Een kind met Down op school

Report
vakblad voor het primair en speciaal onderwijs
Een kind met Down op school
Ervaringen op reguliere scholen
■ Prettig in je eigen lichaam
■ Lotje & Co
■ Succesfactoren voor de praktijk
■ Oplossingsgericht werken en Down
■
# 01.2016
VOORWOORD
Meedoen!
V
eel ouders streven voor hun kind met downsyndroom een
geïntegreerde opvoeding na. Doel is een volwaardige plaats in
de samenleving waarin hun kind écht meedoet. Onderwijs op een
reguliere basisschool is een eerste aanzet hiertoe.
Al meer dan 25 jaar integreren leerlingen met downsyndroom in
het regulier basis- en vervolgonderwijs. Volgens de meest recente
gegevens start circa 55% van deze kinderen op het regulier
basisonderwijs. Hiervan doorloopt 40% de gehele basisschool.
In het regulier voortgezet onderwijs is integratie helaas een
uitzondering. Onderzoek uit verschillende landen geeft aan dat
kinderen met downsyndroom zich beter ontwikkelen binnen het
regulier onderwijs. Dit wordt nog eens bevestigd door een
Nederlands promotieonderzoek van Gert de Graaf . Daarnaast
is gebleken dat integratie van kinderen met downsyndroom in een
reguliere setting een pedagogische meerwaarde heeft voor de
medeleerlingen.
Foto Ron Moes Nijmegen
Binnen passend onderwijs wordt veel van leerkrachten gevraagd in
het algemeen en met een kind met downsyndroom in de klas in het
bijzonder. Maar dat het kán bewijst de VIM regelmatig.
De VIM is een (ouder)vereniging die zich al meer dan 25 jaar inzet
voor integratie van leerlingen met downsyndroom binnen het
regulier onderwijs. ‘Good practice’ is een belangrijke pijler. Laten
zien dat het kan. Door bijvoorbeeld onderwijsprofessionals en
ouders samen deel
te laten nemen aan studiedagen waarbij naast overdracht van
kennis veel ervaring wordt uitgewisseld. Maar ook door
studiegidsen uit te brengen waarin scholen vertellen hoe zij het
onderwijs voor leerlingen met downsyndroom binnen een reguliere
setting vorm hebben gegeven.
Ook kinderen met downsyndroom verdienen een zo goed mogelijke
plek in de samenleving. Passend onderwijs dat hen uitdaagt,
uitgaat van hun mogelijkheden en rekening houdt met hun
beperking, is daarbij onontbeerlijk. Als het kan, op de reguliere
school.
Hilde de Haan is projectmanager VIM
2
INHOUD
2Meedoen!
Hilde de Haan
4Oriëntatie
Jan van Balkom
5
Onderzoek naar ervaringen op reguliere scholen
Gert de Graaf
8
Kinderen met Downsyndroom in Bennekom
Wilma Petersen
8
10 Column Bas Wijs
Een speciaal geval
11 De bewegingspedagogiek van Veronica Sherborne
Marieke van der Aa
14 Lotje & Co
Column van Silvie Warmerdam
15 De VIM vanuit historisch perspectief
Hilde de Haan
17 Column Themagroep Passend Onderwijs
Passend onderwijs en het syndroom van Down
19
18 Een kind met Down in Amsterdam
Anne Niessen
20 Leren rekenen door de tafel te dekken
Janneco 't Hart & Aganneke Keus
23 Voordelen en succesfactoren
Anneke Verweij
26 Lucy houdt van poppen, swingen en schrijven
Sabine Aangenendt
28 Oplossingsgericht werken en het syndroom van Down
Anja Poppe & Janneke Wienke
23
32 Cartoon Beijers
Themanummers in 2016: De schoolverlater.
Praktijkverhalen die je wilt delen in ZP? Neem contact met ons op!
Contact met redactie: [email protected]
Praat en denk mee via Linkedin!
(Groep Zorg Primair/Passend Onderwijs)
Volg Zorg Primair op Twitter: @ZPZorgprimair
Losse nummers kosten € 5,00.
Mail naar [email protected]
Het is mogelijk om een los
abonnement te nemen op
Zorg Primair! Dat kost
€ 30,00 per jaar. Bellen naar
030 7511003 of mailen naar
[email protected]
ZORG PRIMAIR
| 01.2016
3
ORIËNTATIE
foto’s over pubers met Down.
Tien jongeren zijn gefotografeerd
en vertellen over hun leven. Ook
familieleden en vrienden komen
aan het woord. Een uitgave van
Spectrum, Houten.
DE DROOM VAN DOWN
Actuele en bruikbare zaken voor de leerkracht door Jan van Balkom
AGENDA:
28 januari 2016: 3e Nationaal Congres Pesten.
Het recht om anders te zijn. Informatie en
aanmelden via www.mediaenmaatschappij.nl.
l 11 maart 2016: Ontwikkelingen in onderwijspraktijk. 10 Ontdekkingen door onderzoek
Masters. Conferentie van Fontys OSO.
Locatie: Onderwijsgebied Stappegoor, Tilburg.
Meer informatie en aanmelden:
[email protected]
l 16 maart 2016: Middagsymposium ‘Een kijkje
in de keuken van vvto’.
Locatie: Marnixacademie Utrecht. Zoeken op
www.marnixonderwijscentrum.nl.
l 9 april 2016: De cognitieve functies als
koninklijke weg van ontwikkeling en leren.
Symposium van Stichting ter Bevordering van
de Cognitieve Ontwikkeling (stibco).
Locatie: ‘bij Everts’ te Bodegraven.
Kosten € 49,50. Meer informatie en
aanmelden: [email protected] / www.stibco.nl.
l
EEN SPROOKJE IN HET LAND VAN DOWN
De uitgever vindt het zelf ‘het mooiste
boek dat we ooit hebben uitgegeven’.
Liever dan lief gaat over twee kinderen
met het syndroom van Down. Beide
kinderen hebben een fantasie die ver
over de grenzen van het land van Down
gaat. Een wereldboek waarin ‘het
syndroom’ intens voelbaar wordt. Een uitgave van
De Vier Windstreken, Rijswijk.
PUBERS MET DOWN OVER HUN LEVEN
Eva Snoijng is bekend om de foto’s die ze maakt
van kinderen met Down. In Hoezo Down?! Staan
4
De wet Passend Onderwijs
vraagt om een nieuwe editie
van de uitgave van VIM: De
droom van Down. De brochure
beoogt leerkrachten, schoolleiders en andere betrokkenen
bij het onderwijs aan deze
kinderen te informeren en te
inspireren.
Via www.vim.online.nl kunnen er exemplaren van
worden besteld.
TOUCHDOWN
Vorig jaar verscheen de glossy Touchdown. Een
uitgave van de makers van de Upside van Down.
In deze glossy onder andere
portretten van verschillende
gezinnen, ervaringen van
diverse werkgevers, openhartige broers en zesjes en veel
verhalen van mensen met
Downsyndroom. Meer over
deze interessante uitgave:
www.deupsidevandown.nl.
MEDISCHE ZORG VOOR KINDEREN MET DOWN
Kinderarts Michel Weijerman promoveerde aan het
VUmc te Amsterdam op een onderzoek over de
stand van zaken mbt de medische zorg voor
kinderen met het syndroom van Down. Hij stelt vast
dat in Nederland relatief veel kinderen met Down
worden geboren. Bijna de helft van deze kinderen
had een aangeboren hartafwijking. Het aantal
sterfgevallen is aanzienlijk teruggedrongen omdat
er door betere diagnose veel sneller kan worden
geopereerd. Daarnaast blijkt ook dat de kennis over
aandoeningen met een verhoogd risico is toegenomen. Daarbij kan worden gedacht aan luchtweginfecties en hogebloeddruk. Wie meer wil weten over
het werk van Weijerman komt via Google bij diverse
onderwerpen waar hij mee bezig is.
ARTIKEL
Downsyndroom: ervaringen
van reguliere scholen
Gert de Graaf
Passend Onderwijs vraagt van reguliere scholen na te denken over mogelijkheden voor
leerlingen met een beperking. Ook leerlingen met Downsyndroom. Wat zien de scholen als
kansen, voorwaarden en knelpunten?
anuit de Stichting Downsyndroom (SDS) interviewden wij 28 reguliere scholen. Bij deze scholen
zijn de afgelopen jaren kinderen met Downsyndroom
aangemeld; bij 23 ook geplaatst. In totaal gaat het om
36 geplaatste leerlingen. Ervaringen zijn er met
kleuters (16), middenbouw (12) en bovenbouw (8).
MOTIEVEN
De 23 reguliere scholen met ervaring met plaatsing
willen een afspiegeling zijn van de samenleving. Ze
zien voordelen in thuisnabij onderwijs, met name
voor vriendjes in de buurt. Ook beschouwen zij een
reguliere school als een stimulerende en taalrijke
omgeving. Ze vinden plaatsing bovendien goed voor
andere kinderen (leren omgaan met diversiteit), voor
de groep (groepscohesie, zorgzaamheid en minder
uitsluiten) en voor de leerkracht (beter worden in
didactiek).
We hebben twee kinderen met een progressieve
spierziekte. Dat is niet alleen goed voor die kinderen,
maar de school wordt hierdoor ook een afspiegeling
van de maatschappij. Kinderen leren zo van jongs af
aan om te gaan met diversiteit. Hetzelfde voordeel
geldt ook voor het plaatsen van kinderen met Downsyndroom. Ieder kind heeft eigen talenten. Het meisje
met Downsyndroom kan goed lezen. Ze is daar trots op.
En, ze hoeft niet met het busje naar een andere school.
Ze krijgt vriendinnetjes in de buurt. (directeur)
VOORWAARDEN
Scholen vinden het belangrijk dat ouders zich niet
opstellen als eisende consumenten, maar als mensen die
in samenwerking met de school aan de slag willen gaan.
Deze ouders denken constructief mee, in het belang van
het kind en in het belang van de groep. Daardoor is er
geen tegenstelling die niet nodig is. Ik vind het wel een
voorwaarde dat ouders constructief meedenken.
(directeur)
Meerdere geïnterviewden merken op dat je je niet
moet concentreren op de beperkingen van het kind,
maar de vraag moet stellen: ‘Wat kunnen wij als
school doen?’
Toch stellen de geïnterviewden vaak wel voorwaarden aan het kind. Globaal: het mag niet te onzelfstandig zijn, moet leerbaar zijn, niet al te grote gedragsproblemen vertonen, en kunnen communiceren.
Scholen kunnen die voorwaarden in de praktijk wel
verschillend uitleggen.
Scholen vinden extra handen in de klas belangrijk. Die
behoefte lijkt zeker groot in de beginfase als het kind
nog weinig zelfstandig is – en de leerkracht nog onzeker.
Wij hebben het samenwerkingsverband om twee
dagdelen één-op-één begeleiding gevraagd. Dan
hebben we tot aan de zomervakantie de tijd om uit te
zoeken of ze te hanteren is in de groep. De eerdere
leerlingen met Downsyndroom zijn ook gestart met
één-op-één begeleiding zodat ze de routines kunnen
leren en wij de tijd hebben om uit te zoeken hoe we om
kunnen gaan met situaties met minder hulp. Neemt ze
bijvoorbeeld wat van een ander kind aan als je haar
koppelt aan een maatje? (intern begeleider)
Voldoende individuele begeleiding is belangrijk, maar
te veel begeleiding kan het kind (en de groepsleerkracht) ook onnodig afhankelijk hiervan maken.
AANMELDING EN TOELATING
Ouders melden het kind vaak een half jaar of jaar van
te voren aan. Het eerste gesprek is meestal met de
directeur en/of een intern begeleider. Deze scholen
gaan ervan uit dat ouders die hun kind aanmelden
goed hebben nagedacht hierover. Ze nemen informatie van de ouders zeer serieus.
ZORG PRIMAIR
| 01.2016
▼
V
5
▼
Ouders gaan met mij in overleg. Ik ga ervanuit dat ouders
open vertellen hoe het gaat met hun kind. Ik leg ouders
uit dat dat nodig is. Het kind is kwetsbaar. Je hebt jezelf
ermee als je het te mooi voorstelt. (directeur)
Bij de eerste gesprekken vinden de scholen het
belangrijk om wederzijdse verwachtingen in kaart te
brengen. Vaak wordt vervolgens contact opgenomen
met peuterspeelzaal of kinderdagverblijf. Meestal
wordt er daar ook geobserveerd hoe het kind in een
groep functioneert.
Soms wordt de beslissing tot toelating genomen door
het team, soms door een kleinere groep. In alle
gevallen is het belangrijk om het team mee te nemen
in het proces. Zij moeten het immers gaan uitvoeren en
zich betrokken voelen.
