Lees verder... - KIES voor het Kind

Report
Richtlijn / onderbouwing
Scheiding en
problemen van jeugdigen
Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming
© NVO, NVMW en NIP
© 2015 Nederlands Vereniging van Maatschappelijk Werkers, Nederlands Instituut van
Psychologen, Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen
Het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de Nederlandse vereniging van pedagogen en
onderwijskundigen (NVO) en de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers (NVMW) zijn
de opstellers van de richtlijnen voor jeugdhulp en jeugdbescherming. Vermelde beroepsverenigingen
zijn intellectueel eigenaar van zowel de richtlijnen zelf als de schriftelijke onderbouwing ervan,
de eventuele bijbehorende werkkaarten en de cliëntversies. De beroepsverenigingen geven
toestemming voor het verveelvoudigen en opslaan in een geautomatiseerd gegevensbestand van
de tekst van deze publicaties alsmede het openbaar maken ervan hetzij elektronisch, mechanisch,
door fotokopieën of enige andere manier, op voorwaarde dat de drie beroepsverenigingen worden
vermeld als de opstellers van betreffende richtlijn en de eventuele overige gebruikte teksten.
Richtlijnen worden regelmatig aangepast. We adviseren dringend altijd de website te raadplegen
voor de meest actuele versies.
Vermelde beroepsverenigingen en de ontwikkelaars van de richtlijn (de werkgroep en het projectteam
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen in jeugdhulp en jeugdbescherming) zijn zich er steeds
van bewust dat het hun taak is te komen met een verantwoorde en overtuigende onderbouwing.
Niettemin kunnen de beroepsverenigingen geen aansprakelijkheid aanvaarden voor eventuele
onjuistheden of onnauwkeurigheden die onverhoopt in deze onderbouwing blijken voor te komen.
Het Nederlands Jeugdinstituut en de Universiteit Utrecht hebben deze richtlijn geschreven in
opdracht van het NIP, de NVO en de NVMW. Dit project werd mogelijk gemaakt door financiering van
het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, vanuit het Programma Richtlijnen jeugdhulp en
jeugdbescherming. Zie voor meer informatie de website www.richtlijnenjeugdhulp.nl.
Gebruik als titel van deze richtlijn in referenties altijd: ‘Richtlijn Scheiding en problemen van
jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming’.
Auteurs
Drs. Inge Anthonijsz
Dr. Ed Spruijt
Drs. Niels Zwikker
Werkgroep
Dr. Inge van der Valk (voorzitter)
Dr. Ed Spruijt
Drs. Annelies Hendriks
Drs. Liesbeth Groenhuijsen
Ineke Gualthérie van Weezel
Drs. Inge Anthonijsz
Nederlands Jeugdinstituut
Catharijnesingel 47
Postbus 19221
3501 DE Utrecht
030 230 63 44
www.nji.nl
[email protected]
Versie juni 2015 Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
2
Voorwoord
Voor u ligt de onderbouwing van de Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor
jeugdhulp en jeugdbescherming. De richtlijn is geschreven voor alle kinderen en hun ouders
in scheiding, maar ook voor professionals en beleidsmakers die met scheiding en jeugdigen
te maken hebben. De totstandkoming van de richtlijn is een unieke gezamenlijke inspanning
van wetenschappers, praktijkwerkers en cliënten, gecoördineerd en uitgevoerd vanuit het
Nederlands Jeugd Instituut en de Universiteit Utrecht, in opdracht van het Programma Richtlijnen
jeugdhulp en jeugdbescherming van NIP, NVO en NVMW. De richtlijn is ontwikkeld in samenspraak
met deze beroepsverenigingen, Defence for Children, het Expertisecentrum van de William
Schrikker Groep en cliëntenvertegenwoordiging.
Letterlijk genomen verwijst het begrip ‘richtlijn’ naar een ‘aanwijzing voor te volgen gedrag’.
De Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming omvat
echter veel meer dan dat: een overzicht van de stand van zaken op het gebied van scheiden
en jeugdigen in Nederland. Het bevat een volledige samenvatting van de gevolgen van een
ouderlijke scheiding voor kinderen en jongeren, de risicofactoren daarbij en handvatten voor
professionals die kinderen van gescheiden ouders willen helpen. Hierbij wordt ook expliciet
aandacht besteed aan de omgang met scheidende en vaak strijdende ouders, en is er aandacht
voor een aantal relevante juridische aspecten rondom de ondersteuning van kinderen van
gescheiden ouders. Deze richtlijn is in prettig toegankelijke taal geschreven, waarbij rekening is
gehouden met de diversiteit aan achtergronden van de gebruikers.
Scheiding van de ouders is in de jeugdhulp en jeugdbescherming vaak niet de primaire reden
dat jeugdigen worden aangemeld. Wanneer de scheiding een rol speelt in hun problematiek,
behoeven deze jeugdigen echter wel degelijk een eigen benadering. Het doel van de richtlijn
is dan ook om te komen tot een betere, meer uniforme werkwijze als het gaat om de
onderkenning en signalering van problemen, en de ondersteuning en behandeling van kinderen
en jongeren uit scheidingsgezinnen. Dat de hulp aan scheidingskinderen beter kan, en dat
deze richtlijn daarmee hard nodig is, bewijzen zowel de praktijk als de wetenschap met grote
regelmaat. Ik hoop dan ook dat professionals die met scheiding en jeugdigen te maken hebben
hun voordeel doen met de richtlijn, inclusief deze onderbouwing. Het zal de kwaliteit van hun
professionele handelen verbeteren.
Met vriendelijke groet,
namens de werkgroep Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en
jeugdbescherming,
Dr. Inge van der Valk, voorzitter
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
3
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
4
De belangrijkste aanbevelingen
Gevolgen
1.Neem kennis van de cijfers, de belangrijkste risicofactoren en de belangrijkste gevolgen van
ouderlijke scheiding voor jeugdigen.
2.Neem kennis van het aanbod in de regio aan interventies voor jeugdigen, ouders en
gezinnen. Voorkom een zoektocht naar de juiste hulp.
Interventies
1.Ga bij de intake altijd na of de ouders in scheiding liggen en/of veel ouderlijke conflicten
hebben. Breng de actuele gezinssituatie in kaart door bij de intake beide ouders te
bevragen naar de gezag situatie, woonsituatie en eventuele nieuwe gezinsleden.
2.Als er sprake is van een scheiding of van heftige ouderlijke conflicten, breng dan de
problemen van de jeugdige in kaart. Gebruik een vragenlijst of intakeformulier bij de
jeugdige en beide ouders waarbij aandacht is voor 1. de aard, ernst, fase en het type van
de scheiding en de reactie van de jeugdige hierop; 2. de belangrijkste risicofactoren van de
scheiding voor de jeugdige en 3. de gevolgen van de ouderlijke scheiding voor de jeugdige.
Maak een inschatting van eventuele bijzondere persoonskenmerken, waaronder een lichte
verstandelijke beperking (LVB).
3.Houd bij afwegingen voor (veranderingen in) een bepaalde zorgregeling of een bepaalde
omgangsregeling rekening met het gezinssysteem vóór de scheiding, de ontwikkelingsfase
van de jeugdige, de kwaliteit van de band met de ouders, de woonsituatie, de mate van
conflicten tussen de ouders en het ouderschapsplan.
4.Is er sprake van een scheiding of heftige conflicten tussen de ouders, richt de begeleiding
dan zowel op de ouders als op de jeugdige. Het horen en betrekken van meerdere
informanten (de jeugdige, school, familieleden, huisarts) kan noodzakelijk zijn.
5.Maak ouders ervan bewust dat het voor hun kind belangrijk is dat zij hun conflicten
beheersen. Leer hen dus geen ruzie te maken in het bijzijn van hun kind, en wijs hen erop
dat zij er goed aan doen gezamenlijke afspraken over hun kind te maken. Stimuleer ouders
om deel te nemen aan programma’s die gericht zijn op het leren beheersen van ruzies, op
(familie) mediation en/of op het versterken van hun (ouder)relatie. Of motiveer de ouders
individuele hulp te zoeken.
6.Stimuleer ouders en kinderen van scheidende of gescheiden ouders deel te nemen aan een
programma zoals KIES, !JES het brugproject of Dappere Dino’s. Adviseer zo nodig individuele
hulpverlening.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
5
7.Adviseer aanwezige stiefouders om zich vooral de eerste tijd buiten de opvoeding te
houden. Wijs de biologische ouder op haar/zijn spilfunctie in het nieuwe gezin. Informeer
partners in stiefgezinnen op het bestaan van groepsbijeenkomsten voor (stief)ouders.
Samenwerking
1.Stimuleer en ondersteun ouders om mee te werken door hen altijd allebei uit te nodigen.
Laat hen indien mogelijk gezamenlijk een gesprek voeren in het belang van hun kind en
betrek hen allebei bij de (keuze voor) hulp. Soms is een eerste gesprek met de ouders apart
de enige mogelijkheid.
2.Deel met andere professionals binnen uw organisatie en daarbuiten (denk aan het
onderwijs en het juridisch werkveld) kennis en ervaringen over scheidingsproblematiek.
3.Zoek samenwerking met verschillende professionals (zoals scholen, advocaten, mediators,
rechters etc.), als dat voor de behandeling noodzakelijk is. Stem de behandeling af met de
andere professionals.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
6
Inhoudsopgave
Voorwoord........................................................................................................................................... 3
De belangrijkste aanbevelingen....................................................................................................... 5
Hoofdstuk 1. Inleiding........................................................................................................................ 9
1.1 Introductie..................................................................................................................................10
1.2 Relevantie..................................................................................................................................14
1.3 Gevolgde methode...................................................................................................................16
1.4 Uitgangsvragen per knelpunt.................................................................................................18
1.4.1 Knelpunt: Gevolgen.........................................................................................................18
1.4.2 Knelpunt: Interventies....................................................................................................18
1.4.3 Knelpunt: Samenwerking met ouders en met het netwerk.....................................19
Hoofdstuk 2. Verantwoording en werkwijze................................................................................ 21
2.1 De werkgroep en de klankbordgroep................................................................................... 22
2.2 Dataverzameling...................................................................................................................... 24
2.3 Doelgroep................................................................................................................................. 25
2.4 Beoordeling van wetenschappelijk bewijsmateriaal.......................................................... 25
2.5 Juridische betekenis van de richtlijn..................................................................................... 26
2.6 Gedeelde besluitvorming....................................................................................................... 27
2.7 Diversiteit.................................................................................................................................. 29
2.8 Veranderingen in de zorg....................................................................................................... 29
2.9 Bijstelling en herziening van de richtlijn............................................................................... 29
2.10 Leeswijzer................................................................................................................................ 29
2.11 Omschrijving van de gebruikte begrippen......................................................................... 30
2.12 Competenties jeugdprofessional......................................................................................... 31
Hoofdstuk 3. Gevolgen van een ouderlijke scheiding voor jeugdigen...................................... 37
3.1 Feiten en cijfers over jeugdigen en scheiding...................................................................... 38
3.2 De belangrijkste gevolgen voor jeugdigen........................................................................... 38
3.3 Ernstige gevolgen.................................................................................................................... 40
3.4 (Stief)broers en (stief)zussen en stiefouders...................................................................... 48
3.5 Risicofactoren........................................................................................................................... 49
3.6 Conclusies..................................................................................................................................51
3.7 Overige overwegingen............................................................................................................ 52
3.8 Aanbevelingen.......................................................................................................................... 53
Hoofdstuk 4. Interventies voor jeugdigen met gescheiden ouders.......................................... 55
4,1 Advies over de mate van contact met beide ouders.......................................................... 56
4.2 Algemene adviezen naar leeftijd van de jeugdigen............................................................ 61
4.3 Zorg aan jeugdige en/of aan ouders..................................................................................... 64
4.4 Interventies.............................................................................................................................. 65
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
7
4.4.1 Interventies gericht op jeugdigen................................................................................ 67
4.4.2 Effecten van interventies gericht op jeugdigen......................................................... 69
4.4.3 Onderzoek naar in Nederland beschikbare interventies......................................... 72
4.4.4 Interventies gericht op ouders en gezinnen.............................................................. 76
4.4.5 Effecten van oudergerichte interventies.................................................................... 76
4.4.6 Interventies gericht op relatie-ondersteuning.......................................................... 80
4.5 Conclusies met betrekking tot de vragen over interventies.............................................. 83
4.6 Overige overwegingen............................................................................................................ 87
4.7 Aanbevelingen.......................................................................................................................... 89
Hoofdstuk 5. Samenwerking met ouders en met het netwerk................................................. 91
5.1 Inleiding..................................................................................................................................... 92
5.2 Omgaan met ouders............................................................................................................... 93
5.3 Noodzakelijke kennis van de beroepskracht....................................................................... 97
5.3.1 Juridische aspecten........................................................................................................ 98
5.3.2 Relationele aspecten................................................................................................... 101
5.3.3 Ouderschapsaspecten................................................................................................ 103
5.3.4 Veiligheidsaspecten......................................................................................................110
5.4 Samenwerken in de begeleiding van ouders en jeugdigen..............................................112
5.5 Conclusies met betrekking tot de vragen over samenwerking met ouders en met het netwerk.119
5.6 Overige overwegingen...........................................................................................................121
5.7 Aanbevelingen........................................................................................................................ 122
Hoofdstuk 6. Aandacht voor diversiteit en specifieke doelgroepen....................................... 125
6.1 Diversiteit.................................................................................................................................126
6.1.1 Bereiken van allochtone ouders..................................................................................127
6.1.2 Alleenstaand ouderschap........................................................................................... 128
6.1.3 Steun vinden in het informele netwerk..................................................................... 129
6.2 Hulpverlening aan mensen met een licht verstandelijke beperking.............................. 130
6.3 Conclusies............................................................................................................................... 130
6.4 Aanbevelingen.........................................................................................................................131
Literatuur......................................................................................................................................... 133
Bijlagen
Bijlage 1. I nterventies bij de Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor
jeugdhulp en jeugdbescherming................................................................................. 145
Bijlage 2. Evidencetabellen Scheiding en problemen van jeugdigen...................................... 181
Bijlage 3. Mogelijke effecten van scheiding voor jeugdigen naar leeftijd.............................. 187
Bijlage 4. Enkele juridische en andere belangrijke begrippen................................................. 191
Bijlage 5. Instrumenten om PAS te meten.................................................................................. 197
Bijlage 6. Voorbeelden van een ouderschapsplan..................................................................... 201
Bijlage 7. Kennislacunes, ontwikkellacunes en signalen.......................................................... 209
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
8
Hoofdstuk 1
Inleiding
Richtlijn
RichtlijnScheiding
Scheidingen
enproblemen
problemenvan
vanjeugdigen
jeugdigenvoor
voorjeugdhulp
jeugdhulpen
enjeugdbescherming
jeugdbescherming//onderbouwing
onderbouwing//pagina
pagina 99
1.1 Introductie
In Nederland krijgen per jaar bijna 60.000 minderjarige kinderen en nog eens ruim 10 duizend
thuiswonende kinderen van achttien jaar en ouder te maken met de scheiding van hun ouders.
Met scheiding wordt bedoeld: de beëindiging van een relatie tussen twee samenwonende
partners. Die relatie kan een huwelijk, geregistreerd partnerschap of andere samenwoning zijn.
Van ruim een kwart van deze kinderen en jongeren woonden de ouders wel samen maar waren
niet formeel getrouwd.
Er is wereldwijd veel onderzoek verricht naar de gevolgen van een ouderlijke scheiding voor
kinderen. In de VS verschijnt elke tien jaar een meta-analyse over dit onderwerp. In die
overzichten van een groot aantal studies (Amato & Keith, 1991; Amato, 2001; Amato, 2010)
worden de resultaten besproken van wereldwijd uitgevoerd onderzoek. In totaal wordt in die
studies verslag gedaan over vele tienduizenden respondenten: jeugdigen, ouders en andere
opvoeders.
Maar ook anderen hebben in de VS recent uitgebreide overzichtsstudies gepubliceerd (Kim,
2011; Lansford, 2009). In Nederland heeft Spruijt (2009) een literatuurstudie uitgevoerd over
nationaal en internationaal onderzoek over het thema kinderen en scheiding vanaf het jaar
2001.
De resultaten van een uitgebreid lopend Nederlands onderzoek onder ruim 7000 respondenten,
Scholieren en Gezinnen, zijn beschreven door Spruijt en Kormos (2014). In buurland Vlaanderen
zijn recent de uitkomsten van twee grote studies gepubliceerd: Scheiding in Vlaanderen
2011, en het Leuvens Adolescenten en Gezinsonderzoek 2012. Ince (2012) publiceerde een
overzichtsstudie ‘Wat werkt bij scheiding’.
Resumerend kan uit al deze studies worden geconcludeerd dat een ouderlijke scheiding voor
alle kinderen en jongeren moeilijk is. Eveneens is gebleken dat jeugdigen op elke leeftijd met een
scheiding te maken kunnen krijgen, zie tabel 1.
