
Basisonderwijs
347.000
4,7%
Vmbo
1.347.000
18,2%
Havo/vwo/mbo
3.212.000
43,4%
Hbo
1.592.000
21,5%
WO
906.000
12,2%
b Voorbeelden: kassamedewerker, vulploegmedewerker, tuinbouwmedewerker en
vuilnisophaler.
H23 a Voorbeeld: de overheid kan de belastingen, die de ouderen moeten betalen over hun
brutosalaris, verlagen. De overheid kan zorgen dat ouderen meer vakantiedagen kunnen
opnemen.
Voorbeelden: werkgevers kunnen de arbeidsomstandigheden voor ouderen verbeteren.
Werkgevers kunnen ouderen minder uren in de week laten werken.
© Noordhoff Uitgevers bv
Pincode 5de editie, GT 4 antwoorden leerboek
H24 a 2010 Totale bevolking 45 – 65 jaar: 1.202 + 1.109 + 1.124 + 825 = 4.260.000
2010 Beroepsbevolking 45 – 65 jaar: 961 + 819 + 658 + 163 = 2.601.000
(2.601.000 : 4.260.000) x 100 = 61,1%
2000 Totale bevolking 45 – 65 jaar: 1.162 + 515 + 441 + 373 = 2.491.000
2000 Beroepsbevolking 45 – 65 jaar: 842 + 609 + 325 + 80 = 1.856.000
(1.856.000 : 2.491.000) X 100 = 74,5%
b 2000 Arbeidsdeelname 60 - 65 jaar: (80.000 : 373.000) x 100 = 21,5 %
2010 Arbeidsdeelname 60 – 65 jaar: (163.000 : 825.000) x 100 = 19,8%
Daling van 1,7%.
2000 Arbeidsdeelname 45 – 50 jaar: (842.000 : 1.162.000) x 100 = 72,5%
2010 Arbeidsdeelname 45 – 50 jaar: (961.000 : 1.202.000) x 100 = 80%
Stijging van 7,5%.
Examenopgaven
E1 B
E2 Omzet totaal bedrijfsleven € 1.394,6 miljard – omzet MKB € 817,2 miljard = omzet
grootbedrijf € 577,4 miljard.
Aantal bedrijven totaal 786.000 – aandeel MKB (783.642)99,7% = aandeel grootbedrijf 2.358
(0,3%).
Gemiddelde omzet per bedrijf € 577,4 miljard : 2.358 = € 0,244868532 miljard = € 245
miljoen.
E3 Het grootbedrijf kan grotere hoeveelheden kopen en krijgt daardoor kortingen. Het
kleinbedrijf krijgt die kortingen niet waardoor het moeilijker kan concurreren met de prijs.
E4 B
E5 A
E6 Voorbeeld van een juist argument:
Door lagere (minder sterk gestegen) lonen kunnen de prijzen gaan dalen (of minder sterk
gaan stijgen).
Door loonmatiging verbetert de concurrentiepositie en dus de werkgelegenheid van Nederland.
E7 A
E8 Voorbeeld van een juist argument indien eens met de president van de
Nederlandsche Bank (één van de volgende): Bij structurele werkloosheid is loonmatiging
doorgaans goed voor de economie, omdat hierdoor de arbeid minder duur wordt en de
werkloosheid minder zal groeien/zal afnemen.
of
Voorbeeld van een juist argument indien eens met de andere economen (één van de
volgende): Bij conjuncturele werkloosheid is loonmatiging doorgaans slecht voor de economie,
omdat hierdoor de bestedingen nog meer zullen teruglopen en de werkloosheid kan toenemen.
E9 € 520.000 + € 18.000 + € 57.000 = € 595.000
€ 595.000/10,5 = € 56.666,67
E10 B
E11 De apk-keurmeester werkt 50%. Dat is 0,5 x 230 = 115 dagen.
Hij keurt 180 caravans in 90 dagen (180 x 0,5).
Hij heeft 115 dagen - 90 dagen geen werk. Dat is 25 dagen per jaar.
E12 stijging omzet keuring: 525% x € 18.000 = € 94.500
daling omzet schade-auto’s: 20% x € 520.000 = € 104.000
(In euro's is de omzetdaling bij schade-auto's groter dan de omzetstijging bij apk-keuringen,
daarom zal per saldo de omzet dalen.)
E13− afspraken maken met verzekeringsmaatschappijen en/of de wegenwacht/sleepdiensten
om klanten door te sturen
− afspraken maken met autodealers om werk over te nemen
− onder de prijs van de autodealers gaan zitten
− service-uitbreiding door bijvoorbeeld schade-auto's op te halen en weer thuis te brengen of
gratis leenauto’s aan te bieden
− aanbiedingen
E14 B
E15 Het percentage werklozen met alleen VMBO-TL is (49 : 513) x 100 =9,6%.
Het percentage werklozen met MBO is (146 : 2.594) x 100 = 5,6%.
© Noordhoff Uitgevers bv

similar documents