Wij vinden deze plaatsing als managementteam
belangrijk en niet iets om over te gaan stemmen met het
hele team. We wilden wel alle leerkrachten meenemen
in het proces, in de zin dat ze wisten dat het mogelijk
was dat er een kind met Downsyndroom in hun klas zou
komen. (intern begeleider/ persoonlijk begeleider)
Tijdens het toelatingsproces onderzoeken scholen de
haalbaarheid. Volgens verschillende geïnterviewden is
dat geen afvinklijstje, maar een inschatting van de hele
situatie.
Wat is er nodig? Een constructieve samenwerking met
de ouders. De groep waarin het kind wordt geplaatst
moet het kunnen. Als er veel zorgkinderen in een groep
zitten, dan kan het moeilijk worden. Bij het te plaatsen
kind moet een stukje zelfstandigheid en leerbaarheid
zijn. Het gaat altijd om het totale plaatje. Het is geen
lijstje dat je kunt afvinken. Het gaat om het wegen van
de gehele situatie, in zoverre je dat al kunt inschatten.
Het vraagt vertrouwen en afstemmen met de ouders.
(directeur)
Als het kind toegelaten is, wordt er vaak gestart met
enkele dagdelen met veel extra begeleiding. Scholen
bouwen het aantal dagdelen geleidelijk op. Sommige
doen dit zeer geleidelijk, sommige durven eerder
dagdelen zonder begeleiding aan.
OVERLEGGEN EN EVALUEREN
Vaak is er twee of drie keer per jaar groot overleg met
school, ouders en externen (ambulant begeleider,
logopedist, etc.). Hierbij wordt de voorafgaande
periode geëvalueerd en worden doelen (bij)gesteld.
Tussendoor zijn er kleinere overleggen tussen alleen
school en ouders. Verder is er door het jaar heen
alledaagse uitwisseling tussen ouders en school
6
(heen-en-weerschrift, of via email, internetgroep, of
door even informeel bij te praten). Vaak per jaar, soms
per half jaar, wordt gekeken of het kind nog op zijn
plaats is. Criteria: welbevinden en ontwikkeling van
het kind; wordt het onderwijsleerproces in de klas niet
verstoord?; hoe is het voor de school als geheel? Ook
hierbij kunnen scholen deze globale criteria verschillend invullen.
ERVARINGEN
In de meeste gevallen wordt het kind goed opgenomen
in de groep. Vaak vinden de leerkrachten dat het kind
zichtbaar geniet. Ook vinden ze het een meerwaarde
hebben voor de groep. De groep wordt warmer en
zorgzamer. Te veel helpen van het kind met Downsyndroom moet je echter wel afremmen.
De samenhang in de groep wordt erdoor bevorderd. Je
leert veel van elkaar. Dat vond ik zeker in de bovenbouw.
Het was een ander soort groep geworden. De kinderen
waren wat aardiger voor elkaar, wat bewuster van de
ander, wat minder alleen op jezelf gericht. Jarenlang een
leerling met Downsyndroom in de klas hebben gehad,
heeft een positief effect op de groepscohesie. (intern
begeleider/ persoonlijk begeleider)
Het kan heel bevredigend zijn voor een leerkracht,
vooral bij kinderen die relatief veel vooruitgang laten
zien en sociaal zijn. Soms vinden leerkrachten het juist
frustrerend, vaker als zij weinig ontwikkeling zien en
zich daardoor afvragen wat het kind eraan heeft. Soms
wordt door doorzetten een verandering bewerkstelligd bij kinderen die in eerste instantie een heel grote
uitdaging waren.
Toen hij binnenkwam, schreeuwde hij, kon hij nauwelijks
communiceren en stopte dingen in zijn mond. We
vroegen ons af wat we met hem konden. Nu zit hij in
groep vier. Hij kan lezen. Hij is bezig met rekenen tot en
met twintig. Hij speelt buiten. Hij hoort erbij. (directeur)
Sommige leerkrachten maakten zelf een omslag mee,
van onzeker of kritisch, naar enthousiast. Ze leerden
om kleine stapjes in de ontwikkeling te zien en te
waarderen en leerden om hun schuldgevoel te relativeren over het niet continue het kind kunnen begeleiden.
Ik was zelf iemand die tegen was indertijd. Ik ben nu blij
dat we haar toen wel hebben toegelaten. Ik had een
combinatiegroep drie-vier. Eind groep twee is er een
gesprek geweest met mij, de ouders en de intern
begeleider. Ik heb uitgelegd dat ik het niet zo zag zitten.
Ik ben het toch aangegaan. Ik wilde het wel proberen
omdat anderen goed ervaringen zagen, maar zelf zag ik
nog niet zo de meerwaarde. In het begin was ik heel
onzeker. ‘Ik kan het niet’. Als de leerling met Downsyndroom vijftien minuten niets zat te doen, dan voelde ik
me er schuldig over dat ik haar op dat moment geen
aandacht kon geven. De ambulant begeleider zei: ‘Hé,
wat fijn dat ze even niks hoeft te doen.’ Zij relativeerde
mijn schuldgevoel op die manier. Het duurde een paar
maanden voor ik er grip op had en zelfvertrouwen had.
Het allermooiste was toen ze zaken van groep drie ging
oppakken. Ze ging lezen. Dat gaf zo veel energie. Dat
was feest. (groepsleerkracht)
Verder hebben leerkrachten vragen over specifieke
thema’s, bijvoorbeeld weglopen, zindelijkheid,
impulsief gedrag, omgaan met traagheid in het
uitvoeren van alledaagse vaardigheden en het
ondersteunen van sociale contacten. Ambulante
begeleiding, overleg met ouders en kijken bij andere
scholen kan helpen bij het zoeken naar oplossingen.
De hoeveelheid extra persoonlijke ondersteuning die
aan de kinderen wordt geboden wisselt sterk.
Natuurlijk heeft ook niet ieder kind met Downsyndroom evenveel ondersteuning nodig.
DOORVERWIJZEN
WENSEN EN KNELPUNTEN
Sommige scholen willen dat zij bij het proces van
▼
Acht kinderen in het onderzoek zijn tijdens de
basisschooljaren doorverwezen naar speciaal
onderwijs. Redenen: weinig leerbaarheid; het kind
praat niet; het kind moet een volledig eigen programma volgen; minder sociale aansluiting; te veel een op
een begeleiding nodig.
Het eerste jongetje had naast Downsyndroom ook een
soort ADHD. Hij was moeilijk te sturen, liep weg,
beheerste de hele groep. Hij zat ook heel veel buiten de
groep. Dat wilden we niet, want hij zat bij ons om te
integreren. Ouders vroegen veel van ons, hadden hoge
verwachtingen, waren ook teleurgesteld daarover. De
interactie tussen school en ouders verliep moeizaam.
(adjunct-directeur/zorgcoördinator)
Enkele scholen geven aan dat je ouders bij dit
doorverwijzingsproces moet meenemen zodat ze aan
dit idee kunnen wennen.
Hoe gaat een doorverwijzing naar speciaal onderwijs?
Je moet als school vroeg beginnen signalen daarover te
geven. Het moet bij ouders lang in de week liggen. Je
moet de ouders de gelegenheid geven om mee te groeien
in de besluitvorming. (intern begeleider)
toelating een ambulant begeleider kunnen raadplegen.
Maar, in veel regio’s kan dit pas na toelating. Een
andere optie om jezelf te informeren is het kijken bij
andere scholen.
Scholen die worstelen met de vraag of ze een leerling
met Downsyndroom zullen plaatsen, moeten bij elkaar
in de keuken kijken. Dat levert veel op. Inspiratie. Ook
een spiegel: kan ik dit? Onderling overleg met andere
scholen helpt. Het werkt inspirerend. (directeur)
Aan de ene kant geven scholen aan dat zij ambulante
begeleiding als ondersteunend zien, zeker bij een
eerste plaatsing. Aan de andere kant vinden scholen
soms dat ambulante begeleiding weinig toegevoegde
waarde (meer) heeft. Scholen zouden dan liever meer
geld voor directe hulp op school willen krijgen.
Ik hoop dat we van het samenwerkingsverband gelden
voor ambulante begeleiding deels op school mogen gaan
inzetten. Je hoeft voor vier kinderen met Downsyndroom
niet vier keer ambulante begeleiding te krijgen. Je wilt
naar behoeften kunnen handelen. (directeur)
De financiering van extra handen op school wordt vaak
als een pijnpunt genoemd. Je moet hiervoor veel
moeite doen. Ook is er in sommige regio’s – mede
omdat Passend Onderwijs nog zo pril is - onduidelijkheid over de geldstromen.
Het samenwerkingsverband heeft nog geen duidelijke
visie. Aan onze school zal het niet liggen, maar we zijn
afhankelijk van het samenwerkingsverband. De situatie
is heel onduidelijk voor ouders. Sneu. Je bent aan de
bedelstaf. Je moet zo veel moeite doen om de financiering voor elkaar te boksen. (intern begeleider)
Daarbij is er onduidelijkheid in hoeverre de gemeente
de verantwoordelijkheid neemt voor de financiering
van zorg op school die in eerdere jaren nog uit de
AWBZ werd betaald.
Over de begeleiding is er onzekerheid. Nog niemand
weet hoe dit precies gaat werken met Passend Onderwijs en met de overgang van hulp uit de AWBZ naar de
gemeenten. (intern begeleider/ persoonlijk begeleider)
Een laatste knelpunt is integratie in het voortgezet
onderwijs. Diverse geïnterviewden merken op dat er
hiervoor te weinig mogelijkheden zijn.
GERT DE GRAAF PhD is onderwijsmedewerker van
de Stichting Downsyndroom. Uitgebreide informatie over dit onderzoek: www.downsyndroom.nl/
reguliereschool
ZORG PRIMAIR
| 01.2016
7
Kinderen met Downsyndroom op de Kraatsschool in Bennekom
Je mag zijn wie je bent en
groeien in je talent!
Wilma Petersen
Grote klassen, een hoog tempo, een vol programma... Er zijn genoeg leeuwen en beren op
de weg als het gaat om kinderen met een beperking in het regulier basisonderwijs. Maar het
kan ook goed gaan! Op de Kraatsschool hebben de leerkrachten een flinke dosis ervaring
opgebouwd wat betreft onderwijs aan kinderen met Downsyndroom.
D
e kracht van de school is onder andere dat de
leerkrachten in teamverband bezig zijn met
zorgleerlingen. Directeur Wilma Petersen licht toe:
“Ons schoolteam gaat in z’n geheel om de tafel om te
kijken of we in de onderwijsbehoeften van het
betreffende kind kunnen voorzien. Deze beslissing
maken we met het héle team. Samen omdat je het
kind het liefst gedurende de gehele basisschoolperi-
Anouk Roseboom bij de RT. Links op de foto het ladenkastje met ‘schrijven’, ‘lezen’ en ‘rekenen’ waarmee zij werkte.
(foto: Annelies Houweling)
8
ode optimaal wilt laten ontwikkelen. Dus elke
leerkracht kan het kind in de klas krijgen. Dan is het
goed dat iedereen al vanaf het begin betrokken is.
Ook overleggen we regelmatig met de betrokkenen
binnen school en met de ouders. Korte lijnen en
goede communicatie zijn ongelooflijk belangrijk.”
VERTROUWEN
Binnen school zijn de leerkracht en de RT’er (remedial teacher) van groot belang. Zij investeren veel tijd
in het opbouwen van een vertrouwensband, en
werken van daaruit een-op-een en in klassenverband.
De Kraatsschool hecht er veel waarde aan dat ook
kinderen met Down deel zijn van het groepsproces.
Dus ze doen, voor zover mogelijk, overal aan mee en
worden actief betrokken bij de lessen. Directeur
Wilma: “We beschouwen het kind als een van de
leerlingen. Het is niet: die ene leerling met Downsyndroom én de klas. Wel krijgt de leerling drie keer per
week buiten de klas extra ondersteuning in de RT.
Hier wordt gewerkt aan de vooropgestelde doelen die
aansluiten bij het betreffende kind. We passen
rekenen, taal en schrijven aan, zodat het aansluit bij
het kind.”
LADENKASTJE
De RT’er neemt nog een belangrijke taak voor haar
rekening: leren zelfstandig te werken. Dit is nodig
omdat kinderen met Down (op den duur) met hun
eigen leerlijn aan de slag gaan in de klas. De school
gebruikt hiervoor het laatjessysteem. Dit ladenkastje
staat bij de RT en in de klas. Voorbereid werk wordt
in de laatjes gelegd, in de klas kan het kind zelfstandig hieruit werken. In principe heeft het dan geen
uitleg meer nodig, zodat de leerkracht zich op de
andere kinderen in de klas kan richten. Over het
algemeen wordt het laatjessysteem halverwege groep
2 geïntroduceerd. Het kind kan er dan een aantal
maanden aan wennen, voordat hij of zij in groep 3
ermee gaat werken.