Tabel 1 Thuiswonende scheidingskinderen naar leeftijdsgroep
Leeftijd kinderen
percentage
aantallen
0-4 jaar
15
11.000
5-9 jaar
26
18.000
10-14 jaar
24
17.000
15-17 jaar
16
11.000
18-22 jaar
19
13.000
Totaal
100
70.000
Bronnen: CBS, 2008; S&G, 2010.
Scheidingskinderen wonen zowel in de stad als op het platteland. Gezinnen zonder religieuze
binding scheiden meer, evenals gezinnen met een relatief laag opleidingsniveau. In de laatste
tien jaar is het percentage kinderen, jongens nog iets meer dan meisjes, dat na de scheiding
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / richtlijn / pagina
10
afwisselend bij moeder en bij vader woont (co-ouderschap, al dan niet met nieuwe partners(s))
gestegen naar ongeveer 27 procent. Meer dan de helft van de scheidingskinderen krijgt vroeger
of later te maken met een stiefouder. Dat kan in allerlei varianten. Denk aan een stiefvader die
de hele week in het gezin woont maar ook aan een stiefmoeder die de kinderen in het weekend
bij vader tegenkomen. Het gebeurt relatief zeer weinig (3 procent) dat er in een stiefgezin zowel
kinderen van de moeder als van de vader wonen. Wel krijgen ouders in een stiefgezin nog vaak
een of twee gezamenlijke kinderen. Dit doet zich in ongeveer een derde van die gezinnen voor.
Het percentage scheidingskinderen zonder contact met de uitwonende ouder is in de laatste
tien jaar gedaald tot ongeveer 10 procent. Dat komt in de eerste plaats omdat meer kinderen
in een co-oudersituatie leven en dus regelmatig contact hebben met beide ouders. Als er geen
co-ouderschap is maar als kinderen bij moeder wonen, heeft 15 procent geen contact met
vader. In het geval dat kinderen bij vader wonen heeft eveneens 15 procent geen contact met
moeder. Is het kind erg jong tijdens de scheiding, dan is de kans op geen of weinig contact met
de uitwonende ouder het grootst (Van der Valk & Spruijt, 2013; Spruijt & Kormos, 2014).
Een scheiding is geen losstaande gebeurtenis maar een proces dat meestal enkele jaren in
beslag neemt. Dat proces begint ruim voor de feitelijke scheiding en duurt vaak nog lang daarna.
Veel kinderen ervaren op korte en middellange termijn diverse problemen na een scheiding.
Vergeleken met kinderen uit intacte gezinnen hebben scheidingskinderen ongeveer dubbel zo
veel problemen. De belangrijkste zijn:
-emotionele problemen, zoals depressieve gevoelens, stress, loyaliteitsproblemen, een laag
zelfbeeld en angstgevoelens;
-gedragsproblemen, zoals agressief gedrag, vormen van delinquentie, vandalisme en riskante
gewoonten (roken, blowen, drinken);
-sociale problemen, spanningen in de ouder-kindrelatie (zoals parentificatie en
ouderafwijzing), problemen met vrienden;
-verminderde schoolprestaties (lagere cijfers dan voorheen en terugval naar een lager
schooltype).
Maar jeugdigen van wie de ouders zijn gescheiden ervaren gemiddeld ook problemen op lange
termijn (Amato, 2006; Dykstra, 2000; Lansford, 2009). De belangrijkste gevolgen op lange
termijn zijn:
-een lager eindniveau van de opleiding en minder inkomen;
-een groter risico op depressie inclusief een groter beroep op de hulpverlening;
-een zwakkere band met de (inmiddels oude) ouders;
-een groter eigen scheidingsrisico.
De jeugdprofessional1 wordt vaak geconfronteerd met kinderen en jongeren met gescheiden of
scheidende ouders (Zwikker e.a., 2009). Aangemelde jeugdigen kunnen problemen vertonen op
een of meer van de bovengenoemde gebieden. Vaak is er sprake van comorbiditeit. Ook kan er
sprake zijn van problematiek die al vóór de scheiding aanwezig was.
Onder ‘jeugdprofessionals’ worden zowel ‘gedragswetenschappers’ (psychologen, pedagogen of anderen met een
gedragswetenschappelijke opleiding) bedoeld als hbo-opgeleide ‘jeugdzorgwerkers’. Zij staan over het algemeen
geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Met sommige aanbevelingen kunnen beide groepen hun voordeel
doen, andere zijn vooral van toepassing op jeugdzorgwerkers of juist op gedragswetenschappers. Waar dit
onderscheid van belang is, wordt specifiek over gedragswetenschappers dan wel over jeugdzorgwerkers gesproken.
1
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
11
De fase van de intake is erg belangrijk. Omdat scheiding en ouderschap na scheiding complex is
en de problematiek per jeugdige verschillend kan zijn, zal de hulpverlening ook gericht moeten
zijn op grondige diagnostiek van de scheidingssituatie en op een systeemgerichte behandeling.
Voor een overzicht van mogelijke problemen, zie CAP-J (NJi, 2009) – een classificatiesysteem
voor de problematiek van cliënten in de jeugdhulp en jeugdbescherming. In de CAP-J wordt een
groep problemen beschreven die te maken heeft met een instabiele opvoedingssituatie, zoals
bij scheiding van de ouders en bij de vorming van een stiefgezin. Ook kan de escalatieladder
van Glasl (2001) worden gebruikt, om met de ouders duidelijk te krijgen in welke fase van het
scheidingsproces zij zich bevinden.
Gezien de relatief hoge scheidingscijfers in onze samenleving is het van belang dat professionals
in de jeugdhulp en jeugdbescherming op de hoogte zijn van de risicofactoren en gevolgen van
ouderlijke scheiding voor kinderen. Daarnaast is kennis nodig ten aanzien van de wijze waarop
professionals scheidingskinderen en gescheiden ouders het beste kunnen ondersteunen. Ook
moeten beroepskrachten kennis hebben van de actuele ontwikkelingen in de praktijk en in het
beleid rondom dit thema. Er bestaan protocollen, voorzieningen en enkele erkende interventies
om de nadelige gevolgen van scheiding voor kinderen te beperken. De wetgeving met
betrekking tot kinderen en scheiding is in 2009 opnieuw gewijzigd. Er zijn echter aanwijzingen
dat de situatie voor scheidingskinderen de laatste jaren desondanks niet positiever is geworden.
Een richtlijn voor de jeugdhulp en jeugdbescherming hoe om te gaan met de problematiek
van scheidingskinderen kan de situatie voor deze kinderen in de toekomst verbeteren. De
focus is dat de professional competent is. Dit vraagt specifieke kennis en vaardigheden van de
professional in het handelen en omgaan met kinderen en ouders die te maken hebben met
scheidingsproblematiek.
Wat willen ouders en jeugdigen?
‘Professionals moeten er voor zorgen dat de kinderen niet de dupe worden. Zij moeten
het belang van de kinderen in de gaten houden. Ouders en kinderen krijgen tijdens het
scheidingsproces nu vooral te maken met advocaten en mediators. Dan gaat het vooral
om alimentatie. Maar het gaat veel verder dan kinderalimentatie. Dat kan je alleen
doen als je een gedegen opleiding hebt gevolgd en dat is geen standaard deel van hun
opleiding. Ik juich het toe dat de wetgeving probeert het belang van kinderen meer
centraal te stellen. Ik had behoefte gehad aan kennis van de ontwikkeling van kinderen
het belang van kinderen tijdens en na de echtscheiding. Er had een psycholoog of
orthopedagoog aan verbonden moeten worden. Ook voor de kinderen zelf had ik achteraf
hulp gewild. Ik vind nu dat je kinderen actief bij dit proces moet betrekken. Dit moet een
gespecialiseerd iemand doen die de kinderen ook kan helpen met hun eigen vragen en
behoeftes.’
Bron: Veldconsultatie
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
12
Amato (2010) geeft een overzicht van de belangrijkste voorspellers van (echt)scheiding en zegt
daar onmiddellijk bij dat dit geen veroorzakers zijn, maar wel inzicht bieden. Hij maakt een
onderscheid tussen:
-
Demografische voorspellers: opgroeien in een scheidingsgezin, huwelijk of samenwonen op
jonge leeftijd (< 20), niet-religieus zijn, al een (voor)kind hebben, een stiefgezin vormen, een
2e of later huwelijk, en verschil in etniciteit.
-
Economische voorspellers: armoede, werkloosheid, een lage opleiding, en het buitenshuis
werken van de vrouw.
-
Interpersoonlijke voorspellers: frequente ruzie en aantal ervaren relatieproblemen, huiselijk
geweld, ontrouw, lage commitment met huwelijk, en weinig liefde en vertrouwen tussen
partners.
Er zijn echter ook positieve factoren die echtscheidingskans kunnen verminderen, zoals
humor, genegenheid, interesse, positieve communicatie, conflicthantering. Tenslotte komt
tegenwoordig steeds vaker de vraag naar voren: zijn er nog andere, achterliggende factoren
die de kans op (echt)scheiding kunnen voorspellen, bijvoorbeeld bepaalde individuele factoren,
zoals genetische? Onderzoek naar genetische factoren geeft weinig houvast: er is hooguit een
zwak verklarende achterliggende genetische factor voor agressie of antisociaal gedrag. Die
factor zou eventueel kunnen leiden tot een grotere kans op scheiding.
Er wordt ook onderzocht of genetische factoren verschillen kunnen verklaren tussen
scheidingskinderen en kinderen uit intacte gezinnen. Uit adoptiestudies blijkt dat genetische
factoren lang niet alle verschillen tussen die twee groepen kinderen kunnen verklaren (Amato &
Cheadle, 2008). Amato (2010) concludeert dat de zogenaamde passieve genetische transmissie
(het rechtstreeks overdragen van bijvoorbeeld agressie) geen rol schijnt te spelen. Wel kan
interactie tussen genetische factoren en de omgeving van belang zijn, bijvoorbeeld dat sommige
kinderen meer last hebben van ouderlijke ruzies rond de scheiding dan andere kinderen
(Nederhof, Belsky, Ormel & Oldehinkel, 2012; Robbers e.a., 2012). Nader onderzoek is nodig.
Het doel van deze richtlijn is dat professionals in de jeugdhulp en jeugdbescherming beschikken
over een uniforme richtlijn voor het onderkennen, signaleren, ondersteunen en behandelen van
problemen van kinderen en hun ouders die in een scheidingssituatie zitten of zijn gescheiden,
zodat zij deskundig met die problematiek kunnen omgaan. Daarnaast is informatie nodig over
welke interventies ingezet kunnen worden om kinderen en ouders te ondersteunen en wat
nodig is om de samenwerking met professionals en organisaties te versterken. In bijlage 7 zijn
lacunes in kennis en in signalen over echtscheidingsproblematiek opgenomen.
De richtlijn bestaat uit:
-de onderbouwing van de richtlijn voor professionals in de jeugdhulp en jeugdbescherming en
voor CJG’s (ook sociale wijkteams, wijkteams Jeugd- en Gezin)
-een richtlijn voor de jeugdprofessionals inclusief drie werkkaarten
-een cliëntversie voor ouders.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
13
1.2 Relevantie
Een uniforme Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming is
om meerdere redenen van belang.
Belang voor jeugdigen
Scheiden zorgt voor de kinderen gemiddeld voor: een verdubbeling van de internaliserende
problemen zoals gevoelens van angst en depressiviteit, een verdubbeling van
gedragsproblemen zoals agressief en delinquent gedrag en drugs- en alcoholgebruik, lagere
schoolprestaties, problemen in vriendschapsrelaties, en een zwakkere band met de ouders,
vooral met de vaders. De gevolgen van scheiding zijn tot ver in de volwassenheid meetbaar.
Het gaat dan vooral om een lager opleidingsniveau, minder inkomen, een groter risico op
depressieve gevoelens, een zwakkere relatie met de ouders (vooral vaders) en een groter eigen
scheidingsrisico. In diverse landen worden vergelijkbare effecten gevonden. Ook kinderen uit
intacte gezinnen met heel veel ruzie zijn kwetsbaar (Amato, 2006; Diekmann & Schmidheiny,
2004; Dronkers & Harkonen, 2008; Spruijt & Kormos, 2010).
In de nota ‘Alle kansen voor kinderen’ (Programmaministerie voor Jeugd en Gezin, 2007) staat
expliciet vermeld dat aandacht zal worden gegeven aan schadelijke gevolgen voor kinderen
bij scheiding. Dat is nodig want hoewel het belang van het kind in diverse nota’s en discussies
centraal lijkt te staan, zijn kinderen nog altijd de zwakste partij bij een scheiding (Amato &
Cheadle, 2008; Emery, 2006; Vanassche, Sodermans & Matthijs, 2008; Spruijt & Kormos, 2010).
Een uniforme richtlijn hoe te handelen bij ernstige problemen van scheidingskinderen en hoe
problemen kunnen worden voorkomen, kan behulpzaam zijn om in de toekomst problemen
voor kinderen te verzachten. Het beschikbaar komen van programma’s voor scheidingskinderen
en andere interventies in het gehele land zal hierdoor worden gestimuleerd.
Belang voor ouders
Ouderlijke scheiding, al dan niet na een formeel huwelijk, komt tegenwoordig steeds meer
voor. Moeders en vaders zijn dan meestal sterk op zichzelf betrokken. Het is belangrijk dat zij
hun kinderen en de opvoeding niet te veel uit het oog verliezen. Dat willen zij niet maar ouders
worden desondanks soms te veel in beslag genomen door de scheiding. Voor de kinderen
is de periode voor, tijdens en na de scheiding mede daardoor niet gemakkelijk en vaak vol
met onzekerheden. Bij een scheiding moet ook veel worden geregeld op diverse terreinen:
emotioneel, relationeel, pedagogisch, psychologisch, materieel/financieel en juridisch. In de
wetgeving neemt de laatste jaren de aandacht voor beide ouders merkbaar toe. In de wet van
2009 staat gelijkwaardig ouderschap na de scheiding centraal. Tegelijkertijd wint het inzicht veld
dat veel ouders kunnen en moeten worden ondersteund om de ouderlijke scheiding zo goed
mogelijk te verwerken. Bovendien zijn zij wettelijk verplicht om een ouderschapsplan te maken.
Voor veel scheidende ouders is dat in die periode een moeilijke opgave.
Belang voor beroepsopvoeders en hulpverleners
Steeds meer beroepskrachten krijgen in hun werk te maken met scheidende of gescheiden
ouders en hun kinderen. Dat geldt voor professionals in bijvoorbeeld de (gezondheids)zorg,
de hulpverlening, het juridisch werkveld, het onderwijs, de overheid, en ook de voorlichting &
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
14
advisering. De laatste jaren zijn er regelmatig veranderingen in de wetgeving geweest en komen
steeds meer resultaten uit wetenschappelijk onderzoek beschikbaar. Een belangrijk doel van de
richtlijn is om de genoemde beroepskrachten en hen die daarvoor in opleiding zijn op de hoogte
te stellen van de stand van zaken op het gebied van scheiden en de kinderen. Indien nodig
kunnen zij, met die kennis gewapend, scheidingskinderen en hun ouders beter behulpzaam zijn.
Maatschappelijk belang
Behalve voor de betrokkenen zelf hebben de negatieve langere- en langetermijngevolgen ook
nadelen voor de samenleving. Gescheiden mannen en vrouwen en kinderen zijn bijvoorbeeld
tot lang na de scheiding relatief grote zorggebruikers en dus duur voor de samenleving (Kunst,
Meerding, Varenik, Polder & Mackenbach, 2007). De veel gehoorde opvatting dat de gevolgen
van scheiding voor kinderen langzamerhand minder negatief worden, omdat scheiding steeds
meer wordt geaccepteerd, wordt niet door onderzoek bevestigd. Amato (2001) stelde voor
de VS vast dat - tegen zijn verwachting in - de negatieve gevolgen voor kinderen in de jaren
negentig niet minder waren geworden vergeleken met de jaren tachtig. Nederlands onderzoek
toont aan dat de negatieve gevolgen voor kinderen na de wetswijzigingen in 1998 en 2009
eveneens niet zijn afgenomen (Metz & Schulze, 2007; Spruijt, 2007; Spruijt & Kormos, 2014)).
De maatschappelijke schade die een ouderlijke scheiding veroorzaakt moet niet worden
onderschat. Veel van de problematiek van jeugdigen waar hulpverleners mee te maken krijgen,
is mede gerelateerd aan het uiteenvallen van het ouderlijk gezin.
Tenslotte is er ook een financieel belang. Een (vecht)scheiding heeft voor alle betrokkenen en
vooral voor kinderen diverse korte en lange termijn gevolgen. De meeste van deze gevolgen
hebben grote financiële consequenties. Een Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen
voor jeugdhulp en jeugdbescherming kan helpen om de maatschappelijke kosten van scheiding
te verminderen, hoewel moeilijk is aan te geven om hoeveel geld dat zal gaan. Doek en ChinA-Fat (2002) concludeerden dat alleen al invoering van scheidingsbemiddeling tot aanzienlijke
besparing zal leiden, hoewel meer onderzoek naar de kosten van scheiding dringend nodig
is. In de VS zijn verschillende studies verricht naar mogelijk kostenbesparende effecten van
hulpverlening na scheiding (Caldwell, Woolley & Caldwell, 2007; Emery, 2006). Hoewel zeker niet
zonder meer vergelijkbaar, is hun conclusie indicatief en interessant. Zij stellen dat in de VS een
gemiddelde scheiding in 2007 de samenleving ongeveer 30 duizend dollar kostte. Dat zijn dan
directe kosten zoals sociale steun, juridische kosten en huisvesting, en indirecte kosten zoals
hogere criminaliteit, mishandeling, verslavingen en medische hulp. Om een indruk te krijgen van
de maatschappelijk kosten van echtscheidingen in Nederland, zou dat gaan om ongeveer 800
miljoen euro per jaar (25.000 x 33.000). De kosten van de ontbinding van samenwoonrelaties is
daar dan nog niet meegerekend. Het is aan te bevelen in Nederland onderzoek te doen naar de
maatschappelijke kosten van (echt)scheiding en naar de besparende effecten van hulpverlening
gedurende de periode van ouderlijke scheiding.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
15
1.3 Gevolgde methode
Onderwerpkeuze en samenstelling uitgangsvragen
Onderwerpen voor richtlijnontwikkeling werden meestal aangedragen door professionals in
jeugdhulp en jeugdbescherming. Ze betroffen problemen die jeugdprofessionals in hun werk
tegenkomen. Prioritering vond plaats op basis van urgentie en omvang van het betreffende
probleem. Ook werd bekeken of het onderwerp wel geschikt was om een richtlijn voor uit te
brengen. Vervolgens werden twee gestructureerde brainstormsessies georganiseerd met
jeugdprofessionals, wetenschappers en cliënten in jeugdhulp en jeugdbescherming. Tijdens
deze sessies werden onderwerp en de daarin optredende knelpunten zorgvuldig afgebakend
en geanalyseerd. Uiteindelijk leidde dit tot een zogenaamde ‘informatiekaart’ met daarop de
belangrijkste knelpunten en uitgangsvragen die in de richtlijn beantwoord moeten worden.
Commentaarfase
Een eerste versie van de richtlijn is voor commentaar voorgelegd aan de volgende partijen:
-De Richtlijnadviescommissie jeugdhulp en jeugdbescherming (RAC-J) heeft de richtlijn
bekeken vanuit het perspectief van het projectplan en de opdrachtverstrekking, en heeft
globaal de inhoud en de geschiktheid voor de proefinvoering beoordeeld.
-De beroepsverenigingen NIP, NVO en NVMW hebben zich gebogen over de tekst van de
richtlijn en de daarbij behorende onderbouwing.
-Defence for Children Nederland heeft advies uitgebracht over de mate waarin de richtlijn
overeenstemt met het VN-verdrag inzake de Rechten van het Kind.
-Het expertisecentrum van de William Schrikker Groep is nagegaan of de richtlijn en
aanbevelingen ook van toepassing zijn op kinderen en jeugdigen met een verstandelijke
beperking.
Alle feedback is daarna door de ontwikkelaars gewogen. Dit heeft in veel gevallen tot aanpassing
van de richtlijn geleid. Waar dit niet is gebeurd, is dit door de ontwikkelaars in een separaat
document gemotiveerd.
Proefimplementatie
Aan de invoering van de richtlijn is een proefimplementatie voorafgegaan. Voor elke
proefinvoering is een invoerteam geformeerd. Dit team stelde jeugdprofessionals in staat de
richtlijn op proef uit te proberen in een context die voor de richtlijn relevant was. Uiteindelijk
hebben drie teams, verdeeld over drie organisaties binnen de jeugdhulp, gedurende drie
maanden de richtlijn uitgeprobeerd. In totaal hebben ongeveer 50 professionals meegedaan
met de proefimplementatie.
Door een tijdlang op proef met een richtlijn te werken, is bekeken of een richtlijn voldeed. Waren
de aanbevelingen die erin worden gedaan bijvoorbeeld concreet genoeg? Konden de professionals
in de dagelijkse praktijk met de richtlijn uit de voeten? En hoe kon de invoering van de richtlijn
worden vergemakkelijkt? Op dergelijke vragen moest de proefinvoering antwoord geven.
Een proefinvoering werd daarom steeds nauwkeurig voorbereid. Eerst werd, in samenspraak
met de ontwikkelaar, vastgesteld wat de kernelementen van de richtlijn zijn zodat duidelijk was
op welke punten geëvalueerd moest worden. Vervolgens kregen de organisaties die op proef
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
16
met de richtlijn gingen werken een voorbereidings- en instructiebijeenkomst. Daarna ging de
proefperiode van drie maanden in. Gedurende deze periode hielden de jeugdprofessionals aan
de hand van een registratieformulier bij welke onderdelen van de richtlijn ze konden toepassen,
en welke problemen ze daarbij eventueel tegenkwamen. Zo werden ervaringen in het werken
met de richtlijn nauwkeurig in kaart gebracht.
Alle teams die de richtlijn hebben uitgeprobeerd werden na afloop van de proefperiode
geïnterviewd in een focusgroep. Ook is een aantal cliënten en iemand van het management
gevraagd naar hun bevindingen. De uitkomsten van de evaluatie zijn teruggegeven aan de
richtlijnontwikkelaars. Zij konden indien nodig de richtlijn verder aanscherpen. Na autorisatie
door de beroepsverenigingen kon de richtlijn vervolgens worden verspreid en ingevoerd volgens
een algemeen invoerplan voor alle richtlijnen.
Betrokkenheid van cliënten bij de ontwikkeling van de richtlijn
Cliënten zijn gedurende het hele proces bij de ontwikkeling van de richtlijn betrokken geweest. Zo
hebben ze hun voorkeuren aangegeven bij het bepalen van de uitgangsvragen. Daarnaast hebben
ze tijdens de proefimplementatie hun ervaringen met het werken vanuit de richtlijn kenbaar
gemaakt. Verder is er een werkgroep van ervaringsdeskundigen (de zogenaamde ‘cliëntentafel’)
geformeerd. De cliënten zijn door het Landelijk Cliëntenforum Jeugdzorg (LCFJ2) benaderd.
De cliëntentafel is tijdens de ontwikkeling van de richtlijn geraadpleegd als er vragen waren.
Door mee te denken over inhoud en formulering hebben de cliënten een grote bijdrage geleverd
aan de praktische bruikbaarheid van de richtlijn. Dit geldt met name voor aspecten als de
ongelijkheid tussen hulpverlener en cliënt, de ouder- en opvoedingsrelatie en zorgen om de
jeugdige. De cliëntentafel heeft geadviseerd om hulpverlening vanuit de richtlijn te baseren op
gedeelde besluitvorming. Om cliënten te informeren over de inhoud van de richtlijn, zodat zij,
samen met de professional, afwegingen kunnen maken en beslissingen kunnen nemen die hen
aangaan over de hulp, is bovendien een cliëntversie van deze richtlijn ontwikkeld. Deze is van
commentaar voorzien door de cliëntentafel.
Totstandkoming aanbevelingen
De aanbevelingen volgen uit de conclusies en de overige overwegingen. De conclusies zijn
weer gebaseerd op de beschikbare ‘evidence’. Dit is een ruim begrip. ‘Evidence’ behelst
namelijk niet alleen wetenschappelijk bewijs, maar ook de consensus over het onderwerp in
de praktijk en de voorkeur van cliënten. Naast de laatste twee zijn ook andere zogenaamde
‘overige overwegingen’ van belang. Hieronder vallen zaken als gezondheidswinst, bijwerkingen
en risico’s. Aanbevelingen komen dus niet uit de lucht vallen. Ze zijn gebaseerd op de
wetenschappelijke literatuur, de praktijkkennis van hulpverleners, de voorkeuren van cliënten
en overige overwegingen.
2
Het LCFJ is april 2012 gefuseerd met LOC zeggenschap in zorg.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
17
1.4 Uitgangsvragen per knelpunt
Er is begonnen met een knelpuntenanalyse die tot stand is gekomen op basis van twee
denksessies met deskundigen begeleid door de argumentenfabriek. Deze analyse heeft geleid
tot het vaststellen van drie knelpunten: gevolgen, interventies en samenwerking. Met deze drie
knelpunten als uitgangspunt is een aantal specifieke vragen geformuleerd door de deskundigen
in de denksessies. In de werkgroep vergaderingen zijn die vragen besproken, aangevuld en
aangepast. Tenslotte hebben opmerkingen uit de diverse commentaarrondes geleid tot een
aantal specificaties en verbeteringen. De definitieve uitgangsvragen gerangschikt naar knelpunt,
zien er dan als volgt uit.
1.4.1 Knelpunt: Gevolgen
Knelpunt: Hulpverleners hebben weinig kennis over de gevolgen voor jeugdigen van een
ouderlijke scheiding.
Uitgangsvragen ‘gevolgen’:
1.1 Wat kunnen de gevolgen van een ouderlijke scheiding zijn voor kinderen en jongeren?
1.2Waaraan kunnen ernstige problemen bij jeugdigen na een scheiding (inclusief
loyaliteitsproblemen, parentificatie, oudervervreemding en ouderverstoting) worden
herkend en hoe kunnen ernstige problemen worden gedefinieerd?
1.3Hoe vaak komen ernstige problemen rond de scheiding voor?
1.4 Wanneer zijn – voor verschillende leeftijdsgroepen – de gevolgen van de gehele
scheidingsperiode (aanloop, scheiding en nasleep) reden tot zorg in de jeugdhulp en
jeugdbescherming, op de consultatiebureaus en in de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG)?
1.5 Wat zijn – voor verschillende leeftijdsgroepen – de mogelijke gevolgen als een jeugdige
wordt gescheiden van broers en/of zussen?
1.6Wat zijn – voor verschillende leeftijdsgroepen – de mogelijke gevolgen als een jeugdige met
anderen in een stiefgezin komt te wonen?
1.7Wat zijn de belangrijkste risicofactoren voor het ontwikkelen van ernstige problemen door
jeugdigen bij een scheiding?
1.4.2 Knelpunt: Interventies
Knelpunt: Hulpverleners weten onvoldoende hoe zij jeugdigen met gescheiden ouders het
beste kunnen helpen..
Uitgangsvragen ‘interventies’:
2.1Welke afwegingen zijn van belang bij de keuze voor een bepaalde verdeling van de zorgen opvoedingstaken (zorgregeling) of voor een bepaalde omgangsregeling die past bij de
ontwikkeling van een jeugdige?
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
18
2.2 Welke regeling is gangbaar en welke regeling is het beste voor jeugdigen?
2.3Wat zijn – voor verschillende leeftijdsgroepen – effectieve vormen van (preventieve)
ondersteuning en wat is het doel van die vormen van ondersteuning?
2.4Wat zijn – voor verschillende leeftijdsgroepen – effectieve interventies bij
scheidingsgerelateerde problematiek en wat is het doel van die interventies?
2.5Welk aanbod van ondersteuning en preventie is bij hulpverleners bekend? Hoe lang mag
een interventie (maximaal) duren, rekening houdend met de gestelde doelen? Wat is bekend
over de kosten(effectiviteit) van interventies?
1.4.3 Knelpunt: Samenwerking met ouders en met het netwerk
Knelpunt: Hulpverleners zijn afhankelijk van scheidende ouders en van andere partijen.
Uitgangsvragen ‘samenwerking’:
3.1 Hoe kunnen hulpverleners omgaan met ouders die niet willen meewerken?
3.2 Hoe kunnen ouders betrokken worden bij en omgaan met hun kind in en na een scheiding?
3.3Welke kennis heeft een beroepskracht nodig om ouders te kunnen adviseren over het
hulpaanbod?
3.4Hoe kunnen hulpverleners buiten ouderlijke conflicten blijven en ouders motiveren hun
onderlinge conflicten te beheersen?
3.5Hoe kunnen hulpverleners omgaan met een eventuele nieuwe partner van moeder en/of
vader?
3.6Hoe kunnen hulpverleners optimaal samenwerken met andere beroepskrachten die bij het
gezin betrokken zijn? Denk aan juristen/advocaten, rechters, CJG, school en kinderopvang.
3.7 Wat is nodig in de ketensamenwerking rondom de jeugdige en zijn3 ouders?
3
In deze richtlijn wordt met het oog op de leesbaarheid verder alleen de mannelijke vorm gehanteerd. Maar waar ‘hij’
staat kan uiteraard ook ‘zij’ worden gelezen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
19
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
20
Hoofdstuk 2
Verantwoording
en werkwijze
Richtlijn
RichtlijnScheiding
Scheidingen
enproblemen
problemenvan
vanjeugdigen
jeugdigenvoor
voorjeugdhulp
jeugdhulpen
enjeugdbescherming
jeugdbescherming//onderbouwing
onderbouwing//pagina
pagina 21
21
2.1 De werkgroep en klankbordgroep
De Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming is
ontwikkeld door de werkgroep en het projectteam.
De leden van de werkgroep zijn:
Werkgroep
Dr. Inge van der Valk
Voorzitter en Universitair docent afdeling Jeugd en Gezin,
Faculteit Sociale Wetenschappen, Universiteit Utrecht.
Dr. Ed Spruijt
Scheidingsonderzoeker, Faculteit Sociale Wetenschappen,
Universiteit Utrecht.
Drs. Annelies Hendriks
Lid namens het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP
Drs. Liesbeth Groenhuijsen
Lid namens de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en
Onderwijskundigen (NVO).
Ineke Gualthérie van Weezel
Lid namens de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk
Werkers (NVMW).
Drs. Inge Anthonijsz
Projectleider en senior adviseur, Nederlands Jeugdinstituut
(NJi).
De werkgroep heeft bij de aanvang de kaders voor de richtlijn vastgesteld en de uitgangsvragen
aangescherpt. De werkgroep heeft vervolgens in twee rondes feedback gegeven op de
literatuur, de ontwikkeling van de teksten, conclusies en aanbevelingen. Bovendien hebben de
werkgroep leden per mail diverse bijdragen geleverd.
Bij de ontwikkeling van de richtlijn is de werkgroep ondersteund door een projectteam bestaande
uit:
Projectteam
Drs. Inge Anthonijsz
Projectleider en senior adviseur (NJi).
Dr. Ed Spruijt
Scheidingsonderzoeker Universiteit Utrecht, Faculteit
Sociale Wetenschappen.
Drs. Niels Zwikker
Senior adviseur, Nederlands Jeugdinstituut (NJi).
Cécile Chênevert, MSc
Projectmedewerker, Nederlands Jeugdinstituut (NJi).
Dorrit van Tessel
Managementassistent, Nederlands Jeugdinstituut (NJi).
Anne-Eva van der Mark
Masterstudent Maatschappelijke Opvoedingsvraagstukken,
Universiteit Utrecht
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
22
De tekst is in twee commentaarrondes (een bijeenkomst en één mailronde) voorgelegd aan een
klankbordgroep met vertegenwoordigers van de jeugdhulp, het preventieve veld zoals CJG en de
opvoedpoli, programma-eigenaren van interventies, het onderwijs en de cliëntentafel.
De klankbordgroep had als taak aanvullende kennis aan te dragen vanuit de praktijk (in aanvulling
op literatuur of in plaats van literatuur, daar waar evidence ontbreekt). Bovendien waar mogelijk en
nodig differentiatie aan te brengen in de uitvoering van de richtlijn naar leeftijd, sekse en etniciteit,
en differentiatie in de toepassing van de richtlijn voor jeugdigen met een licht verstandelijke
beperking. Daarnaast is aan klankbordleden gevraagd aanbevelingen te formuleren.
De klankbordgroep bestond uit de volgende leden:
Klankbordgroep
Drs. Birgitte Beelen
Directeur SYNTAGMA Psychologie Mediation Coaching
Training Advies.
Drs. Louise Colen
Manager Ambulatorium, Juzt.
Erik Derks
Maatschappelijk werker, NIM Maatschappelijk Werk.
Els Edelbroek
Leerkracht primair onderwijs.
Erik de Graaff
Zorgmanager, afdeling Hulp bij scheiding, Juzt.
Marty Hazeleger
Teamleider Jeugdbescherming Gelderland (voorheen
Bureau Jeugdzorg).
Drs. Saskia Koning
Directeur-oprichter Stichting Jonge Helden,
Projectcoördinator Gezin en verlies Humanitas Almere.
Drs. Arga Kramer
Gedragswetenschapper Samen DOEN, Altra Jeugdzorg.
Michel Krijnsen
Gedragswetenschapper Samen DOEN, Altra Jeugdzorg.
Johan Schuurman
Projectleider, BOR Humanitas.
Drs. Gezina Topper
Voorzitter Cliëntenraad Willem Schrikker Groep.
Suzanne Verdoold
Zorgcoördinator, VMBO Groenhorst.