MAATJES
Niet alleen professionals, ook klasgenootjes worden
actief betrokken bij de ondersteuning van een kind
met Down. Dat gebeurt via het zogenaamde
‘maatjessysteem’. Dit houdt in dat een kind uit de
klas een oogje in het zeil houdt, tijdens een les of bij
het naar buiten gaan. Het maatje-zijn begint meestal
aan het begin van groep 3. Het maakt de kinderen
ervan bewust dat het goed is om zorg te dragen voor
elkaar.
Wilma: “De slogan van onze school is: Je mag zijn
wie je bent en groeien in je talent! Wij hebben dit
hoog in het vaandel staan. Wij geloven echt dat het
een verrijking is voor alle betrokkenen als een kind
met Down de kans krijgt om binnen het regulier
basisonderwijs te genieten, te leren en te ontwikkelen. Daarom zetten we ons daar met man en macht
voor in!”
WILMA PETERSEN is directeur van de School met
de Bijbel ‘De Kraats’ in Bennekom
Themanummer
De Schoolverlater.
Nummer 3 is een themanummer
over de Schoolverlater. Het advies
van de leerkracht weegt zwaarder
dan de Cito.
Wie kan hierover en over nog meer
zaken rondom De Schoolverlater
een bijdrage leveren?
Mail naar [email protected]
ZORG PRIMAIR
| 01.2016
9
COLUMN BAS WIJS
Een speciaal geval
H
et is nu pauze en Robin staat aan mijn
bureau om afscheid te nemen. Robin zit nu
in groep 4 en heeft ruim een jaar onze school
bezocht. Robin heeft de overstap gemaakt van
het speciaal onderwijs naar de basisschool. Nu
gaat hij de weg terug.
Robin heeft het syndroom van Down en de
ouders van hem hadden het idee dat hij op de
basisschool meer zou leren. In het begin lijkt
dat voor de ouders zeker zo, vooral op sociaal
gebied. Voor ons is het moeilijk in te schatten
omdat wij niet weten wat er op de andere
school gebeurd zou zijn. Naast het syndroom
van Down heeft Robin ook een oogafwijking,
waarbij zijn zicht steeds minder wordt. In het
begin merken wij er weinig van, maar in de
klas is hij in de loop van het jaar bijvoorbeeld
bij het televisie kijken steeds verder naar
voren geschoven.
Robin is vaak op onze teamvergadering
langsgekomen. Niet persoonlijk, maar als
agendapunt. In het begin met name formatief,
maar later onderwijsinhoudelijk. Ik ken Robin
als een jongen die altijd lacht en altijd zijn best
doet. De leerkracht en de onderwijsassistent
hebben Robin ook anders meegemaakt. Robin
is leergierig en als het niet lukt wat hij wil,
frustreert het hem. Af en toe reageert hij dan
af op zijn omgeving. Dat kan het meubilair zijn,
maar ook een klasgenoot die toevallig in de
buurt is. Wanneer de onderwijsassistent niet
op school is en het gaat mis met Robin in de
klas, dan mag hij bij mij in de klas komen
werken. Robin vindt dat geweldig en zijn
slechte bui is dan meteen over. Mijn leerlingen
vinden het altijd leuk als er een jongere
leerling in de klas komt, maar bij Robin
smelten ze nog meer.
Robin is erg behulpzaam en doet allerlei
klusjes. Bij de maandvieringen is hij altijd in de
buurt van het podium te vinden om te helpen
10
met het verwisselen van decorstukken, of het
aangeven van de microfoon. En als er een klas
optreedt, zit hij met een stoeltje vlak voor het
podium met open mond te kijken. Zijn applaus
is altijd lang en luid.
Omdat de dubbele handicap van Robin het voor
ons te moeilijk maakt om hem verder te
helpen in zijn ontwikkeling, zijn we in samenspraak met de ambulant begeleider en met de
ouders verder gaan kijken wat het beste is
voor Robin. En na een half dagje proefdraaien
is men overstag gegaan. Robin blij, ouders blij
en wij minder handelingsverlegen.
Nu staat Robin aan mijn bureau met een pak
stroopwafels, waar hij er een uit probeert te
vissen. Tussendoor likt hij zijn vingers af, om
de stroop die daar aan blijft kleven weg te
krijgen. Hij stuurt zijn klasgenoot aan om mij
wat op de kaart te laten schrijven. Als ik vraag
wat ik moet schrijven, weet hij het precies.
‘Veel plezier op je nieuwe werkplaats’. En als
ik dan vraag of hij af en toe nog een keertje
langskomt in mijn klas, ligt hij dubbel van het
lachen. ‘Dat kan toch niet. Ik zit dan toch op
mijn nieuwe werkplaats!’
Als ik de stroopwafel uiteindelijk zelf uit het
zakje heb gehaald en Robin nogmaals veel
plezier wens op zijn nieuwe werkplaats, krijg ik
een heel dikke knuffel. Ik zal hem missen op
school.
Bas Wijs
ARTIKEL
Je prettig voelen in je eigen lichaam
De bewegingspedagogiek
van Veronica Sherborne
Marieke van der Aa
De bewegingspedagogiek van Veronica Sherborne, Developmental Movement for Children, is een
methodiek die zich richt op alle kinderen, maar in het bijzonder op kinderen met een verstandelijke beperking. Sherborne stelt dat kinderen zich pas veilig kunnen voelen als zij zich
prettig voelen in hun eigen lichaam. Met haar methodiek probeert zij dan ook te bereiken dat
kinderen hun eigen lichaam en dat van anderen leren kennen.
C
oncreet kan de methodiek van Sherborne gebruikt
worden bij kinderen met problemen op tactiel en
emotioneel gebied, maar ook bij kinderen die problemen
hebben op het gebied van aandacht en concentratie,
beweging, gedrag, creativiteit, communicatie, spanning
(het niet kunnen ontspannen), zelfbeeld, lichaamsbesef
en imitatie van houding en beweging.
moeilijkheden liggen dan vaker bij de fijne motoriek en
bij de concentratie. Sociaal gezien is een kind met het
syndroom van Down vaak responsief en wil het relaties
aangaan met andere kinderen. Over het algemeen zijn
het opgewekte kinderen bij wie de vrije bewegingen, de
lenigheid en de tactvolle omgang met andere kinderen
goed ontwikkeld zijn (Sherborne, 2001).
Kinderen met het syndroom van Down zijn onderling
erg verschillend. Als ze jong zijn, laten ze veel vrije
bewegingen en flexibiliteit in de bewegingen zien. Deze
eigenschappen zijn bij hen vaak zelfs beter ontwikkeld
dan bij gezonde kinderen. Sommige kinderen met
Downsyndroom ontwikkelen een goede mate van
lichaamsbewustheid en kunnen met een goede
begeleiding samen met gezonde kinderen aan bewegingslessen deelnemen. Sommige van hen kunnen
koppig en dominant gedrag vertonen, andere kunnen
deze kracht op een positieve manier omzetten. Hun
Het hoofddoel van de methodiek van Sherborne is
motorische stimulering en sociaal-emotionele groei. Vertrouwen en zelfvertrouwen zijn hierbij centrale
begrippen. Dit doel is te verdelen in drie subdoelen: 1.
bewustwording van het eigen lichaam en dat van
anderen, 2. bewustwording van de ruimte en 3. het
aangaan van relaties tussen volwassene en kind.
Na jarenlange ervaring in lesgeven en observeren, is
Sherborne tot de conclusie gekomen dat alle kinderen
twee basisbehoeften hebben:
1. Kinderen moeten zich thuis voelen in hun eigen
lichaam, zodat zij er controle over kunnen krijgen;
2. Kinderen hebben behoefte aan contact met andere
mensen. Van belang hierbij is het rekening houden
met anderen.
Deze twee basisbehoeften zijn de belangrijkste
uitgangspunten van haar methodiek.
In het begin is het vaak moeilijk voor kinderen met een
ernstige verstandelijke beperking om zich te concentreren op hun lichaam, omdat ze meer bekend zijn met
activiteiten rondom objecten. Hun aandachtsspanne kan
dus kort zijn en hun interesse is moeilijk te behouden.
Veronica Sherborne is geboren in 1922. Zij
studeerde fysiotherapie en lichamelijke
opvoeding en heeft jarenlang gewerkt in het
basisonderwijs. Later werkte ze vooral met
kinderen met een verstandelijke beperking,
voor wie ze een bewegingsopvoeding ontwikkelde: Developmental Movement. In 1990
werd haar boek Developmental Movement
for Children gepubliceerd.
TWEE BASISBEHOEFTEN ALS UITGANGSPUNT
▼
LICHAAMSBEWUSTHEID EN DOWN­SYNDROOM
ZORG PRIMAIR
| 01.2016
11
▼
Als de leidster enthousiast is en regelmatig de oefeningen herhaalt, zal bij de kinderen uiteindelijk het
lichaamsbesef groeien en zal hun aandachtsspanne
toenemen.
OMGAAN MET VERSCHILLEN
De mogelijkheden van ieder kind liggen ver uiteen. Elk
kind heeft zijn eigen behoeften. De één heeft bijvoorbeeld weinig kracht in de spieren, de ander maakt veel
ongecontroleerde bewegingen. Ook is er veel verschil in
het taalbegrip en kunnen sommige kinderen minder
goed horen of zien. Het ene kind maakt wel oogcontact,
het andere kind niet. Sherborne heeft de volgende
bedoelingen voor kinderen met zeer ernstige en
meervoudige beperkingen:
- kinderen helpen om relaties aan te gaan, voor zover dit
tot hun mogelijkheden behoort;
- kinderen hun eigen lichaam laten voelen, wat het
lichaamsbesef en de controle over het lichaam
bevordert;
- de ontwikkeling stimuleren;
- de kinderen een gevoel van onafhankelijkheid geven,
voor zover dit mogelijk is;
- de kwaliteit van het leven verbeteren.
OEFENINGEN
Sherborne heeft vele oefeningen beschreven in haar
pedagogiek. Deze oefeningen kunnen onderverdeeld
worden in oefeningen om relaties te ontwikkelen en
oefeningen om het lichaamsbesef te ontwikkelen.
Zij gaat uit van drie verschillende soorten relaties, waar
verschillende oefeningen bij horen.
Verzorgende, ‘samen-relaties’
Hierbij worden de oefeningen met behulp van de
leidster of een andere volwassene uitgevoerd. Voorbeelden hiervan zijn: samen heen-en-weer wiegen, schommelen, achteruit duikelen, rollen, vliegtuigje en springen.
Het gaat er vooral om dat het kind (een gedeelte van)
zijn gewicht aan de volwassene toevertrouwt. Het kind
voelt zijn lichaam tegen dat van een ander. Zo ervaart
het dat het zelf een lichaam heeft, evenals de ander.
Gedeelde relaties
Hierbij staat de samenwerking tussen beide partners
centraal. Voorbeelden hiervan zijn bootje roeien en
balanceren met een partner.
‘Tegen’-relaties
Bij deze oefening meet het kind de eigen kracht tegen
die van de volwassene. Het kan enkele maanden duren
voordat een jong kind of een kind met een ernstige
12
verstandelijke beperking hieraan toe is. Zij hebben
moeite om zich te concentreren en om zo te leren uit
ervaring. Bij deze oefeningen kunnen zij leren om zich
uitsluitend op hun kracht te richten. Voorbeelden zijn:
druk geven op het kind, rug tegen rug en gevangenis.
Oefeningen om het lichaamsbesef te ontwikkelen worden
veelal gericht op de delen van het lichaam waar kinderen
zich vaak niet van bewust zijn, maar die toch een
belangrijke rol spelen in elke beweging. Voor alle
kinderen is bewustzijn van de knieën erg belangrijk.
Knieën controleren bewegingen als staan, lopen, rennen,
springen, landen, van richting veranderen, zitten en
opstaan. Ook heeft Sherborne verschillende oefeningen
beschreven om bewustwording te stimuleren van de
heupen, de romp en het middel. Kunnen kinderen
bijvoorbeeld ‘helpen’ tijdens het verschonen door hun
heupen op te tillen?
PLEZIER AAN BEWEGEN
In het begin zal het kind de ervaringen passief ondergaan. Als de oefeningen regelmatig worden herhaald, zal
het kind laten merken welke oefeningen het wel en niet
prettig vindt en kan het om herhaling vragen. Wanneer
het kind initiatief begint te tonen, moet de leidster op
deze signalen reageren en gebruik maken van deze
activiteiten, zodat het repertoire van bewegingen wordt
uitgebreid.
Voor alle oefeningen geldt dat het belangrijk is dat het
kind er plezier aan beleeft, zodat leren als prettig wordt
ervaren. Op deze manier wordt het een fijne ervaring
voor zowel het kind als de volwassene.