Els Verweij
Directeur, Opvoedpoli en Care-Express Utrecht.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
23
2.2 Dataverzameling
In de nota ‘Alle kansen voor kinderen’ (Programmaministerie voor Jeugd en Gezin, 2007) staat
expliciet vermeld dat aandacht zal worden gegeven aan schadelijke gevolgen voor kinderen
bij echtscheiding. Uit de ‘Onderzoeks-inventarisatie Jeugd en Gezin’ (PON, 2008) blijkt dat het
thema kinderen en echtscheiding in geen enkel wetenschappelijk onderzoeksprogramma in
Nederland expliciet is opgenomen. Voor het literatuuronderzoek ten behoeve van deze richtlijn
wordt het belangrijkste nationale en internationale sociaalwetenschappelijk onderzoek over
scheidingskinderen vanaf de eeuwwisseling samengevat en besproken. De belangrijkste methode
van onderzoek is het selecteren van relevante wetenschappelijke studies. Diverse bronnen zijn
gebruikt:
-Allereerst is de kenniscollectie van het Nederlands Jeugdinstituut geraadpleegd. Bij de
ontwikkeling van de richtlijn is gebruik gemaakt van de dossiers ‘Eenoudergezin’, ‘Gezinnen’,
‘Samengesteld gezin’ en ‘Scheiding’. Daarnaast is gebruik gemaakt van stukken met kennis
over wat werkt bij een bepaald probleem. Het betreft:
- Wat werkt bij scheiding? (Inch, 2012);
- Wat werkt bij jeugdigen met gedragsstoornissen? (Boendermaker & Ince, 2010);
- Wat werkt bij jeugdigen met een licht verstandelijke beperking? (Zoon, 2012);
- Ouderschap blijft (Anthonijsz, Chênevert, Van Geffen, Goorden & De Lange, 2012);
-Verkennende studie relatie-ondersteunend aanbod Centra Jeugd en Gezin (Anthonijsz,
Berg-le Clercq & Chênevert, 2010).
-Voor al deze documenten heeft het Nederlands Jeugdinstituut een uitgebreide search
uitgevoerd. Hierbij is onder meer gezocht in databases als PsychINFO, Cochrane
Collaboration, Picarta, Campbell Collaboration, Google Scholar en Google Books.
-Verder zijn geraadpleegd: de al verschenen literatuurstudies ‘Het verdeelde kind’ (Spruijt,
Kormos, Burggraaf & Steenweg, 2002), ‘Scheidingskinderen’ (Spruijt, 2007), ‘Kinderen en
echtscheiding, State-of-the-art’ (Spruijt, 2009), ‘Kinderen uit nieuwe gezinnen’ (Haverkort
& Spruijt, 2012) en ‘Handboek scheiden en de kinderen’ (Spruijt & Kormos, 2010; Spruijt &
Kormos, 2014).
-Ook is informatie verzameld bij Nederlandse en buitenlandse onderzoekers en deskundigen
op het terrein van jeugd en gezin.
-Bovendien zijn diverse websites van recente congressen over jeugdigen en scheiding
geraadpleegd, zoals The International Conference on Children and Divorce in Norwich,
UK (2006) en The Sixth Meeting of the European Network for the Study of Divorce in Oslo,
Noorwegen (2008).
De selectie van studies uit de elektronische bestanden vond plaats op basis van trefwoorden
en auteurs. Voorbeelden van trefwoorden zijn: kinderen en scheiding, scheiding en wetgeving,
omgangsregelingen, geslacht en leeftijd van de kinderen, eenoudergezinnen, moeder-,
vader-, en co-oudergezinnen, stiefgezinnen, intergenerationele overdracht, ouderafwijzing,
oudervervreemding en ouderverstoting, preventieve maatregelen en interventies. Voorbeelden
van auteurs zijn: Amato, Anthonijsz, Boele-Woelki, CBS, Dronkers, Dykstra, De Graaf, King,
Kelly, Spruijt, Van der Valk, Vlaardingerbroek. Tenslotte zijn voor deze studie relevante
Nederlandse onderzoekers via email benaderd met de vraag naar de in hun ogen belangrijkste
wetenschappelijke studies over kinderen en scheiding.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
24
Belangrijk criterium voor de selectie van een studie is - naast de inhoudelijke informatie - de
gevolgde methode van onderzoek. Behalve dat studies uiteraard dienen te voldoen aan de
gangbare wetenschappelijke criteria, krijgen longitudinale studies en meta-analyses meer
gewicht. Ook is een aantal gesprekken gevoerd met ter zake deskundigen uit verschillende
disciplines en relevante beleidsterreinen.
In de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het NJi zijn drie goed onderbouwde interventies
opgenomen voor kinderen en ouderlijke scheiding: !JES het brugproject, KIES en Dappere Dino’s.
Bovendien is opname in de databank aangevraagd door enkele andere programma’s zoals
Zandkastelen. Interventies voor ouders die zijn aangemeld zijn Ouderschap Blijft en Ouderschap
na Scheiding (ONS). Ook de literatuur die gebruikt en vermeld is bij deze interventies is
bestudeerd.
Bij de literatuursearch van de verschillende uitgangsvragen is niet expliciet gezocht naar kennis
over jeugdigen met een lichtverstandelijke beperking. Voor zover binnen de gevonden literatuur
informatie naar voren kwam over deze doelgroep, is dit meegenomen bij de beantwoording
van de vraag. Deze informatie kwam echter zeer beperkt naar voren. Voor aanvullende kennis
is gebruik gemaakt van het themadossier ‘LVB jeugdigen’ van het Nederlands Jeugdinstituut
en de Richtlijn Effectieve Interventies LVB van het Landelijk kenniscentrum LVG (De Wit, Moonen
& Douma, 2011). De Richtlijn Effectieve Interventies LVB is gebaseerd op een literatuurstudie
en interviews met deskundigen op het gebied van behandeling van jeugdigen met een LVB.
Daarnaast is de klankbordgroep gevraagd naar hun ervaringen in de toepassing van de richtlijn
bij jeugdigen met een licht verstandelijke beperking.
Naar de vraag in hoeverre bij de toepassing van de richtlijn rekening moet worden gehouden
met diversiteit in etnische achtergrond is geen aparte literatuurstudie verricht. Voor zover dit
uit de aangegeven literatuur naar voren komt is dit weergegeven in de richtlijn. Aangezien er
slechts minimaal informatie beschikbaar is over differentiatie op basis van diversiteit in etnische
achtergrond in de bestudeerde literatuur, is deze vraag voorgelegd aan de klankbordgroep. In
twee rondes hebben deskundigen hierop een practice-based antwoord geformuleerd.
2.3 Doelgroep
De richtlijn (inclusief onderbouwing en werkkaarten) is primair bedoeld voor jeugdprofessionals.
Zij moeten ermee kunnen werken. Daarnaast is van de richtlijn een aparte cliëntversie gemaakt.
Deze is primair bedoeld voor de cliënten: de jeugdigen en hun ouders.
2.4 Beoordeling van wetenschappelijk bewijsmateriaal
Om de kwaliteit van wetenschappelijk bewijsmateriaal te kunnen beoordelen, is de
systematiek van de Erkenningscommissie (Jeugd)interventies gevolgd (Van Yperen & Van
Bommel, 2009). Deze methode is toegesneden op de onderzoekspraktijk die in de jeugdhulp
en jeugdbescherming gangbaar is. Volgens deze methode worden bij de beoordeling van het
wetenschappelijke materiaal zeven niveaus onderscheiden. Deze lopen uiteen van ‘zeer sterk
bewijs’ tot ‘zeer zwak bewijs’. De conclusies die uit de beoordeling van de wetenschappelijke
studies voortvloeien, zijn weer in drie niveaus in te delen. Deze niveaus corresponderen met
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
25
die van de Databank Effectieve Jeugdinterventies (DEJ). Voor de beoordeling van studies die niet
over interventies gaan, is een ander passend beoordelingskader gebruikt.
2.5 Juridische betekenis van de richtlijn
Deze richtlijn beschrijft wat onder goed professioneel handelen wordt verstaan. De kennis
die tijdens het schrijven van de richtlijn beschikbaar was, vormt hierbij het uitgangspunt. Het
gaat over kennis gebaseerd op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, maar ook over
praktijkkennis en de voorkeuren van cliënten. Door deze kennis in kaart te brengen wil de
richtlijn jeugdprofessionals houvast bieden. Het idee is dat zij de kwaliteit van hun beroepsmatig
handelen vergroten als ze de richtlijn volgen. Ook kan de richtlijn cliënten helpen om de juiste
keuzes te maken.
Richtlijnen zijn geen juridische instrumenten. Dat wil zeggen dat ze geen juridische status
hebben, zoals een wet, of zoals regels die op een wet gebaseerd zijn. Ze kunnen wel juridische
betekenis hebben. Daarvoor moet de richtlijn allereerst door de beroepsgroep worden
onderschreven. De nu voorliggende richtlijn is aangenomen door drie beroepsverenigingen
(NIP, NVO en NVMW). Deze zijn representatief voor de beroepsgroepen die werkzaam zijn in
de jeugdhulp en jeugdbescherming. Samen werken ze aan het ontwikkelen van richtlijnen.
Maar de juridische betekenis van een richtlijn hangt ook af van diens praktische bruikbaarheid.
De richtlijn moet bijvoorbeeld niet te vaag of te algemeen gesteld zijn. Hij dient aan te geven
waarop hij precies betrekking heeft, zonder zo ‘dichtgetimmerd’ te zijn dat er weinig of niets van
de eigen verantwoordelijkheid van de professional overblijft. Kunnen jeugdprofessionals in de
praktijk goed met de richtlijn uit de voeten, dan zegt dat iets over de kwaliteit en daarmee de
waarde van die richtlijn.
Uitgangspunt is dat richtlijnen door de jeugdprofessional worden toegepast. Ze vormen
immers de uitdrukking van wat er in het werkveld door de beroepsgroep als goed professioneel
handelen wordt beschouwd. Daarom worden ze ook wel een ‘veldnorm’ genoemd. Richtlijnen
zijn dus niet vrijblijvend, maar ook geen ‘dictaat’. Dat wil zeggen dat ze niet bindend zijn: de
jeugdprofessional kan ervan afwijken. Hij móet er zelfs van afwijken als daarmee – naar zijn
oordeel – de belangen van de cliënt beter zijn gediend. De informatie in de richtlijn is namelijk
niet het enige waarop de professional zich dient te baseren om tot goede zorg te komen. Hij
dient ook de unieke situatie van de cliënt plus diens voorkeuren mee te wegen, en zich te
houden aan wet- en regelgeving en het beroepsethische kader van zijn beroepsgroep. Correct
gebruik van richtlijnen vooronderstelt dus het nodige vakmanschap.
Het is daarom van groot belang dat de beroepsbeoefenaar kan motiveren waarom hij van
de richtlijn is afgeweken. Hij moet zijn overwegingen en beslissingen zorgvuldig kunnen
onderbouwen. Om die reden moeten ze ook in het dossier worden opgenomen. Op deze manier
kan de professional verantwoording afleggen over zijn beroepsmatig handelen. Niet alleen aan
de cliënt, maar eventueel ook aan de tuchtrechter.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
26
2.6 Gedeelde besluitvorming
Het is van groot belang dat de jeugdprofessional ouders en jeugdige uitnodigt tot samenwerking
en hen gedurende het hele proces bij de besluitvorming betrekt. Beslissingen hebben immers
een grote impact op hun leven. Daarom horen de wensen en verwachtingen van ouders en
jeugdige leidend te zijn. Hún ervaringen, hún kijk op de problematiek en de oplossing ervan
vormen het uitgangspunt voor de afwegingen die de professional maakt. Actieve deelname van
ouders en jeugdige bevordert bovendien het effect van de hulpverlening.
Nu kunnen ouders en jeugdige pas echt als volwaardig partner meedenken en meepraten als
zij voldoende geïnformeerd zijn. De richtlijn kan hierbij helpen. De professional bespreekt de
richtlijn met ouders en jeugdige en wijst hen op het bestaan van een cliëntversie. Hij legt de
stappen in het zorgproces uit op een manier die voor hen begrijpelijk is, houdt rekening met de
emoties die zijn verhaal oproept en biedt ouders en jeugdige de ruimte om te reageren. Hij legt
hun uit welke keuzemogelijkheden er zijn, om vervolgens samen na te gaan hoe zij tegen deze
opties aankijken. Welke voorkeuren hebben ze en wat willen ze juist niet? Elke jeugdige heeft,
ongeacht zijn leeftijd, het recht om zijn mening te geven. Aan deze mening wordt een passend
gewicht toegekend: niet de leeftijd maar de capaciteiten van de jeugdige zijn leidend. Een
jeugdige moet dan wel weten wat er aan de hand is. De jeugdprofessional hoort dus duidelijk uit
te leggen wat er speelt, op een niveau dat aansluit bij de capaciteiten van de jeugdige.
In principe volgt de professional bij de besluitvorming de voorkeur van ouders en jeugdige. Is de
veiligheid van de jeugdige in het geding, dan kan dat mogelijk niet. De professional legt in zo’n
geval duidelijk uit waarom hij een andere keuze maakt, en wat daarvan de consequenties zijn.
Zo komt er een proces van gedeelde besluitvorming (shared decision making) op gang.
Professionals, ouders én jeugdige hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om het
zorgproces te laten slagen. Zij moeten dus samenwerken. Onder samenwerking wordt verstaan
dat de jeugdprofessional:
-luistert naar de verwachtingen en wensen van ouders en jeugdige. Deze zijn leidend in het
hele proces. Maakt de professional een afwijkende keuze, dan legt hij uit waarom hij dat
doet;
-ouders en jeugdige (indien van toepassing met behulp van deze richtlijn) informeert wat wel
en niet werkt bij bepaalde problemen;
-ouders en jeugdige uitleg geeft over de verschillende stappen in het proces van diagnostiek
en behandeling;
-ouders en jeugdige verschillende hulpmogelijkheden voorlegt die van toepassing zijn op hun
situatie; de voor- en nadelen van elke optie bespreekt (liefst door cijfers/feiten ondersteund);
en nagaat welke voorkeuren ouders en jeugdige hierin hebben;
-er voortdurend rekening mee houdt dat het ouders en jeugdige aan kracht, vaardigheden of
inzicht kan ontbreken om optimaal van de aangeboden hulp gebruik te maken. Het expliciet
delen van deze omstandigheden en pogen hierover (meer) gedeeld perspectief te krijgen,
is noodzakelijk om samen tot een besluit te komen waarin ouders en jeugdige zich het best
kunnen vinden;
-niet alleen oog heeft voor de jeugdige, maar voor het hele gezin;
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
27
-zich aanpast aan het tempo van ouders en jeugdige bij het doorlopen van het proces, tenzij
het jeugdige acuut in gevaar is. In dat geval dient de jeugdprofessional uit te leggen waarom
bepaalde stappen nu genomen moeten worden;
-zich ervan vergewist dat ouders en jeugdigen begrijpen wat gezegd en geschreven wordt;
-ouders bij een zorgsignaal zo snel mogelijk betrekt;
-ouders in een open sfeer uitnodigt tot samenwerking;
-open en niet-veroordelend luistert naar het individuele verhaal van elke ouder en elke
jeugdige;
-open en niet-veroordelend luistert naar de problemen die ouders en jeugdige ervaren;
-oog heeft voor de mate waarin ouders zich gestuurd voelen dan wel vrijwillig hulp hebben
gezocht;
-uitgaat van de kracht en motivatie van ouders om in de opvoeding bepaalde doelen te
bereiken;
-met ouders en jeugdige afstemt wat reëel en ‘goed genoeg’ is.
Maar ook ouders, en indien van toepassing ook de jeugdigen, werken naar beste kunnen mee.
Dit houdt in dat zij:
-zich bewust zijn van hun verantwoordelijkheid en mogelijkheden om het zorgproces te laten
slagen;
-zelf de regie hebben, mits zij het belang van de jeugdige (waaronder de veiligheid) voorop stellen;
-bereid zijn tot samenwerking met de jeugdprofessional;
-openstaan voor de kennis en ervaring van de professional;
-vragen om advies, en proberen iets met dat advies te doen;
-ondersteuning toestaan als zij zelf onvoldoende mogelijkheden hebben om een advies op te
volgen;
-op tijd aangeven dat iets niet werkt of niet past;
-eventueel om extra ondersteuning en/of een andere jeugdprofessional vragen;
-zelf hun mening en ideeën naar voren brengen.
Gedeelde besluitvorming is dus zowel in het vrijwillige als in het gedwongen kader van
toepassing. In het gedwongen kader kunnen er wel minder keuzeopties zijn, of kunnen er
aan bepaalde keuzes andere voorwaarden of consequenties zijn verbonden. Dit maakt het
zorgproces gecompliceerd, maar onderstreept het belang van een goede samenwerking.
Ouders en jeugdige dienen ook bij zorg in een gedwongen kader uitvoerig geïnformeerd te
worden over de eventuele keuzemogelijkheden, de maatregelen die worden genomen, en over
hun rechten en plichten hierin. De professional dient regelmatig te vertellen welke stappen er
worden gezet en wat er van ouders en jeugdige verwacht wordt.
De professional moet zijn overwegingen en beslissingen zorgvuldig kunnen onderbouwen. Hij
hoort hiervan aantekening te maken in het dossier.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
28
2.7 Diversiteit
Om een goede werkrelatie te kunnen opbouwen, is goed contact met ouders van belang. Nu
vinden niet alle ouders het even makkelijk hulpverleners te vertrouwen. De jeugdprofessional moet
daarom voldoende tijd nemen om dit vertrouwen te winnen. Ook is het raadzaam er rekening mee
te houden dat ouders een ander referentiekader kunnen hebben. Ze denken bijvoorbeeld dat de
ziekte van hun kind een andere oorzaak heeft dan de professional denkt, of ze kijken anders tegen
opvoeden aan. De jeugdprofessional hoort te onderzoeken met welke verwachtingen de ouders
komen en zich bewust te zijn van de verwachtingen die hijzelf van de ouders heeft. Ouders kunnen
ook weerstand hebben tegen de bemoeienis van (overheids)instanties bij de opvoeding van hun
kind. In zulke situaties is meer tijd nodig om het vertrouwen te winnen.
Er zijn ook ouders die niet goed met het gangbare schriftelijke materiaal uit de voeten
kunnen, bijvoorbeeld doordat ze de taal niet goed machtig zijn, laag zijn opgeleid of een
(licht) verstandelijke beperking hebben. Zij kunnen ook moeite hebben met bepaalde
interventies, omdat deze uitgaan van een taalvaardigheid en een abstractievermogen dat bij
hen niet voldoende aanwezig is. De jeugdprofessional doet er daarom goed aan te zorgen
voor begrijpelijk voorlichtingsmateriaal, en voor een interventie te kiezen die aansluit bij de
capaciteiten van zowel de ouders als de jeugdige.
2.8 Veranderingen in de zorg
Het kan voorkomen dat in de ene gemeente bepaalde interventies wel worden aangeboden
en in de andere gemeente niet. Ook kan het aanbod binnen gemeenten per jaar verschillen.
Bovendien kan het voorkomen dat aanbevolen interventies (voor onbepaalde tijd) helemaal
niet beschikbaar zijn. Zoek in zo’n geval naar alternatief aanbod dat gericht is op beschermende
of risicofactoren bij het gezin. Meld daarnaast lacunes in het hulpaanbod bij de manager
van de instelling. Gebruik de Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en
jeugdbescherming daarbij als onderbouwing.
2.9 Bijstelling en herziening van de richtlijn
Deze richtlijn is gebaseerd op de kennis die tijdens het schrijven beschikbaar was. Nu de richtlijn
is uitgebracht, wordt informatie verzameld over het gebruik van de richtlijn. De zo verzamelde
feedback, maar ook nieuwe inzichten kunnen aanleiding zijn om de richtlijn bij te stellen. Het is
gebruikelijk richtlijnen ongeveer eens in de vijf jaar te herzien, of eerder als daar aanleiding toe is.
Gedurende de looptijd van het Programma Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming (tot en met
2015) ziet de Stuurgroep Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming toe op de bijstelling van de
richtlijnen. Na afloop van de programmaperiode zal het beheer van de richtlijnen jeugdhulp
en jeugdbescherming worden overgedragen aan een daartoe op te zetten of aan te wijzen
organisatie.
2.10 Leeswijzer
Deze richtlijn (met bijbehorende werkkaarten) is bedoeld voor jeugdprofessionals die met het
onderwerp van deze richtlijn te maken hebben. De richtlijn vormt de neerslag van een groter
document, namelijk de ‘onderbouwing’. Deze onderbouwing is apart te raadplegen. Voor
cliënten en andere geïnteresseerden is een cliëntversie van de richtlijn gemaakt. Ook deze is
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
29
apart verkrijgbaar. Alle documenten zijn openbaar. Zie www.richtlijnenjeugdhulp.nl.
Ter bevordering van de leesbaarheid is in deze richtlijn een aantal keuzes gemaakt in de
terminologie. Een definitie en inleiding over ‘scheiding en problemen van jeugdigen’ is te
lezen in hoofdstuk 1. In paragraaf 1.4 komen per knelpunt de uitgangsvragen aan bod: het
thema ‘gevolgen’ kent zeven vragen, het thema interventies vijf, en het thema samenwerking
zeven. In hoofdstuk 2 volgt een beschrijving van de verantwoording en wordt de werkwijze
van de ontwikkeling van de richtlijn toegelicht. In paragraaf 2.11 staat een omschrijving van de
begrippen die gehanteerd worden in deze Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor
jeugdhulp en jeugdbescherming. Ook wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de definiëring van de
term en de competenties van de jeugdprofessional. Hoofdstuk 3 beschrijft de gevolgen voor
kinderen en jongeren van een ouderlijke scheiding. In hoofdstuk 4 worden de type interventies
besproken die ingezet kunnen worden bij scheidingsproblematiek. Hoofdstuk 5 behandelt in
de eerste plaats de samenwerking met ouders en het betrekken van het netwerk. In de tweede
plaats is hierin beschreven hoe professionals in de jeugdhulp en jeugdbescherming en het CJG
kunnen samenwerken met andere professionals in het scheidingsproces. In hoofdstuk 6 is
informatie opgenomen over diversiteit en specifieke doelgroepen. Elk hoofdstuk eindigt met
conclusies, overige overwegingen en aanbevelingen.
Dit document bevat de onderbouwing van de richtlijn en is vrij uitvoerig. Deze onderbouwing is
uitgebreid en gedetailleerd geschreven en gedocumenteerd. Het is daarom minder bruikbaar
om te gebruiken in de dagelijkse praktijk. De Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor
jeugdhulp en jeugdbescherming wordt in een apart document weergegeven zonder uitgebreide
onderbouwing (Anthonijsz, Spruijt & Zwikker, 2015). Daarnaast is de richtlijn samengevat in
werkkaarten. Deze werkkaarten ondersteunen jeugdprofessionals om de richtlijn toe te passen
in de dagelijkse praktijk van de jeugdhulp en jeugdbescherming.
2.11 Omschrijving van gebruikte begrippen
Ter bevordering van de leesbaarheid is in deze richtlijn een aantal keuzes gemaakt in de
terminologie.
-Met ‘kinderen’ worden jeugdigen van nul tot twaalf jaar bedoeld, onder ‘jongeren’ verstaan
we jeugdigen van twaalf tot achttien jaar. De term ‘jeugdigen’ omvat dus zowel kinderen als
jongeren. Waar ‘kinderen’, ‘jongeren’ of ‘jeugdigen’ staat kan ook ‘het kind’, ‘de jongere’ of ‘de
jeugdige’ worden gelezen, en omgekeerd.
-Als in dit document over ‘ouders’ wordt gesproken, kunnen dit de biologische ouders zijn,
maar ook de pleeg-, adoptie- of stiefouders, de gezinshuisouders, de juridische ouders of
andere volwassenen die de ouderrol vervullen. Waar ‘ouders’ staat kan ook ‘een ouder’ worden
gelezen, en omgekeerd.
-Onder ‘jeugdprofessionals’ worden zowel ‘gedragswetenschappers’ (psychologen, pedagogen
of anderen met een gedragswetenschappelijke opleiding) bedoeld als hbo-opgeleide
‘jeugdzorgwerkers’. Zij staan over het algemeen geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd
(SKJ). Met sommige aanbevelingen kunnen beide groepen hun voordeel doen, andere zijn
vooral van toepassing op jeugdzorgwerkers of juist op gedragswetenschappers. Waar dit
onderscheid van belang is, wordt specifiek over gedragswetenschappers dan wel over
jeugdzorgwerkers gesproken.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
30
-Na een scheiding is er sprake van een inwonende ouder (de ouder bij wie de jeugdige het
grootste deel van de tijd woont) en een uitwonende ouder (de ouder bij wie de jeugdige
niet of een kleiner deel van de tijd woont). Co-ouders zijn ouders bij wie een jeugdige na de
scheiding beurtelings ongeveer evenveel tijd (minstens 40 procent) woont. Dan zijn er ook
nog stiefmoeders en stiefvaders: de nieuwe partners van de biologische ouders. Afhankelijk
van de vraag waar een jeugdige woont, kunnen stiefouders fulltime zijn, halftime of parttime
(weekend-stiefouders).
-Formeel is een echtscheiding de ontbinding van een huwelijk. Het uit elkaar gaan van nietgehuwde maar wel samenwonende ouders wordt meestal scheiding genoemd. Voor jeugdigen
maakt de formele burgerlijke staat van ouders meestal niets uit. Daarom gebruiken wij in
deze richtlijn het begrip scheiding voor zowel echtscheiding als voor het uit elkaar gaan van
samenwonende maar niet gehuwde ouders.
-Er is sprake van een vechtscheiding als een scheiding zeer conflictueus verloopt waarbij de (ex-)
partners langdurig lijnrecht tegenover elkaar staan.
-De benaming CJG is geen gemeengoed meer in gemeenten in Nederland. In het kader van
de transitie en transformatie van de zorg voor jeugd worden verschillende benamingen
gehanteerd. Wordt in de richtlijn gesproken over CJG dan bedoelen wij ook de nieuwe
benamingen zoals sociale wijkteams, wijkteams Jeugd- en Gezin.
-Sinds de Wet Bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding in werking trad (1
maart 2009), moeten ouders (van minderjarige kinderen) een ouderschapsplan aan hun
verzoek tot echtscheiding of beëindiging geregistreerd partnerschap toevoegen. In dat plan
moeten in ieder geval drie wettelijk verplichte afspraken komen te staan. Deze gaan over de
zorgverdeling, de kinderalimentatie en de uitwisseling van informatie over de jeugdigen. De
wet bepaalt ook dat ouders hun kind betrekken bij het opstellen van het ouderschapsplan,
voor zover dit tenminste mogelijk is gezien de leeftijd en ontwikkeling van hun kind. In het
verzoek moet vermeld zijn hoe de ouders dit hebben aangepakt.
2.12 Competenties jeugdprofessional
Binnen deze paragraaf wordt ingegaan op de definiëring van de term en de competenties van
de jeugdprofessional. Zoals eerder aangegeven, is binnen de richtlijn gekozen om te spreken
over de jeugdprofessional. Deze professional wordt echter uitgesplitst naar twee typen: de
jeugdzorgwerker en de gedragswetenschapper. De jeugdzorgwerkers zijn onder andere de
professionals in de Centra voor Jeugd en Gezin en de professionals in het Maatschappelijk
Werk. De aanduiding gedragswetenschapper wordt gebruikt voor (school)psychologen en
orthopedagogen. Ter verduidelijking welke competenties en vaardigheden horen bij de
jeugdzorgwerker en welke bij de gedragswetenschapper worden twee casussen voorgelegd.
De vaardigheden en houding van de jeugdprofessional zijn van wezenlijk belang om zowel ouder
als kind binnen een scheiding goed te kunnen begeleiden. De houding van professionals komt
tot uitdrukking in de wijze waarop de professional met de ouders en het kind communiceert
(Prinsen, L’Hoir, Ruiter de, Oudhof, Kamphuis, Wolff de & Alpay, 2013). De benodigde
basishouding van alle jeugdprofessionals is het erkennen van ‘het belang van de jeugdige
versus het belang van de opvoeders’. De jeugdprofessional werkt voor zowel de jeugdige
als zijn opvoeders. Het is in eerste instantie zijn taak om beiden ondersteuning te bieden bij
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
31
het opvoeden en opgroeien. Hij stimuleert en ondersteunt zowel de zelfstandigheid als de
zelfredzaamheid van de jeugdige en die van zijn opvoeders. De jeugdige is daarbij onlosmakelijk
verbonden met zijn opvoeders. Toch komt het voor dat opvoeders soms dingen willen doen die
niet in het belang van de jeugdige zijn. Bijvoorbeeld omdat ze bepaalde competenties missen
of omdat relevante randvoorwaarden niet aanwezig zijn. Daardoor zijn er situaties waarin de
jeugdzorgwerker grenzen stelt aan opvoeders en een zekere mate van drang en dwang inzet om
te zorgen dat de jeugdige zich gezond kan ontwikkelen. In scheidingssituaties zijn de belangen
van ouders en het kind eigenlijk per definitie niet overeenkomstig. Zoals later in deze richtlijn zal
worden toegelicht, zijn de gevolgen van een scheiding niet gunstig voor de ontwikkeling van het
kind. In het belang van het kind zou het idealiter zijn dat ouders een gelukkige relatie met elkaar
onderhouden waarin het kind kan opgroeien. Gelijktijdig is de scheiding voor ouders juist vaak
het sluitstuk van een proces waarin duidelijk is geworden dat de relatie niet meer goed vorm is
te geven (Cottyn, 2009a). Het belang van de jeugdige dient het zwaarst te worden meegewogen.
Aan het voorafgaande kunnen de volgende specifieke vaardigheden van de jeugdprofessional
worden gekoppeld (Nederlands Jeugdinstituut, 2011).
De jeugdprofessional:
-is neutraal, professioneel en kan zich meerzijdig partijdig opstellen naar de ouders;
-bouwt een relatie op die is gebaseerd op samenwerking en eigen verantwoordelijkheid;
-reageert met empathie, vermijdt discussies, faciliteert en stimuleert de ouders zodat zij zelf
tot oplossingen kunnen komen;
-stimuleert en ondersteunt ouders om te praten over doelen en oplossingen;
-werkt toekomstgericht;
-biedt psycho-educatie op het gebied van loyaliteit, effecten van ouderconflicten en scheiding
op de ontwikkeling van kinderen;
-kan feitelijk en objectief rapporteren, zowel schriftelijk als mondeling.
Om te illustreren welke competenties en vaardigheden horen bij de jeugdzorgwerker en welke
bij de gedragswetenschapper volgen nu twee casussen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
32
De moeder en vader van Sjoerd (zes jaar) gaan scheiden en piekeren en redetwisten over
het ouderschapsplan. Zij worden het niet eens over de vraag bij wie Sjoerd na de scheiding
moet gaan wonen en hoe vaak hij dan naar de andere ouder mag. Sjoerd lijdt onder deze
onzekerheid. Ouders en kind komen alledrie bij de jeugdzorgwerker. Hij praat met hen,
samen en apart. Vader blijkt een geduldige en structurerende opvoeder te zijn. Hij stelt
duidelijke regels en houdt zich daar ook aan. Het kind betrekt vader af en toe in z’n spel
maar schrikt soms van vaders neiging hem te corrigeren. Moeder hanteert minder duidelijke
regels. Sjoerd vraagt herhaaldelijk om snoep en moeder geeft hem af en toe waar hij om
vraagt. Het kind is geneigd om door te zeuren. Het spel tussen moeder en kind is wel vol
fantasie en levensvreugde. In de besprekingen met de jeugdzorgwerker wordt de nadruk
gelegd op de positieve, aanvullende kwaliteiten van beide ouders. Het is goed als Sjoerd daar
zoveel mogelijk van blijft profiteren. Er wordt afgesproken dat Sjoerd bij moeder gaat wonen
en elk weekend een of twee dagen plus elke woensdag naar vader gaat.
(Bron: Liesbeth Groenhuijsen, 2006).
Bovenstaande casus geeft een kritische situatie weer waar een jeugdzorgwerker in de
praktijk mee te maken kan krijgen binnen het hulpverlenen in een scheidingssituatie. Voor een
juiste manier van omgaan met beide partijen (naast de basishouding omtrent ‘het belang van
de jeugdige versus het belang van de opvoeders’) gelden de volgende vaardigheden bij het
competentieprofiel van de jeugdzorgwerker (Zwikker, Haterd van de, Hens & Uyttenboogaart,
2009):
-De gewenste situatie versus beperktheid van mogelijkheden/medewerking.
De jeugdzorgwerker probeert de best aansluitende hulp aan te bieden aan de jeugdige
en zijn opvoeders. Het is echter niet altijd mogelijk om deze hulp ook daadwerkelijk te
realiseren. Een verschil van opvatting over wat de beste aanpak in een bepaalde situatie is,
kan het lastig maken om relevante partijen (jeugdige, opvoeders, andere professionals) bij de
zorg te betrekken. De jeugdzorgwerker moet een balans vinden tussen de wens om de beste
zorg te bieden en de mogelijkheden die hiervoor zijn op het gebied van motivatie (van de
jeugdige en/of opvoeders, het systeem en van andere professionals) en middelen (beperkte
inzet van personen).
-Balanceren tussen betrokkenheid en distantie.
De jeugdzorgwerker dient betrokken te zijn bij de jeugdige en de opvoeders, maar
tegelijkertijd afstand te nemen van de situatie en te reflecteren op de eigen emoties. De
jeugdzorgwerker dient daarbij flexibel te zijn richting de jeugdige en opvoeders, maar
zich tevens te houden aan de afspraken met andere betrokkenen (interdisciplinaire)
professionals. Rondom scheiding vraagt deze kritische situatie om nuancering. De
professional moet betrokkenheid hebben om zowel de ouders, als het kind van steun te
voorzien, maar gelijktijdig trachten om buiten de geschillen tussen de ouders te blijven.