MARIEKE VAN DER AA is in 2008 afgestudeerd aan de
Hogeschool Pedagogiek in Tilburg. Tijdens het laatste
jaar van haar studie heeft zij zich verdiept in de
bewegingspedagogiek van Sherborne. Na haar afstuderen heeft zij anderhalf jaar in de gehandicaptenzorg
gewerkt en sinds 2010 werkt zij als pedagogisch
medewerker in de kinderopvang.
Bronnen/Verder lezen:
Sherborne, V. (2001). Developmental Movement
for Children. London: Worth Publishing.
Websites:
http://www.sherbornesamenspel.nl/
https://sherbornenl.wordpress.com/veronicasherborne/http://www.sherbornemovementuk.org/
Alles-in-1
Dé methode voor samenhangend onderwijs
Thematisch leren, dat boeit!
In een betekenisvolle context komen vrijwel alle basisschoolvakken aan
de orde binnen vijf thematische projecten per schooljaar.
Ontdek hoe logisch, motiverend en flexibel een geïntegreerde
lesmethode kan zijn!
Meer weten?
 www.alles-in-1.org

[email protected]
 0224 - 214 745
5 plussen van Alles-in-1
 Samenhangend, betekenisvol onderwijs
 Ideaal voor combinatiegroepen in de bovenbouw
 Veel aandacht voor zelfstandigheid en samenwerken
 Leren op eigen niveau binnen het klassenprogramma
 Ook contextgebonden taalonderwijs mogelijk
ZORG PRIMAIR
| 01.2016
13
COLUMN
Veel doen en zelf ervaren
“H
et gaat vooral om het verschil tussen
mensen die beroemd zijn en mensen
die belangrijk zijn voor de wereld,” legt de juf
uit. “We hangen in de klas in ieder geval een
portrettengalerij op.”
Het is woensdag, net na
school. Daniël en
Simeon, mijn twee
zonen, spelen op het
schoolplein. Ik zit
binnen en overleg met
de juf en de begeleidster
hoe we voor Daniël de
leerdoelen van het
nieuwe IPC-project dat
tot de herfstvakantie zal
lopen, zullen aanpassen.
IPC staat voor International Primary Curriculum en is een oorspronkelijk Engelstalig
curriculum voor
basisschoolleerlingen gericht op de creatieve
en de zaakvakken. Van vakantie tot vakantie
werken de kinderen aan één project, waarbij
verschillende vakken aan bod komen. In Daniël
z’n klas staan tot de herfst de ‘mensen die het
verschil maken in de wereld’ centraal. Omdat Daniël (11 jaar) het syndroom van Down
heeft en anders leert dan zijn klasgenoten,
passen we de leerdoelen voor hem aan. Op
school wijzigt z’n begeleidster waar nodig de
lessen. Thuis vullen we dit aan, door activiteiten te herhalen en waar we kunnen uit te
breiden. Daniël zit in groep zeven van obs Montessorischool+ Breda. Voor vakken als rekenen en
taal volgt hij zijn eigen leerlijn. Maar met het
projectwerk van IPC doet hij met de klas mee.
Soms is het lastig en mist hij de aansluiting bij
een groepsopdracht omdat het te snel gaat
14
voor hem.
Soms laat hij de juf en de klas versteld staan.
Bij een workshop ‘Schilderen als Kandinsky’
-als onderdeel van het project ‘Zo zien zij de
wereld’- maakt hij een prachtig abstract
schilderij. Bij een topografieles -als onderdeel
van het project ‘Nederland Waterland’- weet
hij de namen van de verschillende zeeën,
rivieren en meren beter dan sommige klas­
genoten. Juist omdat IPC bestaat uit veel doen en zelf
ervaren, leert Daniël meer dan we soms
denken. Z’n visueel ingestelde geheugen en
z’n sociale kracht en behoefte aan meedoen,
helpen hem vooruit. We hebben allang geleerd
om hem niet te onderschatten. Na de herfstvakantie staat het thema ‘Weer en
Klimaat’ op de agenda. Omdat dans en muziek
deze periode de kunstzinnige vakken zijn,
verzint de klas als afsluiting een dans met als
thema herfst. Daniël is onderdeel van de groep
die de wind uitbeeldt. Wapperend met sjalen
verspreiden ze dansend op ‘Hello’ van Adèle,
de blaadjesgroep over het hele podium. Ik zit in het publiek, kijk en geniet. Juist omdat
hij helemaal niet opvalt en net zo’n onderdeel
is van de groep als de andere leerlingen. SILVIE WARMERDAM (48) is schrijfster en moeder
van drie zonen, Daniël is de middelste. Naast haar
dagelijkse blogs over het leven met Daniël op de
site van Lotje&co (lotjeenco.nl), zet ze zich in voor
een inclusieve samenleving en dus voor inclusief
onderwijs.Lotje&co is een stichting voor ouders
van zorgintensieve kinderen. Lotje zorgt met een
digitaal platform en een mooi vormgegeven
kwartaalblad voor herkenning tussen ouder
onderling en erkenning van hun gevoelens, ideeën,
zorgtaak en plezier in het leven.
ARTIKEL
De VIM vanuit historisch
perspectief
Hilde de Haan
Halverwege de jaren 80 van de vorige eeuw besloot een vijftal actieve ouderparen hun kinderen met downsyndroom te laten integreren op de basisschool. De invoering van de wet op het
basisonderwijs bood hierbij een unieke kans.1
Meer scholen volgden het integratievoorbeeld en al
snel steeg de vraag naar mogelijkheden om kennis en
ervaring over te dragen en uit te wisselen. In 1986
zocht de VIM contact met het Seminarium voor
Orthopedagogiek en deze faciliteerde in de organisatie van studiedagen. Hieraan werd deelgenomen door
ouders, leerkrachten en andere deskundigen. Het
doel van deze dagen was om de integratie van
leerlingen met downsyndroom te bevorderen.
Daarnaast werden er vier ‘steunpunt’-scholen
aangewezen die de integratie van leerlingen met
downsyndroom uit gingen dragen. Een uiterst
succesvol project dat gesubsidieerd werd vanuit de
overheid. Het aantal leerlingen met downsyndroom
op de reguliere basisschool groeide explosief van 6 in
1986, naar 456 in 1996.2
In 2011 is de samenwerking met het Seminarium
voor Orthopedagogiek beëindigd, mede door de
verhuizing van de Hogeschool Utrecht waardoor het
seminarium een bedrijfsmatiger karakter kreeg.
Daardoor werden de kosten te hoog voor de VIM.
De afgelopen jaren heeft de VIM de organisatie
rondom ledenadministratie, website en studiedagen
geheel in eigen beheer. Met een klein bestuur dat
ondersteund wordt door twee freelance medewerkers krijgt ze het voor elkaar om elk jaar een breed
scala aan studiedagen te organiseren. Met behulp van
fondsenwerving zijn diverse studiegidsen geschreven.
Er zijn plannen om de ‘Ups & Downs’ de praktische
studiegids voor het Voortgezet Onderwijs uit 2011, te
herschrijven.3 Want, hoewel mondjesmaat, integreren
daar ook een aantal leerlingen met downsyndroom.
Ouders willen voor hun kind met downsyndroom niet
zomaar een plek op de basisschool. Als geen ander
zijn zij ervan doordrongen hoe belangrijk het is dat
hun kind mee kan doen, uitgedaagd wordt in een
‘gewone omgeving’ waar het zich kan ontwikkelen en
ZORG PRIMAIR
| 01.2016
15
▼
In een gesprek met de toenmalige staatssecretaris
van onderwijs werd de financiering besproken.
Leerlingen met downsyndroom die een reguliere
basisschool bezochten kregen in hun ‘rugzak’ de
meerprijs mee die een plaats op het speciaal
onderwijs zou kosten. In die tijd was dat 1 fte in de
onderbouw en 2 fte gedurende 5 jaar in groep 3 tot
en met groep 8 ( in te zetten naar keuze). Daarnaast
ontving de betrokken school 400 gulden (= 180 euro)
per jaar voor extra materialen in de onderbouw en
800 gulden in de bovenbouw. Er was geen indicatiestelling en er hoefde geen ontwikkelingsperspectief
opgesteld worden; men deed het gewoon. Elk jaar
stuurde de school een verslag bestaande uit
1 A-viertje naar de inspectie die de kwaliteit moest
bewaken en naar het ministerie om de groei te
monitoren.2 De ouders verenigden zich en zo was de
VIM geboren!
zich kan ‘optrekken’ aan leeftijdgenootjes zonder
beperking. Zij worden hierin gesteund door diverse
onderzoeken uit verschillende landen.4 Dit wordt
bevestigd door een Nederlands promotieonderzoek.5 Daarom is het van essentieel belang dat de
samenwerkingsverbanden het belang gaan onderschrijven om leerlingen met downsyndroom daar
waar mogelijk optimaal te begeleiden binnen een
reguliere setting.
Want als je echt een participatiesamenleving wilt dan
mag niemand aan de zijlijn staan. Dat geldt voor
arbeid en zorg, maar zeker voor onderwijs.
Meer over de VIM: www.vim-online.nl
Bronnen:
1
Talstra, E. (1989). De Vereniging voor een geïntegreerde opvoeding van mongoloïde
kinderen. Rispens, P.J. de Wit, J. Muller, H. van der Wielen, T. de Wit-Gosker, E.
Talstra(red.)Ja kun je krijgen: over de integratie van mongoloïde kinderen. (pp7-19).Den
Haag: Meinema.
2
Wit-Gosker, T. & Haan H. de (2010). De VIM is nog niet klaar met poetsen. Tijdschrift
Orthopedagogiek, 6, 246- 253.
3
VIM (2011) Ups & downs, een praktische informatiegids voor het voortgezet onderwijs.
Houten
4
Hughes J.(2006). Inclusive education for individuals with Down syndrome. Down
Syndrome News and Update 6, 1-3.
5
Graaf, G. de (2014). Students with Down syndrome in primary education in the
Netherlands. Proefschrift’.
HBO-cursus
‘Anderstalige nieuwkomers in de school’
Fontys OSO verzorgt in maart en
april 2016 op twee lesplaatsen
een cursus die leerkrachten in
het primair onderwijs voorbereidt
op de komst van anderstalige
nieuwkomers. Een kwestie waar
waarschijnlijk veel scholen mee
te maken krijgen of nu al mee te
maken hebben. In vier bijeenkomsten wordt systematisch een
stappenplan uitgewerkt voor de
eigen school om nieuwkomers
goede opvang en zorg te bieden.
De cursus wordt gegeven in
Sittard en in ’s Hertogenbosch.
Bij anderstalige nieuwkomers op
school komen er heel veel
nieuwe en andere dingen op leerkrachten af. Deze cursus helpt
16
aanleren en
bevorderen van
Nederlands als
tweede taal.
Voor wie en
wanneer?
hen op weg en wijst de weg. Dat
geldt voor de eerste opvang,
voorwaarden voor een veilige
sfeer, het omgaan met psychosociale problematiek en het
De post-hbocursus ‘Anderstalige
nieuwkomers in de school’is
bestemd voor leerkrachten,
intern begeleiders, ambulant
begeleiders e.d. in het primair
onderwijs.Het cursusgeld
bedraagt € 250,00 (btw vrijgesteld). Deelnemers ontvangen
een ‘Bewijs van deelname’.
Voor meer informatie: [email protected]
fontys.nl (Ans Buzzoni MA) /
0612073140.
PASSEND ONDERWIJS
Passend Onderwijs en het
syndroom van Down
Inmiddels wordt er al weer zo’n 25 jaar gewerkt
aan de emancipatie en integratie van mensen met
het syndroom van Down en niet zonder succes.
Inmiddels bestaat er onder meer een horeca keten
onder de naam Brownies en Downies. Tijd voor een
“Toen en nu” in het kader van Passend onderwijs.
‘Toen en nu’ was vroeger een geschiedenis-methode op de lagere school: de huidige situatie afgezet
tegen hoe het vroeger was. Ten aanzien van
onderwijs aan kinderen met het syndroom van
Down kun je dan vaststellen dat het onderwijs al op
de goede weg was naar het passend onderwijs van
nu. Er werd in de vorige eeuw al volop ervaring
opgedaan met ‘adaptief onderwijs’ aan kinderen
met specifieke onderwijsbehoeften binnen het
reguliere onderwijs. Die ervaring heeft geleid tot
bewustwording en het doorbreken van taboes en
heeft kinderen, ouders en leerkrachten nieuwe
mogelijkheden gegeven.