-Privacy waarborgen versus transparantie bieden.
Als er zaken worden besproken met betrekking tot geweld in het gezin of richting de
jeugdige heeft de aanpak hiervan prioriteit boven het handhaven van het recht op privacy
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
33
of het handhaven van een vertrouwensband. De jeugdzorgwerker moet daarbij afwegen in
hoeverre hij informatie over de voortgang van de jeugdige doorgeeft aan zijn opvoeders.
-Positie innemen.
De jeugdzorgwerker is in de eerste en laatste plaats de vertegenwoordiger van de jeugdige
in het hulpverleningsproces. Waar mogelijk belangen van de jeugdige conflicteren, stelt
de jeugdzorgwerker het belang van de jeugdige voorop. De jeugdzorgwerker moet
hierbij ‘bemoeizorg’, voorwaardelijk of gedwongen hulpverlening, legitimeren vanuit het
vertegenwoordigen van de belangen van de jeugdige.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
34
Onderstaande casus geeft een kritische situatie weer waar een gedragswetenschapper in de
praktijk binnen een echtscheidingskwestie mee te maken kan krijgen.
Een moeder meldt bij de orthopedagoog dat haar jonge kind (Marjolein, vier jaar) door
de vader geslagen wordt en dat hij haar niet of niet op tijd de noodzakelijke medicijnen
toedient. De vader, die daarna door de orthopedagoog wordt uitgenodigd, spreekt van
een moeder die uit haat het kind van hem wil vervreemden, ontkent de beschuldigingen
en eist voortzetting van de uitgebreide omgangsregeling. De moeder voert aan dat
het kind oververmoeid en ontredderd terugkomt van de bezoeken aan vader. De
orthopedagoog vindt geen duidelijke aanwijzingen hiervoor bij Marjolein. Moeder wil
dat het kind nader door een psycholoog wordt onderzocht omdat zij zich zorgen maakt.
Vader weigert zijn toestemming omdat hij niet wil dat het kind wordt belast terwijl er
niets aan de hand is. Moeder weigert daarop het kind nog mee te geven aan de vader.
De orthopedagoog probeert in aparte gesprekken met moeder en met vader tot een
voorlopige oplossing te komen.
(Bron: Liesbeth Groenhuijsen, 2006).
De gedragswetenschapper brengt zijn deskundigheid op het gebied van opvoeding en
ontwikkelingspsychologie in ten behoeve van inhoudelijke consultatie en advies. Hierin heeft
hij een ondersteunende en begeleidende functie, met name bij bespreking van ingewikkelde
zaken. Voor een juiste manier van omgaan met beide partijen (naast de basishouding omtrent
‘het belang van de jeugdige versus het belang van de opvoeders’) horen de volgende algehele
vaardigheden bij het competentieprofiel van de gedragswetenschapper (Van de Haterd, Zwikker,
Hens & Uyttenboogaart, 2009):
-
Omgaan met verschillende partijen die bij de jeugdige en opvoeders betrokken zijn.
De gedragswetenschapper geeft inhoudelijke adviezen aan jeugdzorgwerkers. Ook zorgt hij
voor de organisatie van overleg met alle betrokkenen rondom een jeugdige of opvoeders
vanuit ketenpartners en de eigen organisatie. Dit is bij ingewikkelde casussen met veel
partijen een lastige opgave. De verschillende partijen in het overleg hebben daarbij ieder
hun eigen opvatting over de situatie. De gedragswetenschapper staat voor de opgave om
de meningen in het belang van de jeugdige snel op één lijn te krijgen, volgens de in zijn ogen
beste aanpak.
- Ontwikkelingsloop van de jeugdige versus het ontwikkelingsverloop van opvoeders en het systeem.
De gedragswetenschapper in de jeugdhulp en jeugdbescherming werkt met een contextuele
benadering. Opvoeders en het systeem rond de jeugdige worden veelal bij de behandeling
betrokken. Naast het ontwikkelingsverloop van de jeugdige in het hulpverleningstraject maken
betrokkenen een eigen ontwikkeling door. De wisselwerking tussen deze twee ontwikkelingen
kunnen de doelen van de jeugdige en de daarop gekozen activiteiten beïnvloeden.
-
Keuzes maken op basis van informatie van de jeugdzorgwerker.
De gedragswetenschapper baseert zich bij de diverse werkzaamheden mede op informatie
van de jeugdzorgwerker. Hij maakt gebruik van de probleemanalyse op basis waarvan
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
35
indicatie wordt gesteld. De gedragswetenschapper moet weten hoe hij, zonder het werk van
de jeugdzorgwerker over te doen, over de juiste informatie kan beschikken om een oordeel
te vellen over het vervolgtraject. De gedragswetenschapper neemt besluiten waarbij de
overwegingen zeer complex zijn en die een hoog afbreukrisico inhouden.
De bovenstaande competenties zijn de algemene competenties van de jeugdzorgwerker en
de gedragswetenschapper binnen de jeugdzorg sector. Voor inhoudelijke achtergrond en een
uitvoerige beschrijving met gedragskenmerken verwijzen we u naar het competentieprofiel
Jeugdzorgwerker (Zwikker e.a., 2009) en het competentieprofiel Gedragswetenschapper (Van
de Haterd e.a., 2009). Daarnaast zal binnen de uitgangsvragen over het knelpunt samenwerking
nader worden ingegaan op de benodigde competenties voor een jeugdprofessional om in
echtscheidingskwesties op een passende manier hulpverlening te kunnen voltooien.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
36
Hoofdstuk 3
Gevolgen van een
ouderlijke scheiding
voor jeugdigen
Richtlijn
RichtlijnScheiding
Scheidingen
enproblemen
problemenvan
vanjeugdigen
jeugdigenvoor
voorjeugdhulp
jeugdhulpen
enjeugdbescherming
jeugdbescherming//onderbouwing
onderbouwing//pagina
pagina 37
37
Knelpunt: Hulpverleners hebben weinig kennis over de gevolgen voor jeugdigen van een
ouderlijke scheiding.
3.1 Feiten en cijfers over jeugdigen en scheiding
Per jaar krijgen ongeveer 70 duizend thuiswonende kinderen (van wie bijna 60.000 minderjarige)
te maken met de scheiding van hun ouders. Voor ongeveer een derde van deze kinderen geldt
dat hun ouders niet formeel getrouwd waren (Spruijt & Kormos, 2014).
Scheidingskinderen komen zowel in de stad als op het platteland voor, veel vaker in gezinnen
zonder religieuze binding, en veel vaker in gezinnen met een lager opleidingsniveau. Jeugdigen
van alle leeftijden kunnen te maken krijgen met scheidende ouders, dus ook heel jonge
kinderen.
Meestal hebben na de scheiding beide ouders gezamenlijk ouderlijk gezag. Allochtone
scheidingskinderen wonen vaker in een moedergezin en hebben minder contact met hun
uitwonende vader (Spruijt en Kormos, 2014).
Het is nodig de feitelijke leefsituatie van de kinderen te kennen:
-Wonen ze bij moeder, vader of afwisselend bij moeder en vader?
-Is er een nieuwe partner van moeder en/of vader en woont deze ook in huis?
-Is het contact met de uitwonende ouder verbroken of conflictueus?
-Is er achteruitgang in gezinsinkomen?
-Is er (regelmatig) contact met grootouders en verdere familie van beide kanten?
3.2 De belangrijkste gevolgen voor jeugdigen
Uitgangsvraag 1.1: Wat kunnen de gevolgen van een ouderlijke scheiding zijn voor
jeugdigen?
In bevolkingsonderzoek worden meestal gemiddeld matige problemen gevonden bij
scheidingskinderen. In klinisch onderzoek zijn de problemen meestal ernstiger en komen bij
meer kinderen problemen voor. Beide onderzoekstromen overziende concludeert Amato (2010)
dat scheidingskinderen vergeleken met kinderen uit intacte gezinnen de grootste problemen
hebben met het psychologisch welbevinden, dat zij meer problemen ondervinden in hun
(huwelijks)relatie, en een zwakkere band hebben met vooral hun vaders.
De periode voor, tijdens en direct na de scheiding is voor alle kinderen moeilijk. Allerlei
praktische gevolgen worden zichtbaar. Het gezin valt uit elkaar. Soms moeten kinderen zelf
verhuizen. Vaak is er minder contact met beide ouders omdat die erg in beslag worden
genomen door hun eigen problemen en emoties. Met de ouder die niet meer in het gezin woont,
is bijna altijd minder contact.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
38
Wat betekent het voor jeugdigen?
‘Dat mijn ouders met elkaar kunnen praten. Die wens heb ik nog steeds. Ik zeg vaak: Ik
ben de volwassene en zij de kinderen. Ik ging altijd eenmaal in de twee weken naar mijn
vader. Maar voor een echt gelijkwaardig contact moet je beide ouders evenveel zien. Ik
zou wel willen dat vaders meer ondersteuning krijgen in hoe ze gesprekken voeren met
hun kinderen. Vaak kunnen ze dat niet goed, ook omdat ze hun kinderen vaak minder
zien. En moeders mogen wel leren wat minder gemeen te zijn.’
Bron: Veldconsultatie
Daarbij komt dat er in de nieuwe gezinssituatie meestal minder geld beschikbaar is. Dat kan
allerlei gevolgen hebben voor kinderen, zoals minder geld voor kleding en vrijetijdsbesteding.
Gelukkig wordt de situatie voor de meeste kinderen na enige tijd weer beter. Op langere termijn
gaat het met de meerderheid van de scheidingskinderen goed. Zij verschillen dan niet veel meer
van kinderen uit intacte gezinnen.
Veel onderzoek richt zich op de gevolgen voor kinderen op iets langere termijn, meestal vanaf
ongeveer een jaar na de scheiding tot vele jaren later. Amato (2001, 2006) heeft het allemaal nog
eens samengevat op basis van een reeks van onderzoekingen uit een flink aantal verschillende
landen. De belangrijkste negatieve uitkomsten voor kinderen zijn: meer externaliserende
problemen, meer internaliserende problemen, lagere schoolprestaties, problemen in
vriendschapsrelaties en een zwakkere band met de ouders (vooral de vaders).
Opvallend is dat er serieuze lange termijn effecten bestaan: gevolgen die voortduren tot ver
in de volwassenheid. Amato (2001, 2006) somt op: een lager bereikt opleidingsniveau, minder
inkomen, meer internaliserende problemen, minder contact met de ouders en een groter eigen
scheidingsrisico. Dit laatste resultaat wordt in een groot aantal landen gevonden. (Diekmann &
Schmidheiny, 2004; Dronkers & Harkonen, 2008).
Er zijn ook diverse studies die er op wijzen dat op lange termijn diverse negatieve psychosociale
effecten optreden (Gilman, Kawachi, Fitsmaurice & Buka, 2003; Huure, Junkkari & Aro, 2006).
Behalve voor de betrokkenen zelf hebben de negatieve langere en lange termijn gevolgen ook
nadelen voor de samenleving. Er zijn (soms hoge) juridische kosten en gescheiden mannen en
vrouwen en kinderen zijn bijvoorbeeld tot lang na de scheiding relatief grote zorggebruikers en
dus duur voor de samenleving (Kunst, Meerding, Varenik, Polder & Mackenbach, 2007).
De veel gehoorde opvatting dat de gevolgen van scheiding voor kinderen langzamerhand
minder negatief worden, omdat scheiding steeds meer wordt geaccepteerd, wordt niet door
onderzoek bevestigd. Amato (2001) stelde voor de VS vast dat - tegen zijn verwachting in - de
negatieve gevolgen voor kinderen in de jaren negentig niet minder waren geworden vergeleken
met de jaren tachtig. Nederlands onderzoek toont aan dat de negatieve gevolgen voor kinderen
na 1998 en na 2009 eveneens niet zijn afgenomen (Metz & Schulze, 2007; Spruijt, 2007; Van der
Valk & Spruijt, 2013).
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
39
Gevoel van echtscheiding
‘Echtscheiding is eigenlijk een soort rouwverwerking. Maar voor rouwverwerking is veel
aandacht, als jongere mag je dan openlijk verdrietig zijn of lage cijfers halen. Terwijl als je
ouders gescheiden zijn er van je wordt verwacht dat je gewoon doorgaat, je krijgt dan niet
de ruimte om verdrietig te zijn. Terwijl hulpverleners zich ook goed moeten realiseren dat
scheiding je hele leven meegaat, ook als je het accepteert of verwerkt of de scheiding is
harmonieus verlopen: in elke fase in je leven komt het terug’.
Bron: Veldconsultatie
Samengevat zijn de belangrijkste gevolgen voor kinderen en jongeren op kortere termijn:
-externaliserende problemen zoals agressief gedrag, vandalisme en – voor oudere kinderen –
delinquent gedrag en meer roken, blowen en drinken;
-internaliserende problemen zoals depressieve gevoelens, loyaliteitsconflicten, gevoelens van
angst en een laag zelfbeeld;
-problemen in vriendschapsrelaties;
-een zwakkere band met de ouders, vooral met de vaders; parentificatie, ouderafwijzing;
-problemen op school zoals lagere cijfers, concentratieproblemen en spanningen in het
contact met andere leerlingen.
Samengevat zijn de belangrijkste gevolgen op langere termijn:
-een lager eindniveau van de opleiding;
-minder inkomen;
-een groter eigen scheidingsrisico;
-een groter risico op depressie inclusief een groter beroep op de hulpverlening;
-een zwakkere band met de (ouder wordende) ouders.
3.3 Ernstige gevolgen
Uitgangsvraag 1.2: Waaraan kunnen ernstige problemen bij jeugdigen na een scheiding
(inclusief loyaliteitsproblemen, parentificatie, oudervervreemding en ouderverstoting)
worden herkend en hoe kunnen ernstige problemen worden gedefinieerd?
Hiervoor is aangegeven met welke problemen veel kinderen na de scheiding te maken kunnen
krijgen. Deze problemen kunnen sterk in ernst verschillen en kunnen ook optreden bij kinderen
uit intacte gezinnen. Met de meeste scheidingskinderen gaat het na verloop van tijd weer
redelijk tot goed. Maar te veel kinderen ervaren de genoemde problemen in ernstige mate. Een
ouderlijke scheiding is altijd pijnlijk maar gaat niet zelden ook nog gepaard met veel conflicten
en geweld. Dit kan zowel lichamelijk als psychologisch geweld zijn en niet alleen de partner
maar ook de kinderen treffen. Als een scheiding zeer conflictueus verloopt – een vechtscheiding
-, zijn de gevolgen voor kinderen ernstiger. Ongeveer 10 procent van de jeugdigen heeft
specifieke negatieve gevolgen zoals loyaliteitsconflicten, ouderafwijzing en parentificatie. Dit kan
samenhangen met huiselijk geweld en kindermishandeling, soms onder invloed van drank- en
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
40
drugsgebruik. Er kan ook sprake zijn van psychologische of psychiatrische problematiek bij (een
van) de scheidende of gescheiden ouders (Lamers-Winkelman, Slot, Bijl & Vijlbrief, 2007; Peris
e.a., 2008; Spruijt & Kormos, 2010; Van IJzendoorn e.a., 2007).
Ernstige problemen worden in de wet ‘ernstig nadeel voor de geestelijke of lichamelijke
ontwikkeling van het kind’ genoemd. Het is moeilijk om precies te omschrijven wanneer
daar precies sprake van is. Maar als er sprake is van chronische loyaliteitsproblemen en/of
oudervervreemding dan zijn de problemen ongetwijfeld ernstig (Amato, 2010; Kelly & Johnston,
2001).
Ouderlijke conflicten en (lichamelijk en/of psychologisch) geweld komen in scheidingsgezinnen
vaker voor dan binnen intacte gezinnen. De negatieve effecten van gezinsgeweld voor kinderen
zijn regelmatig in binnen- en buitenland aangetoond. Uit het onderzoek S&G2010 blijkt
bijvoorbeeld dat er een sterke samenhang bestaat tussen de mate van ouderlijk conflict en de
mate van angstgevoelens, depressieve gevoelens en agressief gedrag bij kinderen. Opvallend
hierbij is dat matige ouderlijke conflicten nog niet zo fnuikend zijn voor kinderen. Aanzienlijk
problematischer gaat het met kinderen van wie de ouders veel ernstige conflicten hebben.
Onderzoek dat specifiek is gericht op huiselijk geweld tussen ouders (partnergeweld) maakt
bovendien vaak eveneens melding van lichamelijke en emotionele mishandeling van kinderen
(Fosco, DeBoard & Grych, 2007; Holt, Buckley & Whelan, 2008).
Loyaliteitsconflicten
Langdurige conflicten tussen de ouders kunnen dus leiden tot ernstige loyaliteitsconflicten
bij kinderen. Het fenomeen loyaliteit is in Nederland uitvoerig besproken door Else-Marie
van den Eerenbeemt (2003) in navolging van de Amerikaans-Hongaarse kinderpsychiater
Ivan Boszormenyi-Nagy. Loyaliteit is de vanzelfsprekende verbondenheid tussen ouders en
kinderen die ontstaat bij de geboorte. Volgens de theorie is een kind altijd loyaal aan zijn
beide, biologische ouders. Elk kind krijgt in de loop van zijn leven met loyaliteitsconflicten
te maken. Dat is normaal want loyaliteit en loyaliteitsproblemen zijn er ook in allerlei nietscheidingssituaties. Maar in het geval van scheiding is het loyaal blijven aan beide ouders
voor een kind vaak niet eenvoudig. Kinderen worden dan nogal eens, bedoeld of onbedoeld,
gedwongen te kiezen voor een van beide ouders. Maar het zijn de ouders (of tenminste een
van hen) die willen scheiden, niet de kinderen. Volgens de huidige opvattingen, die ook zijn
neergelegd in de wetgeving, scheiden paren wel als partners maar niet als ouders. Dat is echter
gemakkelijker gezegd dan gedaan. Bij een scheiding zijn ouders vaak ook als ouders met elkaar
in conflict en dat is zeer nadelig voor de ontwikkeling van kinderen.
Bij loyaliteitsconflicten doen beide ouders een zwaar tegengesteld beroep op het kind. In
sociaalwetenschappelijk onderzoek worden loyaliteitsconflicten vaak gemeten door vragen te
stellen als: Heb je vaak het gevoel dat je tussen je beide ouders instaat? en: Voelt het alsof je
moet kiezen tussen je beide ouders?
Moeten kiezen is voor een kind een hopeloze opgave en leidt er vaak toe dat het probeert
te schipperen tussen beide ouders. Het kan zijn dat een kind thuiskomt bij moeder van een
weekend bij vader en tegen de een zegt dat het erg leuk was en tegen de ander dat het vreselijk
vervelend was. Uit onderzoek blijkt dat het voor een kind belangrijk is goedkeuring te krijgen
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
41
van de ene ouder om het bij de andere ouder fijn te hebben. Conflicten tussen de ouders
kunnen echter zo heftig en chronisch zijn dat er voor een kind niets anders op zit dan partij te
kiezen. Dat kan betekenen dat het kind uiteindelijk zegt: Ik wil mijn vader/moeder nooit meer
zien. Dan is er dus sprake van oudervervreemding of ouderverstoting, in de Amerikaanse
literatuur vaak ouderafwijzing genoemd.
Oudervervreemding en ouderafwijzing
Een voor kinderen specifiek gevolg van ouderlijke conflicten en psychologisch geweld in het
kader van echtscheiding is oudervervreemding, het zogeheten parental alienation syndrome
(PAS). Oudervervreemding of ouderafwijzing wordt gekenmerkt door een pathologische binding
tussen ouder en kind met uitsluiting van de andere ouder. Volgens de definitie van Gardner
(1998) is dit ‘een stoornis bij kinderen die primair optreedt in het kader van een juridische strijd
om het ouderlijk gezag’. Gardner onderscheidt drie niveaus van PAS, namelijk mild, gematigd en
ernstig.
Over PAS is in de VS veel discussie. De aandacht zou te veel exclusief gericht zijn op de
programmerende ouder als de aanstichter van het kwaad. Dat is te simplistisch want er zijn ook
andere factoren in het spel. Vanwege alle moeilijkheden rond en kritiek op PAS was er dringend
behoefte aan een herformulering van het probleem van vervreemding. Daarom hebben Kelly &
Johnston (2001) een nieuw model ontwikkeld. Hun uitgangspunt is niet langer (het schadelijke
gedrag van) de programmerende ouder maar ‘het vervreemde (alienated) kind in de context
van zijn gezinssysteem’. Hun definitie luidt: ‘het vervreemde kind is een kind dat openlijk en
voortdurend onredelijk negatieve gevoelens en opvattingen (zoals boosheid, haat, afwijzing en/
of angst) over een ouder uit. Deze gevoelens staan niet in verhouding tot de feitelijke ervaringen
van het kind met die ouder.’
De aandacht is gericht op het kind, zijn waarneembare gedragingen en de ouder-kind
relaties. Het is belangrijk het vervreemde kind te onderscheiden van kinderen die na een
scheiding geen contact willen om realistische redenen zoals geweld of mishandeling. Er zijn
ook normale, ontwikkelingspsychologisch te verwachten redenen zoals een jong kind met
tijdelijke verlatingsangst. Het is dan niet zo dat zo’n kind niet naar vader wil vanwege vader
maar omdat het niet bij moeder weg durft. Als een echtscheidingskind omgang weigert of een
inwonende ouder de waarde van omgang in twijfel trekt, wordt te vaak aangenomen dat het
om vervreemding gaat. Dat is lang niet altijd het geval. Met het oog op effectieve diagnoses
en interventies bij een vermoeden van vervreemding presenteren Kelly & Johnston (2001)
een schema (systems framework) als hulpmiddel bij de beoordeling van de vele, onderling
gerelateerde factoren die de reacties van een echtscheidingskind beïnvloeden. Het gaat om een
hele reeks factoren die vervreemding bij een kind kunnen veroorzaken of consolideren (ernstige
huwelijksconflicten, vernederende scheiding, persoonlijkheid en gedrag van beide ouders,
ontwikkelingsniveau en temperament van het kind, langdurig procederen en professioneel
wanbeleid). Interveniërende factoren (gedrag en opvattingen van ouders, relatie met broertjes
en zusjes, kwetsbaarheid van het kind) kunnen de reactie van het kind matigen of juist
versterken.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
42
De aanwezigheid van vervreemdende processen en vervreemdend ouderlijk gedrag voorspellen
niet met zekerheid dat een kind vervreemd raakt. Dit gebeurt zeer waarschijnlijk pas wanneer
de processen intensief en langdurig zijn en wanneer de overige ouder- en kindfactoren bijdragen
aan ondraaglijke druk op het kind.
Johnston heeft in 2006 een instrument ontworpen met 17 items om de mate van vervreemding
bij kinderen te meten. Er is een instrument voor kinderen en een voor ouders.
Voorbeeld van vragen om PAS te meten (voor een uitgebreide lijst, zie bijlage 5).
-Spreekt het kind alleen maar zeer negatief over de uitwonende ouder?
-Beschouwt het kind de uitwonende ouder niet als familielid?
-Heeft het kind argumenten voor de laster tegen de uitwonende ouder?
-Gelooft het kind alles wat de inwonende ouder zegt?
-Zegt het kind dat het helemaal zelf de uitwonende ouder afwijst?
-Zoekt het kind steeds bevestiging bij de inwonende ouder?
-Voelt het kind zich in het geheel niet schuldig over de afwijzing van de uitwonende ouder?
-Zegt het kind nooit iets over de inwonende ouder tegen de uitwonende ouder?
-Is het kind erg bang de inwonende ouder te verliezen?
-Was de band met de uitwonende ouder voor de scheiding goed?
Het is mogelijk dat beide ouders zich vervreemdend opstellen jegens de andere ouder, maar het
is ook mogelijk dat één ouder dat doet. Tenslotte kan de reactie van het kind ook voortkomen
uit voortdurende ouderlijke conflicten. Het kind zoekt door de afwijzing van één ouder een
uitweg om aan de vijandige sfeer te ontkomen.
Diagnose van PAS is belangrijk maar behandelen nog belangrijker. Wetenschappers zijn van
mening dat het probleem niet juridisch kan worden opgelost, maar dat een mogelijke oplossing
eigenlijk alleen in een eerdere fase ligt. In Nederland is in het Lorentzhuis in Haarlem een
methode ontwikkeld ‘Kinderen in de knel’ om ouders die continu in een strijd met elkaar
verwikkeld zijn (vechtscheiding) en hun kinderen bij te staan (Van Lawick, 2012).
Concluderend kunnen kinderen en jongeren vooral voor, tijdens en na een vechtscheiding
te maken krijgen met ernstige externaliserende en internaliserende problemen.
Ook de andere mogelijke gevolgen van een ouderlijke scheiding, zoals riskante
gewoonten en problemen op school, kunnen ernstige vormen aannemen. Specifiek
voor scheidingskinderen zijn loyaliteitsproblemen en oudervervreemding (PAS). Beide
problemen hebben te maken met het feit dat kinderen bedoeld of onbedoeld gedwongen
worden te kiezen voor een van beide ouders. Er worden in het sociaalwetenschappelijk
onderzoek meetinstrumenten ontwikkeld om beide problemen te meten, maar er zijn nog
geen (inter)nationale standaarden beschikbaar. Onder ernstige loyaliteitsconflicten wordt
meestal verstaan de situatie dat een kind niet trouw mag zijn aan beide ouders. Met Kelly
& Johnston (2001) definiëren we PAS als: ‘het vervreemde kind is een kind dat openlijk
en voortdurend onredelijk negatieve gevoelens en opvattingen (zoals boosheid, haat,
afwijzing en/of angst) over een ouder uit. Deze gevoelens staan niet in verhouding tot de
feitelijke ervaringen van het kind met die ouder.’ Behandeling van PAS is zeer moeilijk.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
43
Parentificatie
Parentificatie is een begrip dat werd geïntroduceerd door Boszormenyi-Nagy (1973). Volgens
deze pionier van de contextuele therapie gaat het bij parentificatie om gezinsomstandigheden
waarbij het kind verantwoordelijk wordt (gemaakt) voor het ouderlijk welbevinden. Het kind
wordt (en/of voelt zich) geroepen oneigenlijke zorgen op zich te nemen. Het kan zich ook iets
aanmatigen. Zo wordt het als het ware te snel ouder. Het mobiliseert daarbij de nodige krachten
en talenten. Maar op latere leeftijd kan zich dit fenomeen op uiteenlopende wijze wreken (Kinet
(red., 2010). Parentificatie komt veel voor na een ouderlijke scheiding (Aelen e.a., 2013).
Uitgangsvraag 1.3: Hoe vaak komen ernstige problemen rond de scheiding voor?
In het onderzoek S&G2010 is de mate van loyaliteitsconflicten bij scheidingskinderen
gemeten en zijn de gevolgen in kaart gebracht. Door middel van zes uitspraken met vijf
antwoordcategorieën is gemeten in welke mate kinderen loyaliteitsconflicten ervaren. Er is een
vierdeling gemaakt met elk een kwart van de respondenten: geen conflicten, lichte conflicten,
matige conflicten en ernstige conflicten. Daarna is gekeken naar het algemeen gevoel van
welbevinden, het zelfbeeld, en de mate van agressieve gevoelens, depressieve gevoelens en
angstgevoelens.
Tabel 2 Gevolgen van loyaliteitsconflicten voor scheidingskinderen
Loyaliteitsconflicten:
Scheidingskinderen (n=550):
Geen
Licht
Matig
Ernstig
Welbevinden (1-10)
8.2
7.9
7.4
6.6
Zelfbeeld (1-10)
7.2
7.0
6.5
5.8
Agressie (1-10)
4.2
4.3
4.3
4.8
Depressie (1-10)
4.6
4.7
5.9
7.4
Angst (1-10)
3.8
4.3
5.1
6.1
(Hoge score is positief)
(Hoge score is negatief)
Bron: S&G2010
Uit tabel 2 blijkt dat vooral ernstige loyaliteitsconflicten erg negatief zijn voor scheidingskinderen.
Dit komt overeen met resultaten uit Amerikaans onderzoek. De negatieve gevolgen voor kinderen
van ernstige loyaliteitsconflicten zijn vergelijkbaar met de gevolgen van oudervervreemding.
Johnston (2006) concludeert ook dat vervreemde kinderen significant meer risico lopen op een
ongunstige ontwikkeling zoals depressie, een laag zelfbeeld en een hoog drugs- en alcoholgebruik.
Loyaliteitsconflicten en oudervervreemding komen vaker voor bij oudere kinderen dan bij jongere.
Bovendien hangen beide fenomenen sterk samen met de mate van ouderlijke conflicten na de
scheiding.
Onderzoek in de VS en in andere landen, waaronder Nederland (S&G2010), concludeert dat een hoge
mate van vervreemding bij ongeveer 10 procent van de scheidingskinderen voorkomt. Hoe sterker de
mate van oudervervreemding hoe hoger de mate van angst, depressie en agressie bij kinderen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
44
Een lichte of matige vorm van oudervervreemding (hoewel zeker niet gunstig) heeft voor
kinderen nog niet zoveel negatieve gevolgen, een sterke mate van oudervervreemding
heeft dat echter wel. Vervreemde kinderen kunnen zowel te maken hebben met een slecht
functionerende inwonende ouder als met een slecht functionerende uitwonende ouder. De
negatieve houding van het kind treft meestal de vader omdat deze doorgaans de uitwonende
ouder is. Overbodig te zeggen dat oudervervreemding hoe dan ook als zeer negatief wordt
ervaren door de uitwonende ouder.
De conclusie is dat het moeilijk is om precies aan te geven hoe vaak problemen bij
kinderen rond de scheiding ‘ernstig’ genoemd moeten worden. Globaal krijgen 70.000
kinderen per jaar met de scheiding van hun ouders te maken. Naar schatting hebben
ongeveer 20.000 van hen te maken met ernstige problemen. Ongeveer 7.000 lijden
onder oudervervreemding of ouderverstoting, oudere kinderen iets vaker dan jongere.
Gescheiden ouders van kinderen met ernstige problemen zijn meestal terecht gekomen
in het juridisch circuit: deze scheidingen worden vechtscheidingen genoemd. Over
de specifieke effecten van vechtscheidingen op lange termijn is nog niet veel bekend.
Tenslotte is gebleken dat er onder probleemjongeren en grote zorggebruikers relatief veel
scheidingskinderen voorkomen.
Uitgangsvraag 1.4: Wanneer zijn – voor verschillende leeftijdsgroepen – de gevolgen
van de gehele scheidingsperiode (aanloop, scheiding en nasleep) reden tot zorg in de
jeugdhulp en jeugdbescherming, op de consultatiebureaus en in de Centra voor Jeugd en
Gezin (CJG)?
Ouderlijke scheiding is een proces met een aanloop, een scheidingsperiode en een soms
langdurige nasleep. In de periode voor de feitelijk scheiding zijn er thuis vaak al langdurige,
chronische conflicten tussen de ouders. Kinderen hebben last van die conflicten en die
spanningen. Bovendien worden ouders vaak lange tijd door hun relatieproblemen in beslag
genomen dat voldoende aandacht voor de opvoeding en voor de kinderen ontbreekt. Kinderen
worstelen vaak met allerlei vragen, onzekerheden en schuldgevoelens.
Deze situatie blijft meestal voortbestaan als een van de ouders het gezin heeft verlaten. Steun
voor kinderen in die (soms langdurige) periode van spanningen en onzekerheid is belangrijk.
Meer aandacht voor scheidingskinderen in de vorm van preventie kan veel problemen later
voorkomen.
Op veel plaatsen in het land zijn programma’s voor kinderen zoals !JES het brugproject, KIES,
Dappere Dino’s en Zandkastelen beschikbaar (zie bijlage 1). Zodra beroepskrachten in de
jeugdhulp en jeugdbescherming, op consultatiebureaus, en in de CJG’s te maken krijgen met
scheidingskinderen, is het aan te raden de ouders te adviseren hun kind(eren) zo’n programma
te laten volgen. Die programma’s zijn er voor verschillende leeftijdsgroepen.
Naast aandacht voor bovengenoemde programma’s is de vraag wat te doen voor kinderen
met ernstige problemen, waarvan kan worden vermoed dat deze te maken kunnen hebben
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
45
met de ouderlijke scheiding. Het is bekend dat in de jeugdhulpverlening scheidingskinderen
sterk oververtegenwoordigd zijn (Amato, 2010; Carr, 2006). Uit een onderzoek bij Bureau
Jeugdzorg Limburg bleek dat bijna twee derde van de jeugdigen die hulp kregen, kwamen
uit een scheidingsgezin (Vermeij, Van der Wal & Krooneman, 2005). Scheidingskinderen
kunnen dus te maken hebben met een of met meerdere ernstige internaliserende problemen,
externaliserende problemen, problemen op school en moeilijkheden in hun sociale
relaties. Bovendien kan er sprake zijn van parentificatie, ernstige loyaliteitsproblemen,
oudervervreemding en ouderverstoting.
Duijvestijn en Noordink (2013) hebben onderzoek gedaan naar de vraag in hoeverre de
scheidingsachtergrond mee dient te worden genomen in de diagnostiek en behandeling
van scheidingskinderen, die met psychosociale problemen worden aangemeld in de
jeugdhulpverlening. Zij deden onderzoek door interviews te houden met 25 experts
uit wetenschap en praktijk. Het blijkt dat de experts unaniem van mening zijn dat
scheidingskinderen, vooral als de scheiding gepaard gaat of is gegaan met veel ouderlijke
conflicten, een eigen benadering behoeven in de klinische praktijk. Omdat het zeer moeilijk is
om te bepalen welk gedrag verklaard kan worden uit de scheiding, dient een onderkennende,
classificerende diagnostiek bij de intake van scheidingskinderen uitgesteld te worden.