Passend onderwijs is officieel net een goed jaar aan
de gang, maar de uitgangspunten van thuisnabij
onderwijs op maat werden dus soms al lang in de
praktijk toegepast! Het is goed de huidige situatie
met betrekking tot onderwijs aan leerlingen met
het syndroom van Down weer eens voor het
voetlicht te brengen. Scholen, ouderverenigingen
en leerkrachten hebben er samen zorg voor
gedragen dat elke specifieke leerling de aandacht
en mogelijkheid kreeg om te slagen. Maatwerk is
geboden omdat elke situatie uniek is. Dat maakt de
resultaten en ontwikkelingen op dit moment dan
ook zo mooi! Nu kijken we toch heel anders aan
tegen kinderen met extra onderwijsbehoeften in
het onderwijs van alledag.
Dat heeft wel heel wat voeten in aarde (gehad),
geduld gevraagd van alle betrokkenen en heel veel
overleg gevraagd. Maar de resultaten zijn er dan
ook naar: hulde aan die scholen met onze collega’s,
ouders en kinderen die een lans hebben gebroken
door verandering in het onderwijs teweeg te
brengen! Ze hebben laten zien dat de vooroordelen
niet terecht waren en de rechten van kinderen met
het syndroom van Down op integratie gerespecteerd. Daar kunnen we gelukkig vandaag een
goede stap mee voorwaarts zetten: goed voorbeeld
doet goed volgen en als er een schaap over de dam
is … Het past bij de maatschappelijke en sociale
veranderingen, die op dit moment een ieder van
ons - op wat voor manier dan ook - bezig houden.
Lucy. (foto: Michel Reij)
Zorg Primair belicht op haar eigen wijze de situatie
op dit moment: januari 2016. Doe er je voordeel
mee, wanneer bij jullie de situatie zich nu voordoet, terwijl je eigenlijk nog vanaf ‘nul’ moet
beginnen. Er is ongelooflijk veel te halen bij en te
delen met (oudere?) collega’s en het past uitstekend in het beeld van nu: er is (en er was!)
aandacht op maat voor elk kind: „Toen en nu”.
Ook in 2016 valt er weer ontzettend veel (van
elkaar) te leren.
Han Kooreman,
voorzitter Themagroep Passend onderwijs
ZORG PRIMAIR
| 01.2016
17
ARTIKEL
“Jaera haalt tot nu toe alle doelen die er waren gesteld”
Succesvolle opvang kind
met Down op de Schakel in
Amsterdam Zuidoost
Anne Niessen
Maart 2013 - na een zoektocht in Zuidoost - werd bij basisschool de Schakel de vraag neergelegd of zij een leerling met Down wilde aannemen. Na overleg was juf Rosita bereid om de
uitdaging met Jaera aan te gaan.
Z
o kreeg Jaera de kans om zich op een gewone
basisschool te ontwikkelen met een budget vanuit
LGF. De insteek in de groep werd wel dat er veel met
de groep samen werd gedaan en dat Jaera niet veel
één-op-éénbegeleiding kreeg, maar veel moest leren
van de omgeving om haar heen. Jaera was ook heel
duidelijk in de groep met aangeven dat zij geen eigen
deel in de kast wilde met materialen, ze wilde
hetzelfde kunnen doen als de anderen. Ze zat soms in
een tutorgroepje, soms wat individuele aandacht en
eigenlijk al vrij vlot is er besloten dat ze een verlenging bij de kleuters kreeg. Wel bij juf Rosita, want die
kende ze tenslotte het beste. Jaera is een meisje dat
veel duidelijkheid en structuur nodig heeft en die
werd haar hier geboden. In de groep was er wel iets
meer begeleiding aanwezig om de juf te ondersteunen. Maar je merkte vaak dat als er in school zieken
waren dat de ondersteuning regelmatig uit de groep
werd gehaald. Einde van het schooljaar 2014/2015
werd het spannend, omdat Jaera door moest naar
groep 3. Om een goed beeld te krijgen van het niveau
van Jaera is er een PDO kleuters afgenomen op het
gebied van taal en rekenen. Daarbij is vooral gekeken
naarwat Jaera allemaal wel beheerst en vooral niet
naar wat niet! Op basis van deze gegevens en de
uitkomst van de CITO kleuters is er een plan
opgesteld waar er in het nieuwe schooljaar een start
mee gemaakt kan worden. Tevens is na overleg met
directeur, adjunct en leerkrachten gekozen voor een
combinatie van groep 3 en in de middag terug naar
groep 1-2 bij juf Rosita. In augustus 2015 is Jaera
18
gestart bij juf Roos in groep 3. Dit was wel heel
spannend, omdat Jaera naar een andere vleugel in de
school moest. Om er voor te zorgen dat Jaera begrijpt
dat ze in deze vleugel moet blijven hebben we een
pictogram gemaakt met in het stopbord een foto van
Jaera. En haar bij de start van het schooljaar dit met de
onderwijsassistent Annemieke goed uitgelegd. Erg fijn
was wel dat er gekozen was om in ieder geval tot aan
de herfstvakantie in de groep Annemieke drie
ochtenden in te zetten, want dat verdient Jaera
gewoon. En dat het mogelijk werd om dit na de
herfstvakantie ook voort te zetten, omdat het goed
uitpakte en Jaera ook juist door deze ondersteuning zo
vooruit gaat. En dat beaamt Annemieke ook, lees
hieronder:
“Vorig schooljaar was ik zeer regelmatig aanwezig in
groep 1/2 waarin Jaera zat. En als ik heel eerlijk ben
had ik mijn bedenkingen toen ik hoorde dat Jaera naar
groep 3 zou gaan.
Puur gebaseerd op onwetendheid want, zoals nu blijkt
kan Jaera met extra begeleiding en een aangepast
programma functioneren in groep 3.
Jaera is een vrolijk, eigenwijs en leergierig meisje,
kortom een heerlijk kind om mee te werken. Ik haal
enorm veel plezier uit het contact dat we hebben en de
resultaten die we toch een beetje ‘samen’ behalen.
Tot nu toe heeft Jaera op leesgebied het doel en de
verwachting overtroffen. Ze kan veel letters benoemen
en maar liefst zes woorden van de leesmethode hakken
en plakken.
oude indicatie hadden geldig
tot 1-8-16 of langer kregen
in Amsterdam te maken met
een overgangsregeling,
waarbij er geld voor de
leerling beschikbaar blijft.
Alleen merk je dat er in elk
bestuur het geld - mede
omdat het niet meer kind
gebonden is - op andere
manieren ingezet en dus
gebruikt wordt. En dit is
niet altijd in het voordeel
van het kind dat de middelen nodig heeft.
BEGELEIDING
De intern begeleider van de
Schakel: “Waar je voorheen
een vast bedrag kreeg voor
elk kind wat binnen de
criteria van een cluster viel,
Onderwijsassistente Annemieke Boter aan 'het werk' met Jaera.
moet je nu zelf offertes
opvragen en bepalen hoeveel
Haar ouders zeiden heel mooi:” Alles wat Jaera leert
geld er voor de begeleiding van een leerling nodig is.
is voor ons een feestje”.
Dit vind ik nog wel lastig om te bepalen. In het
Ook op school vieren Jaera en ik maar wat veel
groeidocument breng je alle onderwijsbehoeftes in
feestjes”.
kaart en dan moet je van tevoren bepalen wat je gaat
inzetten en waar je die hulp kan halen. Voorheen kon
COMBINATIE VAN SPELEN EN LEREN
een AB‘er van een specifiek cluster je hierin ondersteuDe keuze om een combinatie te maken van leren in
groep 3 en nog mogen spelen in groep 2 is een goede
nen, dit is nu anders omdat de AB‘ers niet meer aan
keuze en zorgt ervoor dat Jaera vooruit gaat en dat
clusters verbonden zijn. Op de bovenschoolse geldmag doen op haar niveau en manier. Jaera haalt tot nu
stroom is weinig zicht, vind ik. Als school kunnen wij
toe alle doelen die er waren gesteld. Maar dit zou niet
verbeteren in het bepalen van welke externe hulp wij
lukken zonder de enthousiaste begeleiding van
kunnen inschakelen om kinderen en leerkrachten te
Annemieke en een team van leerkrachten die positief
begeleiden en wat een realistisch bedrag is om te
zijn en geloven in het succes. Juist daardoor gaat Jaera
vragen. Wanneer wij hier meer ervaring mee hebben,
met kleine stappen vooruit en zo leert iedereen nog
zullen we misschien minder het gevoel hebben te
steeds van haar en andersom.
zwemmen. Hiervoor zou het fijn zijn als iemand met de
Passend onderwijs en de geldstromen
juiste expertise kan mee kijken”.
Sinds de invoering van de Wet Passend Onderwijs per
1-8-2014 is er veel veranderd en in een grote stad als
Amsterdam zijn er veel verschillende bewegingen
ANNE NIESSEN is ambulant begeleider binnen het
gaande en in elk deel van de stad gaat alles anders.
samenwerkingsverband Amsterdam Diemen.
Wel moet er voor ieder kind dat speciale onderwijsAnnemieke Boter en Romy Paling zijn respectievebehoeften nodig heeft een groeidocument worden
ingevuld en bijgehouden. Met dat document is het
lijk onderwijsassistent en intern begeleider op De
mogelijk om extra middelen aan te vragen om
Schakel in Amsterdam.
leerlingen te ondersteunen. Leerlingen die nog een
ZORG PRIMAIR
| 01.2016
19
ARTIKEL
Een kind met Down; regulier of speciaal onderwijs?
Leren rekenen door de
tafel te dekken
Janneco ’t Hart-Heijboer & Aganneke Keus
“We wilden dat Jochem zo lang mogelijk naar de gewone basisschool ging”, vertelt Elise. Haar
zoon Jochem heeft het syndroom van Down. “We wilden hem daarmee veel kansen bieden om
te leren en vonden de sociale omgang met leeftijdsgenoten belangrijk. Pas toen hij tien jaar
was, maakten we de overstap naar het speciaal onderwijs. Dat viel in het begin niet mee.”
E
lise: “We moesten erg wennen toen Jochem net
naar zijn nieuwe school ging. Er kwam een
terugval op didactisch gebied; Jochem leek stil te
staan met lezen en ook zijn rekenvaardigheden
gingen niet vooruit. Nu zijn we echter blij met de
keuze voor deze school voor zeer moeilijk lerende
kinderen. Ik zie dat mijn zoon groeit, met name op
het gebied van zelfstandigheid. Hij leert dingen als
koken, stofzuigen en technische reparaties verrichten. Dat zou hij op de gewone basisschool nooit
aangeleerd krijgen!”
Moet een kind met het syndroom van Down zo
lang mogelijk meedoen in het reguliere
basisonderwijs of zo vroeg mogelijk instromen
op een school voor zeer moeilijk lerende
kinderen (ZML)? Wat zijn de voor- en nadelen
van meedoen in het regulier basisonderwijs of
plaatsing op een ZML-school? Wat is voor ieder
individueel kind het beste? Wat ons betreft
heeft het beantwoorden van die vragen alles te
maken met sociale integratie van kinderen. Juist
kinderen met het syndroom van Down hebben
vaak een goede sociale antenne. Dat kan hen
helpen en sterk maken in een gewone basisschoolklas, maar komt soms juist beter tot
ontwikkeling in het speciaal onderwijs.
20
DE RANK ZML
Hoe wordt aan sociale ontwikkeling aandacht gegeven
op een ZML-school? Het onderwijs op De Rank in
Barendrecht staat in het teken van ABC: Actief,
Betekenisvol en Concreet leren. De kinderen worden
actief betrokken bij de les. Wat zij leren moet voor
henzelf betekenis hebben en bijdragen aan hun
zelfstandigheid. Tot slot zijn leerkrachten erop bedacht
dat wat kinderen leren concreet toepasbaar moet zijn.
Een voorbeeld uit het rekenonderwijs: Voordat de
leerlingen sommen leren, moeten ze eerst de tafel
kunnen dekken. Als ze zowel op school als thuis weten
hoeveel borden ze moeten pakken, wordt rekenen
actief, concreet en betekenisvol in hun eigen context.
Natuurlijk besteedt ook een ZML-school veel aandacht
aan vakken als rekenen en lezen. Daarnaast is
zelfstandigheid van de kinderen essentieel. Ontwikkeling van leerlingen is een speerpunt; leerkrachten
voelen zich verplicht naar hun leerlingen om hen zover
mogelijk zelfstandig te laten worden. Deze nadruk op
ontwikkeling gaat gelijk op met veel aandacht voor het
welbevinden van de leerling. Binnen het speciaal
onderwijs hebben we hier meer mogelijkheden voor
dan in het regulier onderwijs. De klassen zijn kleiner
en er is daardoor meer individuele aandacht en
begeleiding mogelijk in de groep.
Kinderen met Down hebben dezelfde plek binnen het
onderwijs als de andere kinderen die de ZML-school
bezoeken. Net als bij alle leerlingen is er meer dan in
het regulier basisonderwijs aandacht voor hun
individuele behoeften en eigen leerproces. Het mooie
Anouk geniet van school (foto: Michel Reij)
Kinderen leren in interactie
met andere kinderen.
OVERSTAP
De meeste leerlingen met het syndroom van Down
gaan op jonge leeftijd naar een school voor speciaal
basisonderwijs. Een groot voordeel van eerst een tijdje
naar de basisschool in de eigen woonomgeving gaan, is
dat het kind andere kinderen in de buurt leert kennen.
Na schooltijd kunnen zij dan met elkaar spelen. In het
dorp of de wijk komen ze bekende kinderen tegen.
Het besluit om door te verwijzen wordt door school
en ouders meestal genomen omdat de gewone
basisschoolgroep teveel prikkels geeft en het tempo
van onderwijs voor de leerling te hoog is. Vooral de
overstap naar groep 3 is vaak te groot voor deze
leerlingen. Er is dan ineens veel aandacht voor
cognitieve ontwikkeling en de kinderen kunnen veel
minder spelen. Het vergt veel van kinderen met het
syndroom van Down om lange tijd op een stoel te
moeten zitten. Dat is niet altijd aan hen te merken,
hoewel veel kinderen in hun gedrag wel laten zien dat
zij overvraagd worden. Ze worden dan dwars en
koppig, of vertonen clownesk gedrag in de groep.
Individuele aandacht
Ouders van Charlotte, een kind met het syndroom van Down: “Toen Charlotte vier jaar werd,
hebben we haar aangemeld bij de plaatselijke
basisschool. Ze kwam daar in een klas met 31
andere kleuters. Het tempo en het niveau lag een
stuk hoger dan wat onze dochter aan kon.
Tijdens het eerste jaar zijn we op oriëntatiebezoek geweest op De Rank ZML. Wat ons opviel,
waren de kleinere klassen en de individuele
aandacht voor elk kind. Wat ons bijzonder
aansprak, was het samen opgaan van en
didactisch leren en de aandacht voor het
zelfstandig maken van de leerlingen. In overleg
met de basisschool hebben we toen besloten dat
na een jaar groep 1 onze dochter de overstap zou
gaan maken naar het ZML.”
SOCIALE INTEGRATIE
Kinderen met het syndroom van Down zijn vaak goed
in het imiteren van andere kinderen. Dat is een kans
als zij deelnemen aan het regulier onderwijs. Als zij
kinderen met een iets hoger niveau als voorbeeld
kiezen, kan dit hun eigen ontwikkeling positief
beïnvloeden. Een gevaar hiervan is wel dat de
leerkracht hen overvraagt of dat zij zichzelf te hoge
eisen opleggen.
In de praktijk krijgen kinderen met het syndroom van
Down in het regulier onderwijs vaak les buiten de
groep, bijvoorbeeld door met een onderwijsassistent
ZORG PRIMAIR
| 01.2016
21
▼
van een ZML-school is dat het onderwijs is toegespitst op alle facetten van de verstandelijke beperking
van het kind. Het grote doel is alle leerlingen op hun
eigen manier zo veel mogelijk zelfredzaam maken.
▼
samen aan de slag te gaan. Dat betekent dat zij
beperkt deelnemen aan het groepsproces in de klas.
Terwijl juist het meedoen met andere kinderen een
positieve invloed kan hebben op het bijsturen in
gedrag. Aan leerlingen die op wat oudere leeftijd
overstappen naar een ZML-school is vaak goed te
merken dat zij niet goed in een groep kunnen
functioneren. Zij zijn niet allemaal gewend aan in de
klas zelfstandig leren en handelen. De leerkracht
merkt dit bijvoorbeeld bij zelfstandig werken. Een
leerling die lang individueel begeleid is, zal niet uit
zichzelf beginnen met de opdracht, maar wacht tot hij
door de leerkracht aan de slag wordt gezet.
Kinderen leren in interactie met andere kinderen. Bij
de keuze om al dan niet de overstap te maken van
regulier naar speciaal onderwijs, is ‘sociale integratie’
daarom het sleutelwoord. Daarmee bedoelen we dat
kinderen volwaardig meedraaien in het groepsproces
in de klas en daar ook een eigen plekje in innemen.
De groep vormt het karakter van kinderen. Samen
delen, op je beurt wachten, leren door een antwoord
van een ander kind, luisteren naar elkaar: dat soort
dingen leer je in een groep. Als kinderen teveel alleen
werken kan dat ervoor zorgen dat zij verwend
worden. Ze zijn eraan gewend dat er altijd iemand
beschikbaar is die hen helpt en bijstuurt. Ze leren
soms niet goed om op hun eigen niveau verantwoordelijk te zijn voor hun eigen leerproces.
Het is onze ervaring dat vroeg instromen op een ZMLschool als voordeel heeft dat een leerling vanaf het
begin opgroeit tussen gelijken. De ene keer ben jij de
beste en de volgende keer is een ander dat. Je bent
niet het buitenbeentje van de klas, maar een van de
twaalf leerlingen in de groep.
OVERSTAP
Kinderen met het syndroom van Down leren in het
regulier onderwijs meer van de schoolvakken die
daar worden aangeboden. Op deelgebieden zijn zij
soms goed ontwikkeld. Leren lezen krijgt op een
gewone basisschool veel aandacht, terwijl dit in het
speciaal onderwijs minder belangrijk wordt gevonden. Als kinderen dan later om andere redenen toch
overstappen naar een ZML-school, vallen de leervorderingen vaak tegen omdat dit niet de primaire focus
is op deze school of omdat de lessen anders worden
aangepakt of ingevuld. Soms hangt dit samen met de
energie die het kinderen kost om in de groep te
22
functioneren. Het is goed als school en ouders die
nadenken over het doorverwijzen van een kind zich
hier vooraf van bewust zijn. Wanneer de overstap
gemaakt wordt, is het belangrijk dat de reguliere
basisschool en ouders met elkaar bespreken dat de
focus anders ligt op het speciaal onderwijs. Wanneer
ouders dit al vroeg horen, zijn ze in de gelegenheid
om hier vast aan te wennen en eventueel hun
verwachtingen bij te stellen.
Onze ervaring is dat leerlingen met het syndroom
van Down vaak een goede sociale antenne
hebben. Ze voelen vaak haarfijn aan wat er speelt
en ook op welke manier ze anderen voor zich
kunnen winnen. Juist met dat besef in je
achterhoofd, is het voor deze kinderen belangrijk
dat we in het onderwijs deze sociale antenne
goed gebruiken. Dit betekent in het regulier
onderwijs dat we wijs omgaan met deze antenne.
Leerlingen met het syndroom van Down moeten
zo gewoon mogelijk meebewegen in een groep
en geen uitzonderingspositie krijgen.
Nog even terug naar Elise en Jochem. Na een heel
aantal jaar in het regulier basisonderwijs, waar
Jochem onder andere leerde lezen, maakten zijn
ouders de keuze om hem aan te melden bij een
ZML-school. In het begin liepen zij er tegenaan dat
zijn ‘harde’ leerprestaties terugliepen omdat er veel
minder aandacht was voor cognitieve ontwikkeling
en hij zijn plekje moest vinden als gelijke tussen zijn
medeleerlingen. Pas na twee jaar zien zij dat dit
onderwijs weer nieuwe aspecten aan zijn ontwikkeling toevoegde omdat hier veel aandacht is voor zijn
zelfstandigheid. Nu zien ze hoe hij als jongen met het
syndroom van Down op zijn manier voor zichzelf kan
zorgen en leert werken.­
Over de auteurs:
JANNECO ’T HART-HEIJBOER is orthopedagoog
bij Driestar educatief (www.driestar-onderwijsadvies.nl) en AGANNEKE KEUS is teamleider
speciaal onderwijs op De Rank ZML in Baren­
drecht (www.derankzml.nl)
ARTIKEL
Voordelen en succesfactoren
Een kind met Down op school
Annelies Verweij
Passend onderwijs is inmiddels een feit. In de periode van voorbereiding op het bieden van
onderwijs aan kinderen met speciale onderwijsbehoeften, heb ik een afstudeeronderzoek voor
de Pabo gedaan naar de mogelijkheden en onmogelijkheden van het regulier onderwijs voor
kinderen met het syndroom van Down. Dit artikel is een samenvatting van de theorie en het
praktijkonderzoek, gericht op de voordelen van kinderen met syndroom van Down in het
regulier onderwijs, belangrijke voorwaarden aan onderwijs voor kinderen met Down syndroom en manieren van leren die passen bij kinderen met het syndroom van Down.
‘VOORDELEN’
Freeke en haar juf (foto: Michelle Bosmans)
een kind met syndroom van Down in het speciaal
onderwijs geen voorbeeld of ‘model’ heeft waar het
kind zich aan kan optrekken in zijn ontwikkeling.
‘SUCCESFACTOREN’
Er zijn uit de literatuur een aantal voorwaarden naar
voren gekomen die nodig zijn om successen te
behalen met kinderen met syndroom van Down in het
regulier onderwijs. Deze voorwaarden gelden over
ZORG PRIMAIR
| 01.2016
23
▼
Het syndroom van Down is een stoornis die je niet
kunt behandelen met als doel de stoornis te laten
verminderen. Daarom is het nodig in het onderwijs
vaardigheden te ontwikkelen om kinderen met
syndroom van Down zo goed mogelijk te begeleiden.
Uit onderzoek is gebleken dat de integratie van
kinderen met Downsyndroom veel voordelen heeft.
Dit geldt voor het kind met de handicap en ook voor
de andere klasgenoten. Namelijk:
- de klasgenoten zijn een voorbeeld voor het kind met
syndroom van Down;
het kind met Downsyndroom heeft de vriendjes van
school in de buurt en heeft dus meer sociale
contacten;
- het kind met syndroom van Down scoort op een
reguliere school hoger op communicatieve vaardigheden, spraak-taal ontwikkeling, sociale ontwikkeling en gedrag dan een kind met Down syndroom in
het speciaal onderwijs;
- klasgenoten van een kind met syndroom van Down
hebben meer sociale verantwoordelijkheid.
Daarentegen wordt ook de kanttekening gemaakt
dat een kind met syndroom van Down veel extra
aandacht van de leerkracht nodig heeft en dat er
goed afgewogen moet worden wanneer er meer
problemen ontstaan waar geen oplossing voor
gevonden kan worden. Er zijn geen directe voordelen gevonden voor kinderen met Downsyndroom in
het speciaal onderwijs. Dit is voornamelijk omdat
Een kind met het syndroom van Down kan het best leren in de context van het leven. (foto: Michelle Bosmans)
het algemeen voor alle kinderen met het syndroom
van Down. Ze zijn onder te verdelen in kindfactoren,
schoolfactoren en omgevingsfactoren. Belangrijke
kindfactoren zijn: het kind luistert naar wat de
volwassene zegt; het heeft een IQ van 50 of hoger; het
kind is leerbaar; het kind kan zich duidelijk maken
naar een volwassene toe; het kind kan zelfstandig een
opdracht op zijn niveau uitvoeren.
Voor de schoolfactoren is het van belang dat de
opdrachten die je geeft aan een kind met het
syndroom van Down volledig voorgestructureerd
zijn. Daarnaast zijn er ook opdrachten die je zo aan
moet passen dat een kind met syndroom van Down
mee kan doen met het onderwerp of het vak waar de
rest van de klas ook mee bezig is. Dit binnen de
mogelijkheden die het kind heeft. De moeilijkheidsgraad daarvan kan per kind en ook per vak verschillen. Een belangrijke voorwaarde voor kinderen met
Downsyndroom in het onderwijs die ik haal uit
eerder verricht onderzoek is dat de leerkrachten van
een school een positieve houding hebben ten
opzichte van een kind met syndroom van Down in de
klas. Het is ook van belang dat het kind met syn24
droom van Down volledig bij de klas hoort en daar
niet buiten komt te staan. De klas moet een veilige
basis zijn voor het kind. Contacten en samenwerking
met ouders wordt ook genoemd als belangrijke
voorwaarde voor inclusie van Down syndroom in het
regulier onderwijs. Ouders zijn de expert op het
gebied van hun kind en kunnen belangrijke informatie geven aan de leerkracht. Belangrijke eigenschappen van een leerkracht met een kind met Down
syndroom in de klas zijn: gestructureerd, voorspelbaar en duidelijk. De school moet met zijn interne en
externe profes­sionals voldoende draagkracht hebben
om kinderen met syndroom van Down te begeleiden
in hun ontwikkeling.
Voor de omgevingsfactoren wordt aan de volgende
voorwaarden belang gehecht: ouders geven aandacht
aan voorschoolse vaardigheden; ouders geven veel
aandacht aan de spraak-taalontwikkeling van hun
kind; ouders staan open voor samenwerken met de
school en geven belangrijke informatie door; ouders
begeleiden hun kind op de reguliere school (er werd
hierbij vanuit de praktijk een voorbeeld genoemd dat
ouders hun kind met syndroom van Down kwamen
verschonen wanneer dat nog niet zindelijk was); er is
aandacht voor de medische gevolgen van het
syndroom van Down.
PASSEND ONDERWIJS AAN KINDEREN MET
DOWN
Deze opgestelde voorwaarden zijn in de praktijk
voorgelegd aan leerkrachten met ervaring met
onderwijs aan kinderen met syndroom van Down en
aan leerkrachten zonder deze ervaring. Interessant
om daarbij te merken was dat leerkrachten met
ervaring meer mogelijkheden zagen in passend
onderwijs aan kinderen met Down syndroom.
Daarnaast hechtten zij meer belang aan de verschillende voorwaarden die vanuit de literatuur naar
voren kwamen. De factoren extra hulp (voldoende
draagkracht), een positieve houding van de
leerkrachten en begeleiding voor de leerkracht
worden als meest belangrijk gezien om een kind met
syndroom van Down binnen het regulier onderwijs
les te geven. Als die factoren niet aanwezig zijn, ga je
er als leerkracht aan onderdoor. De extra handen in
de klas worden als meest belangrijk gezien in de klas.
Er wordt gezegd dat je als leerkracht verzuipt op het
moment dat je die niet hebt, omdat je ogen, oren en
handen tekort komt. Een kind met syndroom van
Down kan namelijk niet zichzelf bezig houden.
Daarom moet je voor een effectieve leertijd als
leerkracht naast het kind blijven zitten. Dit kan niet
met betrekking tot de rest van de klas. Op het
moment dat het kind met syndroom van Down geen
gerichte aandacht krijgt, is er mogelijkheid tot
‘klieren’. De begeleiding van de leerkrachten kan op
verschillende manieren gebeuren, bijvoorbeeld door
een organisatie als Reactys of een cluster 3 school.
Door deze begeleiding hebben leerkrachten een
steunpunt waar ze hun vragen kwijt kunnen en
advies krijgen over de manier van lesgegeven die het
best past bij een kind met syndroom van Down.
Hierdoor wordt duidelijkheid van de leerkracht,
gestructureerd lesgeven en voornamelijk ook
visualiseren getraind. Er wordt door de begeleiding
ook meegedacht in de manier waarop de school
aanpassingen kan doen voor het kind met syndroom
van Down en welke leerdoelen er gesteld kunnen
worden. Daarnaast wordt de samenwerking met de
ouders van het kind met syndroom van Down als erg
belangrijk ervaren. Hoe meer de ouders stimuleren in
de ontwikkeling van het kind met syndroom van
Down hoe verder het kind met syndroom van Down
kan komen in zijn of haar ontwikkeling. Het is belangrijk om de kansen te pakken die er zijn als school en
als ouder(s).
‘TIPS VOOR ONDERWIJS AAN KINDEREN
MET SYNDROOM VAN DOWN’
Door de leerkrachten met ervaring met kinderen met
syndroom van Down in het onderwijs worden de
volgende tips genoemd voor onderwijs aan deze
kinderen:
• Stapsgewijs, veel individuele begeleiding, kleine
groep (het liefst), veel herhaling, veel complimenten
en goed kijken naar wat het kind nodig heeft.
• Bij kleuters: pre-teaching, voordoen-nadoen, kleine
stapjes tegelijk, sterke kanten van het kind
benutten, duidelijke structuur, veel herhaling, alle
zintuigen benutten.
• Gestructureerd en duidelijk. De organisatie moet
kloppen, zodat het kind weet waar hij aan toe is en
zelfstandig bezig kan zijn. Veel gebruik maken van
visuele ondersteuning. (Bijvoorbeeld een dagritme
bord/pictogrammen.)
• Een kind met het syndroom van Down kan het best
leren in de context van het leven: klokkijken heeft
zin als je op tijd moet zijn. Rekenen heeft zin als je
aan het koken bent. Lezen heeft zin, omdat je
dingen wilt weten. Schrijven heeft zin als je
boodschappen gaat doen en wilt onthouden wat je
nodig hebt. Als dingen moeilijk zijn, steek er dan
niet te veel tijd in. Dat gaat ten koste van dingen die
wel soepel verlopen.
• Leren met concreet materiaal. Ga in de onderbouw
niet uit van de leesvoorwaarden. De weg naar lezen,
is anders dan bij een reguliere basisschoolleerling.
Voor een uitgebreidere uiteenzetting verwijs ik u
naar het onderzoek ‘past het of past het niet?’. Daar
staat ook de vermelding van de gebruikte bronnen
voor het literatuuronderzoek en is de onderzoeks­
methode beschreven.
ANNELIES VERWEIJ studeerde aan de pabo van CHE.
Na haar premaster orthopedagogiek behaalde ze haar
Master orthopedagogiek in 2014. Ze werkt nu als
leerkracht op de R. de Jagerschool, Woerden.
ZORG PRIMAIR
| 01.2016
25
ARTIKEL
Lucy houdt van poppen en
swingen en schrijven
Sabine Aangenendt
Lucy (6) heeft downsyndroom, de ander flaporen. Daar is niks raars aan, vindt basisschool
De Heerd in Leusden. Ook haar klasgenootjes in groep 2, zien geen verschil. ‘Laatst zei een
leerling: “Lucy is gewoon met andere hersenen geboren… Nou, en?” Daarmee was de kous af. ‘
‘I
edereen is anders. Hoe sneller kinderen dat leren,
hoe beter,’ vindt leerkracht Olga. ‘Een groot kind
kan overal bij. Een kleintje niet. Ik spoor ze aan om
elkaar te helpen. Wanneer een kind dan zoiets wijs
zegt, vol acceptatie, krijg ik energie. Dan merk ik: Ze
hebben het begrepen. De kinderen leren mij om
creatief te zijn. En dat is handig bij kinderen met een
extra uitdaging, zoals Lucy.’
MIJN POPPENHOEK! Wat voor meisje is Lucy? Welke
leerdoelen zijn realistisch op de basisschool?
Ambulant begeleider (AB) Jakolien hielp Lucy bij de
overgang van de peuterspeelzaal naar de ‘grote’
school. ‘Op de peuterspeelzaal was de poppenhoek
Lucy’s domein,’ vertelt Jakolien. ‘Andere kinderen
duldde ze niet. Die duwde ze er gewoon uit. Niks voor
Lucy (foto: Michel Reij)
26
Lucy, eigenlijk. Ze is een lief en sociaal meisje, maar ze
deed het uit frustratie. Het lukte haar niet om zich
verbaal uit te drukken. Dat heb ik bij haar nieuwe
school aangegeven, zodat de intern begeleider (IB)
dat in het handelingsplan kon opnemen.’
OVERDRACHT Lucy leert snel. Nu ze haar woorden
kan gebruiken, is de frustratie weg. Ook in een kring
zitten, opruimen en naar de juf luisteren vormen geen
problemen meer. Bij de intake zijn die aandachtspunten goed besproken. ‘Bij De Heerd ging de overdracht
soepel,’ vertelt Jakolien. ‘Ze stonden open voor mijn
suggesties. Dat is niet overal zo. Soms voelen scholen
zich door een AB’er - of andere externe - op de
vingers gekeken.’
ONTLUIKENDE GELETTERDHEID Het niveau van
Lucy ligt hoog. Lezen en schrijven vindt ze prachtig.
Thuis ligt het huis vol zelfgeschreven briefjes en
boodschappenlijstjes. Intern begeleider Mary:
‘Kinderen met downsyndroom zijn erg visueel
ingesteld. Daarom werkt de methode Leespraat goed.
(Zie tips). Net als de potloden met een driepuntsgreep. Overigens zijn die hulpmiddelen er niet alleen
voor kinderen met het syndroom van Down. Ook
andere leerlingen hebben baat bij deze tools.’
IMITEREN Lucy is graag in control. Soms lukt iets
niet. ‘Dan kan ze heel dwars zijn en moet de trukendoos open,’ zegt Olga. ‘Afleiden helpt. Zitten we met
z’n allen in de kring? Dan is een stoel verschuiven
vaak al genoeg.’ Wanneer de kinderen met hun eigen
werkjes bezig zijn, helpt een boekje lezen goed. Lucy
volgt op die momenten haar eigen leerlijn. Wanneer
Lucy klaar is met haar opdrachten, mag ze nog even
in de poppenhoek spelen. Olga: ‘Het liefst speelt ze
Foto: Michel Reij, De Bilt
Foto: Michel Reij, De Bilt
situaties na uit het echte leven. Soms hoor ik haar
hele gesprekken voeren: “Blijft hondje over of gaat hij
naar de BSO?” Optreden en verkleden zijn ook
favoriet. Een tijdje terug zag ik haar een dansje
opvoeren. Op het schoolplein met twee klasgenootjes.
Haar publiek? Een toevallige passant!’
DE LAT BIJSTELLEN ‘Vier keer per jaar voeren we
overleg,’ vertelt Mary. ‘Zit Lucy nog op haar plek?
Kunnen wij als team alles nog bieden? En vinden haar
ouders dat ook? Soms moet je je doelen bijstellen. In
geval van Lucy hebben we de lat al een paar keer
hoger gelegd. We streven ernaar om Lucy zoveel
mogelijk met het normale programma te laten
meedraaien. Zelf begeleid ik haar 2x per week een
half uur. Middels de methode Leespraat leer ik haar
ook vast woorden uit groep 3. Alles wat ze volgend
jaar herkent, is mooi meegenomen.’
Lucy had zelf, buiten in het zand, ‘IK’ geschreven.
Trots dat ze was!
Tekst eerder geplaatst in Droom van Down. Een praktische
informatiegids voor het basisonderwijs. Een uitgave van VIM.
Tekst: Buitenzinnen, Utrecht
TIPS
• Wees jezelf
Kinderen met downsyndroom zijn vaak gevoeliger. Ze merken het als jij niet ‘echt’ bent.
Heb je even geen oplossing? Zeg dat dan gewoon.
• Extra handen maken het verschil
Soms vraagt een kind met downsyndroom extra tijd. Bijvoorbeeld omdat het nog niet
zindelijk is. Of omdat het moeite heeft met de regels die gelden in de klas. Overweeg
hulp van een onderwijsassistent of stagiair(e).
• Probeer de methode Leespraat
In het regulier onderwijs start het kind met lezen nadat zijn spreektaal praktisch
volledig ontwikkeld is. De methode Leespraat begint juist als het kind zijn eerste
woordjes zegt. Zo loopt het aanbieden van leeswoorden en zinnetjes steeds een klein
stapje vooruit op wat het kind al zelf kan zeggen. Belangrijk is dat de woorden en
zinnen functioneel zijn in het leven van het kind.
• Ga kijken bij een ervaren school
Lucy is het 5e kind met downsyndroom op basisschool De Heerd. Regelmatig ontvangen
ze leerkrachten van andere scholen. Om de kunst af te kijken.
Interessant? Neem contact op!
• Wijd een studiedag aan downsyndroom
De VIM organiseert verschillende studiedagen, speciaal voor leerkrachten.
Meer informatie: www.vim-online.nl
ZORG PRIMAIR
| 01.2016
27
ARTIKEL
Oplossingsgericht werken
met een kind met het
syndroom van Down
Anja Poppe & Janneke Wienke
HET VERHAAL VAN DE LEERKRACHT VAN YON:
OPLOSSINGSGERICHT WERKEN
Op een reguliere basisschool, begeleidde ik, als
remedial teacher, Yon, een 9-jarige jongen met
Downsyndroom. Hij zit bij ons op school vanaf
groep 1. In de kleuterperiode heeft hij zoveel
mogelijk met de groep meegewerkt. Vanaf groep 3
volgt hij een individueel programma voor taal,
rekenen en schrijven. Verder werkt hij waar mogelijk
met de groep mee. Op het moment van het onderzoek
zat hij in groep 5. Hij kreeg een aantal uren per week
individuele instructie en verder werkte hij in de
groep aan zijn eigen programma. Dit verliep allemaal
prima. De groep accepteerde Yon en hielp hem waar
nodig. Toch liepen we tegen een probleem aan.
Tijdens de spellessen bleek Yon erg angstig voor de
bal. Voorheen werden angstige momenten ontweken
door hem te laten badmintonnen met een ander kind
uit de groep in een veilige hoek in de zaal, maar aan
het begin van groep 5 werden steeds meer balspellen
gespeeld, waarbij hem de ballen om de oren vlogen.
Hierdoor werd het gymmen voor Yon vrijwel
onmogelijk en moest hij op school achterblijven. Wij
wilden hem graag weer aan het sporten krijgen, maar
we wisten niet hoe we Yon konden helpen zijn angst
voor de bal te overwinnen.
Bij oplossingsgericht werken wordt er niet gezocht
naar de oorzaak van het probleem, maar wordt er
samen met het kind gekeken wat het al kan en wat
het moet leren om het probleem te overwinnen.
Oplossingsgericht werken bestaat uit een aantal
stappen waarin problemen omgezet worden in
vaardigheden. Eén van de onderdelen is dat het kind
zich bewust wordt van de voordelen die het heeft om
de vaardigheden te leren. Gedurende het gehele
proces speelt verbale communicatie een belangrijk
rol. Bij Yon is de spraaktaalontwikkeling echter een
zwak ontwikkeld gebied. Dit betekent dat het zonder
aanpassingen niet mogelijk is om oplossingsgericht
met Yon te werken. De ervaringen die ik inmiddels
met deze manier van werken had opgedaan, waren
zo positief dat ik naar een mogelijkheid wilde zoeken
om ook met een kind met het syndroom van Down
oplossingsgericht te kunnen werken. Het kind krijgt
hopelijk meer grip op het probleem, het kan zelf de
stapjes aangeven die het wil en kan nemen en krijgt
zicht op het einddoel.
De spraaktaalontwikkeling van een kind met het
syndroom van Down loopt vaak achter bij de
ontwikkeling van hun taalbegrip. Dit betekent dat je
bij het inschatten van wat een kind begrijpt, niet kunt
uitgaan van hoe het kind praat. Het verwerken van
gesproken informatie en het oproepen van de
benodigde informatie uit het geheugen om een
antwoord te formuleren of op een andere manier te
reageren, duurt langer dan we gewend zijn bij andere
kinderen.
Om oplossingsgericht te kunnen werken met Yon, was
het noodzakelijk om de verschillende stappen aan te
passen. Tijdens de begeleiding is daarom veel gewerkt
met tekeningen, foto’s, boeken, plaatjes, handpop en
spel. Door op deze manier te werken heeft Yon de
mogelijkheid gekregen om zijn wil duidelijk te maken,
28
had hij de mogelijkheid om keuzes te maken en kreeg
hij meer grip op de omgeving.
HET VERHAAL VAN YON
Aan het oefenen met klasgenootjes.
Op het plein, trots met de bal.
In de weken die volgden maakte Yon steeds kleine
stapjes en soms wat grotere stappen vooruit. Van
iedere stap vooruit is een foto gemaakt. Voor Iedere
gymles werden de foto’s bekeken met als doel
inzichtelijk te maken wat hij al kon.
Na verloop van tijd bleek dat Yon tijdens de gymlessen steeds vrijer werd en steeds meer met de bal
durfde te spelen. Op het schoolplein, waar ook met
ballen gespeeld werd, bleef hij nog steeds aan de rand
van het plein lopen. We hebben ons toen gericht op
het schoolplein. Dit hebben we ook weer oplossingsgericht aangepakt. Er zijn weer foto’s en tekeningen
gemaakt en situaties nagespeeld. In een periode van tien weken veranderde Yon van
een jongen die stilletjes langs de kant zat tijdens het
balspel in een jongen die actief mee speelde. Op het
plein veranderde hij van een jongen die langs de
muren liep in een jongen die meespeelt.
HET VERHAAL VAN DE MOEDER VAN YON:
Toen Yon vorig jaar in groep 6 zat, kon hij nog niet
fietsen. Over de jaren hadden we het wel geprobeerd,
maar het oefenen was niet bepaald een feest. Omdat
hij bang was, was hij totaal niet gemotiveerd en zei
altijd heel stoer: “Fietsen is saai”.
Zoals hierboven te lezen is had Anja hem het jaar
daarvoor van zijn angst voor de voetbal afgeholpen.
Daarvan zag de school de eerste resultaten in de
gymles en op het plein, maar wij vooral op de
camping: Toen we Yon kwijt waren, stond hij heerlijk
op andere velden te keepen of te voetballen. Dat zou
het jaar daarvoor niet denkbaar geweest zijn. Nu ik
dit schrijf mag Yon al een aantal maanden meetrainen
bij voetbalclub Lyra in De Lier en dat is heerlijk om te
ZORG PRIMAIR
| 01.2016
29
▼
Voorafgaand aan de begeleiding zijn foto’s gemaakt.
Foto’s van Yon tijdens de gymles, maar ook foto’s van
de wenselijke situatie. De laatste foto’s zijn van
klasgenootjes gemaakt, zodat de situatie voor Yon
herkenbaar was. Samen hebben we de foto’s
bekeken. Yon werd erg enthousiast van de foto’s. Hij
benoemde wat hij zag maar benoemde ook waarom
hij zelf aan de kant zat tijdens het spel. Yon wilde
graag meedoen met de andere kinderen, maar zijn
angst belette hem actief deel te nemen aan het spel.
Stuiteren met de bal, rollen en zelf gooien lukte wel,
maar vangen vond hij erg eng. De foto’s van de
situaties die hij al beheerste zijn opgeplakt op een
‘Dit kan ik al’ blad. In deze beginsituatie is naast de
foto’s ook gebruik gemaakt van een voorleesboek
waarin een mannetje voorkwam dat angstig was. Ook
de handpop ‘Pluk’ heeft een grote rol gespeeld. Yon
vertelde Pluk wat hij ging leren en wilde Pluk ook
leren gooien en vangen. Spelenderwijs ging hij met
Pluk aan de slag. De eerste keer dat hij met Pluk
werkte, ging Yon over zijn eigen angstgrens heen. Hij
wilde Pluk leren gooien en vangen tegen een muur.
Omdat Pluk hem niet goed begreep deed Yon het
voor. Wat hij tien minuten daarvoor nog niet durfde,
kon hij in zijn spel wel. Hij pakte de bal, gooide de bal
tegen de muur en ving hem op.
Na het bekijken van de foto’s wilde hij aan de slag. De
volgende dag had hij zijn gymtas bij zich. In eerste
instantie was het de bedoeling om rustig op school
een aantal vaardigheden te oefenen, maar omdat Yon
zelf deze stap zette, zijn we met hem meegegaan naar
de gym.
bekennen! Meneer was de bocht al om
en fietste heerlijk door de straten! Had
hij het uiteindelijk toch allemaal
betrekkelijk snel onder de knie
gekregen! En natuurlijk vertelde hij de
eerstvolgende keer dat Linda er weer
was, dat hij een verrassing voor haar
had….Linda vond het ook geweldig en
gaf ons nog als laatste advies om Yon
nog wat vaker rondjes te laten maken
en om pionnen heen te laten rijden. Een
goed advies bleek later.
zien. Yon is meer een Wii-er, DS-er, keyboarder, een
echt kind van deze tijd ofwel ‘knopjes’-kind, dus we
zijn dolblij dat hij in ieder geval op woensdagmiddag
op een sportveld loopt!
Kijkend naar Anja’s foto’s en ideeën, heb ik in groep 6
een boekje voor Yon gemaakt over fietsen. Hierin
stond beschreven (aangevuld met leuke illustraties)
wat hij al kon en wat hij graag zou willen kunnen. k
heb Yon gemotiveerd door het boekje met hem door
te nemen. Vervolgens hebben we zijn fysiotherapeute
Linda Berger (Adfysio, De Lier) gevraagd om de
exacte tussenstappen aan te geven om tot fietsen te
komen. Zij is deze stappen regelmatig komen oefenen
met Yon en tussendoor oefenden wij natuurlijk ook
met hem.
EEN AANTAL PLAATJES UIT HET BOEKJE
Het mooie van dit alles was, dat waar we vroeger
krom achter hem aan holden waarbij we hem stevig
vast moesten houden, we hem nu (op aanraden van
Linda) alleen maar met één vinger losjes aanraakten,
omdat hij eigenlijk alle stappen om tot fietsen te
komen, zelf maakte. Het ging nooit te snel, hij
bepaalde zelf wat hij aandurfde. En het was altijd
leuk. Op een mooie dag liet ik hem alvast opstappen
en dacht op m’n gemak uit huis achter hem aan te
komen, en jawel hoor: hij was nergens meer te
30
Al snel daarna ging Yon namelijk ook
fietsend met mij naar school. Een mooi
gezicht na al die jaren achterop zitten!
En leuk ook al die complimenten van
mensen uit de buurt. Jammer dat hij
gelijk de eerste dag tegen een paaltje
voor een zebrapad knalde….. Ik dacht
dat wordt huilen, maar hij was even
heel stil en ging toen gewoon weer
verder ging met fietsen! Hij moet nog heel wat
verkeerservaring opdoen en we moeten natuurlijk
zeker weten dat hij z’n hoofd erbij kan houden als er
iets onverwachts gebeurt. Maar pas was er een fietser
die hem geen voorrang verleende; Yon ging vol in de
remmen en alles liep goed af, dus het begint te
komen!
TOT SLOT
Voor Yon pakt deze aanpak zeer gunstig uit en onze
verwachting is dat deze aanpak ook bij andere
kinderen met het syndroom van Down een positief
effect zal hebben. Denk niet binnen de gestelde
grenzen, maar maak tijdens de opvoeding/begeleiding eens gebruik van dingen die misschien niet altijd
voor de hand liggen. Denk niet in beperkingen, maar
in mogelijkheden, dan blijkt er vaak meer te kunnen
dan vooraf gedacht werd.
Over de auteurs:
ANJA POPPE M SEN deed in 2010 onderzoek
gedaan naar de mogelijkheden die oplossingsgericht werken biedt om een kind met het
syndroom van Down te begeleiden.
JANNEKE WIENKE is de moeder van Yon.
COLOFON
Zorg Primair is het vakblad
over onderwijspraktijk en hoe
leerkrachten voortdurend bezig
zijn om deze te verbeteren.
Theo Heskes (redactievoorzitter),
drs Marjorie Lamain (SO),
Phia Oostenbach (Bao),
Gerrit Jan Hoedeman (BaO),
drs Thieu Dollevoet (Fontys OSO),
Theo Winnubst (KPC Groep)
Bert van Leusden (ODV),
Han Kooreman (Themagroep
Passend Onderwijs) en
Jan van Balkom MA
(redactie­coördinator en
eindredactie).
Jan van Balkom
Helvoirtsestraat 31
5268 BA Helvoirt
T +31 (0)6 1347 0687
[email protected]
Voordat u een artikel aanlevert,
is het raadzaam de auteurs­
richtlijnen aan te vragen bij
het redactie-adres. Digitaal
aanleveren is een voorwaarde.
Zorg Primair (ISSN 1567-1801)
verschijnt 8 keer per jaar, in een
oplage van 35.000 exemplaren.
Een abonnement op Zorg Primair
kost ¤ 30,00 per jaar (8 nummers)
Aanmelden bij 030-7511003.
Vormgeving:
FIZZ ondernemers in marketing
& communicatie Meppel
Druk: Ten Brink, Meppel
Coverfoto:
Foto's van Lucy en Anouk zijn van
Michel Reij (www.m.reij.nl)
Foto van Freeke is van Michelle
Bosmans. Freeke zit op de
dr Landmanschool in Helvoirt.
ZORG PRIMAIR
| 01.2016
31
Werf een nieuw CNV-lid en ga er samen op uit!
U KUNT KIEZEN UIT DE VOLGENDE CADEAUBONNEN T.W.V. € 25,-:
• Dinerbon
• Theaterbon
• Bol.com cadeaubon
• VVV Cadeaubon
• Bioscoopbon
Aanmelden kan ook via: www.cnv.nl/actie
Gegevens nieuw lid
Uw gegevens
Naam + voorletters:
M/V Naam + voorletters:
Adres:
M/V
Adres:
Postcode:
Plaats:
Postcode:
Tel.nr. overdag:
‘s Avonds:
Tel.nr.:
Plaats:
Geboortedatum:
E-mail:
Sector waarin u werkzaam bent:
Relatie tot het nieuwe lid:
Collega
Familie
Vriend/in
Anders, namelijk:
Ik wil mijn contributie maandelijks betalen via automatische
incasso. Hiervoor wordt een machtigingsformulier toegezonden. Lidnummer:
IBAN-rekeningnummer:
Als aanbrenger van een nieuw lid ontvang ik graag de volgende
cadeaubon:
Datum:
Handtekening:
Dinerbon
Theaterbon
Bioscoopbon
VVV Cadeaubon
Bol.com cadeaubon
CNV zal na ontvangst van de aanmelding telefonisch contact opnemen
voor aanvullende gegevens om de inschrijving definitief te maken.
Vervolgens ontvangt u thuis een machtigingsformulier dat ingevuld
teruggestuurd dient te worden voor automatische incasso.
Informatie over het lidmaatschap vindt u op www.cnv.nl
U als aanbrenger van het nieuwe lid ontvangt uw gekozen aanbrengcadeau
op uw privé-adres. Toezending kan pas plaatsvinden nadat de gegevens van
het nieuwe lid telefonisch zijn gecontroleerd en een eerste contributie is geïnd.
Per post: CNV Info, Antwoordnummer 1096, 3500 VE Utrecht

similar documents