Anamnese
Het is belangrijk om een uitgebreide anamnese af te nemen bij kind en ouders. Voor zover
bekend zijn er geen instrumenten die zich specifiek richten op de gevolgen van een scheiding
voor kinderen of op de opvoedsituatie. Wel zijn er instrumenten beschikbaar die globaal
screenen op problemen bij kinderen, zoals de ‘Child Behavior Check List’ (CBCL), ‘Youth Self
Report’ (YSR) en de ‘Strenghts and Difficulties Questionnaire’ (SDQ). Na een scheiding ontstaat
er een nieuwe gezinssituatie. Het kind gaat bijvoorbeeld bij zijn vader of moeder en eventuele
stiefouders wonen. Het kan voor professionals van belang zijn om kenmerken van deze
nieuwe gezinssituatie in beeld te brengen: bijvoorbeeld de opvoeding, de onderlinge relaties
in het gezin of de gezinsbelasting. Hiervoor zijn verschillende instrumenten beschikbaar. Om
de opvoeding in een gezin in kaart te brengen, kan bijvoorbeeld de ‘Schaal voor Ouderlijk
Gedrag’ (SOG) worden afgenomen. Instrumenten die de onderlinge relaties in een gezin meten,
zijn onder meer de ‘Familie Relatie Test’ (FRT) en de ‘Gezinssysteemtest’ (GEST). Ook zijn er
instrumenten die zich richten op de gezinsbelasting, zoals de ‘Nijmeegse Ouderlijke Stress
Index’ (NOSI), de ‘Nijmeegse Vragenlijst voor de Opvoedingssituatie’ (NVOS) en de ‘Vragenlijst
voor Gezinsproblemen’ (VGP). De genoemde instrumenten richten zich echter niet specifiek
op gescheiden gezinnen. Zij kunnen dus wel de gezinssituatie bij vader en/of moeder in kaart
brengen, maar meestal niet de dynamiek tussen beiden.
Een diagnostisch scheiding(taxatie)-instrument bestaat nog niet zodat de diagnose afhangt van
de klinische blik van de beroepskracht. Zo’n instrument kan behulpzaam zijn om meer kennis
en inzicht te verkrijgen over de aard, ernst, fase en type van de scheiding. Uit het onderzoek
en uit eerdere studies is duidelijk geworden dat de behandeling zich zowel op het kind als op
de ouders moet richten (Amato, 2000; Leon, 2003; Treffers e.a., 1999). De hoogste prioriteit zal
moeten worden gegeven aan pogingen om de conflicten tussen de ouders te verminderen, hen
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
46
te leren geen ruzie te maken in het bijzijn van de kinderen, en hen te wijzen op het belang van
het maken van gezamenlijke afspraken over de kinderen.
Geconcludeerd kan worden dat kinderen op elke leeftijd met de ouderlijke scheiding
kunnen worden geconfronteerd en dat ten gevolge daarvan ernstige problemen kunnen
ontstaan, vooral wanneer de scheiding gepaard gaat met langdurige ouderlijk fysiek en/of
psychologisch geweld. Veel kinderen en jongeren die aangemeld worden in de jeugdhulp,
op de consultatie bureaus en in de CJG’s, hebben gescheiden ouders. Het is echter moeilijk
om te bepalen welk gedrag verklaard kan worden uit de scheiding. Daarom is het aan
te bevelen om een uitgebreide anamnese af te nemen bij kind en ouders. Bovendien is
het wenselijk om toe te werken naar een signaleringsinstrument om de betekenis van de
scheiding voor het kind beter vast te kunnen stellen. Experts uit onderzoek en praktijk
zijn van mening dat de behandeling zich zowel op het kind als op de ouders moet richten.
Het is van groot belang voor een gezonde ontwikkeling van de kinderen dat gescheiden
ouders gezamenlijk afspraken maken over de verzorging en opvoeding van de kinderen.
Uitgangsvraag 1.5 Wat zijn - voor verschillende leeftijdsgroepen - de mogelijke gevolgen
als een jeugdige wordt gescheiden van broers en/of zussen?
Volgens het CBS (2013, statline.cbs.nl) gaat het in ongeveer 36 procent van de scheidingen
om gezinnen met één (minderjarig) kind, in ongeveer 47 procent gaat het om gezinnen met 2
kinderen en in ongeveer 17 procent gaat het om gezinnen met drie of meer kinderen.
In gezinnen met één kind kan er uiteraard geen sprake zijn van gescheiden worden van broers
en/of zussen. Vervolgens is uit onderzoek bekend (Spruijt & Kormos, 2014) dat ongeveer 66
procent van de kinderen na de scheiding bij moeder woont, ongeveer 7 procent bij vader en
ongeveer 27 procent afwisselend bij moeder en vader (co-ouderschap). Uit de praktijk blijkt
dat broers en zussen meestal niet worden gescheiden. Mede omdat een scheiding van broers
en zussen in de praktijk zo weinig voorkomt, is er in de onderzoeksliteratuur vrijwel niets
over te vinden, noch over een scheiding voor alle leeftijdsgroepen, noch over een specifieke
leeftijdsgroep. Tenslotte kan nog worden gesteld dat bij de risicofactoren die in veel onderzoek
worden genoemd, het gescheiden worden van broer(s) en zus(sen) volledig ontbreekt.
Geconcludeerd moet worden dat het gescheiden worden van broers en zussen na een (echt)
scheiding meestal niet voor komt. In de onderzoeksliteratuur is er tot nu toe niets over te
vinden, noch over een scheiding van broers en zussen voor alle leeftijdsgroepen, noch voor
een specifieke leeftijdsgroep.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
47
3.4 (Stief)broers, (stief)zussen en stiefouders
Uitgangsvraag 1.6 Wat zijn - voor verschillende leeftijdsgroepen - de mogelijke gevolgen
als een jeugdige met anderen in een stiefgezin komt te wonen?
Over het wonen van kinderen in nieuw samengestelde gezinnen of stiefgezinnen is veel
geschreven. Is de ouderlijke scheiding voor kinderen al een moeilijke periode, uit Amerikaans
onderzoek (Gelatt, Adler-Baeder & Seeley, 2010) is gebleken dat de vorming van een
samengesteld gezin nog meer stress bij kinderen kan veroorzaken dan de scheiding van de
ouders. Kinderen vinden dat zij te weinig tijd krijgen om de scheiding te verwerken en te wennen
aan de nieuwe volwassene in het gezin. Kinderen zeggen vaak dat de nieuwe partner zich te veel
en te snel bemoeit met de opvoeding. Ook moeten zij de aandacht van hun ouder delen met
de nieuwe partner. Tenslotte blijkt dat in een stiefgezin nogal eens sprake is van verschillende
opvoedstijlen en van te weinig communicatie daarover (Haverkort, Kooistra-Populier &
Hendrikse-Voogt, 2012; Haverkort & Spruijt, 2012).
Naast alle veranderingen in het gezin is er dan ook nog de vaak ingewikkelde verhouding met
de uitwonende ouder. Bovendien blijkt uit onderzoek dat stiefgezinnen nog vaker uit elkaar
gaan dat gezinnen met de beide biologische ouders. Kinderen met problemen in stiefgezinnen
verdienen dus extra aandacht.
Volgens de officiële statistieken wonen er meer scheidingskinderen in een eenoudergezin dan
in een stiefgezin, maar om allerlei redenen is de praktijk anders (Steenhof, 2007). Uit onderzoek
in Vlaanderen en Nederland (LAGO, 2011; Spruijt & Kormos, 2014) blijkt dat ongeveer 60 procent
van alle scheidingskinderen in een stiefgezin woont. In Nederland gaat het dan om ongeveer
200 duizend gezinnen. Bovendien hebben veel kinderen tijdens hun verblijf bij de uitwonende
ouder te maken met diens nieuwe partner (parttime stiefgezinnen).
Het meeste voorkomende stiefgezin is een gezin met moeder en haar kinderen en haar nieuwe
partner (ongeveer 140 duizend). Stiefgezinnen met vader en zijn kinderen en zijn nieuwe partner
komen veel minder voor (ongeveer 15.000). Wel hebben veel co-ouderkinderen te maken met
een of twee stiefouders. In een derde van de stiefgezinnen wordt ook nog een of meer nieuwe
kinderen geboren. Tenslotte hebben stiefkinderen tijdens het contact met de andere ouder ook
vaak nog te maken met andere kinderen. Het is belangrijk voor de jeugdhulpverlening om de
vaak complexe woonsituatie(s) van de kinderen duidelijk in kaart te brengen. Jeugdigen kunnen
verschillende problemen ervaren in stiefvader- of in stiefmoedergezinnen. Enkele verschillen
zijn de volgende.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
48
Verschillen tussen stiefvadergezinnen en stiefmoedergezinnen:
-Stiefmoeders zetten zich vaak erg in voor de opvoeding van de kinderen van hun partner.
-Partners verwachten van de stiefmoeder dat zij er volledig is voor de kinderen.
-Aan stiefmoeders worden door de andere familieleden, maar ook door vrienden, buren
en school, hogere eisen gesteld dan aan stiefvaders wat betreft betrokkenheid en
inlevingsvermogen.
-Stiefmoeders zijn vaak kritischer over de opvoeding door hun partner dan stiefvaders.
-Stiefmoeders nemen meer waar aan de kinderen dan stiefvaders, mede doordat zij meer
uren met de kinderen doorbrengen.
-Stiefvaders laten de opvoeding vooral over aan de biologische moeder.
-Partners verwachten van de stiefvader niet dat hij er volledig is voor de kinderen.
-Stiefvaders ontvangen eerder complimenten dan stiefmoeders wanneer ze optrekken
met hun stiefkind.
-Stiefvaders willen vaak meer dan stiefmoeders hun autoriteit laten gelden.
-Van stiefvaders wordt vaker een financiële bijdrage verwacht voor de stiefkinderen dan
van stiefmoeders. De omgeving vindt het normaal dat de stiefvader financieel voor de
stiefkinderen zorgt.
Bron: Haverkort & Spruijt, 2012
Concluderend blijkt uit de onderzoeksliteratuur dat veel scheidingskinderen in hun gezin
te maken krijgen met een nieuwe partner van de ouder. Omdat de meeste kinderen na de
scheiding bij moeder wonen, is dat meestal een (fulltime) stiefvader. Fulltime stiefmoeders
komen veel minder vaak voor. Stiefmoeders zijn meestal weekend stiefmoeder. Als
scheidingskinderen beurtelings bij moeder en vader wonen (co-ouderschap, een woonsituatie
voor scheidingskinderen die steeds meer voorkomt) hebben zij vaak te maken met zowel een
stiefvader als een stiefmoeder. Dat er in een stiefgezin zowel kinderen van de moeder als van
de vader wonen, komt weinig voor. In een derde van de stiefgezinnen worden nog wel een of
meer nieuwe kinderen geboren. Hoe complexer het gezin hoe groter de kans op spanningen
en problemen. Deze hebben vaak te maken met te weinig communicatie en te hoge (vaak
impliciete) verwachtingen.
3.5 Risicofactoren
Uitgangsvraag 1.7 Wat zijn de belangrijkste risicofactoren voor het ontwikkelen van
ernstige problemen door jeugdigen bij een scheiding?
De literatuur is duidelijk over de belangrijkste risicofactoren voor kinderen voor, tijdens en na
een ouderlijke scheiding. Dit zijn in volgorde van belangrijkheid:
-huiselijk geweld en kindermishandeling;
-psychologische oorlogsvoering tussen de ouders;
-ernstige en langdurige ouderlijke conflicten;
-instabiele inwonende ouder of ouders;
-slechte band met de inwonende ouder;
-aantal bijkomende veranderingen;
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
49
-financiële problemen;
-slechte band met de stiefouder (indien aanwezig);
-slechte band met de uitwonende ouder.
Het ontbreken van bovengenoemde factoren kan uiteraard positief worden genoemd en
verkleint de kans op problemen. Er zijn echter ook andere positieve factoren die de kans op
problemen rond (echt)scheiding kunnen verminderen: humor van de ouders, onderlinge
genegenheid, interesse voor de kinderen, geen geruzie of kwaad spreken in het bijzijn van de
kinderen, en een positieve onderlinge communicatie tussen de ouders.
Contact met de uitwonende ouder
Het is opvallend dat de frequentie van contact met de uitwonende ouder (meestal dus de vader)
niet behoort tot de belangrijkste risicofactoren. De mate van contact met de uitwonende ouder
is al geruime tijd een belangrijk thema in het scheidingsonderzoek, in de wetgeving en in de
scheidingspraktijk. In de VS bestaan diverse onderzoeken met soms onduidelijke uitkomsten
over het belang voor het kind van de mate van het contact met de uitwonende ouder. Als er
relatief weinig ouderlijk conflict is, dan is contact positief voor het kind; is er veel conflict dan
werkt contact negatief. King (2002) concludeerde dat er in haar studie geen enkel significant
verband bestond tussen de bezoekregeling en de (talrijke) onderzochte kind kenmerken.
Kortom, er wordt geen samenhang gevonden tussen hoeveelheid contact met de uitwonende
ouder na de scheiding en problemen van kinderen.
Niet de kwantiteit maar de kwaliteit van het ouder–kind contact lijkt van betekenis te zijn voor
het welbevinden van kinderen (King & Sobolowski, 2006). Booth, Scott, King & Johnson (2006)
concludeerden dat voor het handhaven van een goede relatie met de uitwonende vader na
scheiding, ook een intensieve band tussen inwonende moeder en kind van groot belang is. Met
scheidingskinderen lijkt het dus beter te gaan als zij een goede band hebben met beide ouders,
terwijl de kwantiteit van het contact er veel minder toe doet.
In het onderzoek J&G (Spruijt & Kormos, 2010) zijn zowel de mate van contact als sterkte
van de band gemeten. Dan blijkt opnieuw dat er geen significante samenhang is tussen
de verschillende problemen van scheidingskinderen en de frequentie van het contact met
de uitwonende ouder. Wel van enig belang voor het kind blijkt de band te zijn die met de
uitwonende ouder (meestal dus de vader) vòòr de scheiding is opgebouwd.
Genetische factoren
Regelmatig wordt de vraag gesteld of er mogelijke genetische factoren zijn die de kans op
problemen bij (scheidings-)kinderen kunnen vergroten (zie Inleiding).
Onderzoek naar genetische factoren geeft weinig houvast: er is hooguit een zwakke
achterliggende factor voor agressie of antisociaal gedrag. Amato en Cheadle (2008)
concludeerden na een vergelijking tussen geadopteerde en biologische scheidingskinderen,
dat scheiding een zelfstandig negatief effect heeft op problemen van kinderen. Het weinige
onderzoek dat op dit gebied is gedaan, leidt wel tot de vraag of bepaalde kinderen kwetsbaarder
zijn voor problemen na scheiding dan anderen (Amato, 2010).
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
50
3.6 Conclusies
De belangrijkste gevolgen voor kinderen en jongeren zijn op kortere termijn:
-externaliserende problemen zoals agressief gedrag, vandalisme en – voor jongeren –
delinquent gedrag en meer roken, blowen en drinken;
-internaliserende problemen zoals depressieve gevoelens, loyaliteitsconflicten, gevoelens van
angst en een laag zelfbeeld;
-problemen in vriendschapsrelaties;
-een zwakkere band met de ouders, vooral met de vaders; parentificatie, ouderafwijzing;
-problemen op school zoals lagere cijfers, concentratieproblemen en spanningen in het
contact met andere leerlingen.
Op langere termijn zijn de belangrijkste gevolgen:
-een lager eindniveau van de opleiding;
-minder inkomen;
-een groter eigen scheidingsrisico;
-een groter risico op depressie inclusief een groter beroep op de hulpverlening;
-een zwakkere band met de (ouder wordende) ouders.
Gemiddeld hebben scheidingskinderen dubbel zoveel problemen vergeleken met kinderen
uit intacte gezinnen en de ernst van de problemen kan natuurlijk verschillen. Bovendien
hebben kinderen ten gevolge van de ouderlijke scheiding soms meerdere problemen tegelijk.
Ernstige problemen kunnen vooral voorkomen bij scheidingen met veel (juridische) conflicten:
vechtscheidingen.
Specifieke problemen voor kinderen tijdens en na een vechtscheiding zijn:
-parentificatie;
-loyaliteitsproblemen;
-ouderafwijzing, oudervervreemding of ouderverstoting (PAS).
Parentificatie wil zeggen dat een jeugdige langdurig de rol van ouder op zich neemt met de
bijbehorende taken en verantwoordelijkheden. De andere twee problemen hebben te maken
met het feit dat kinderen bedoeld of onbedoeld gedwongen worden te kiezen voor een van
beide ouders.
Er zijn in het sociaalwetenschappelijk onderzoek meetinstrumenten ontwikkeld om beide
problemen te meten, maar er zijn nog geen (inter) nationale standaarden beschikbaar. Onder
ernstige loyaliteitsconflicten wordt meestal verstaan de situatie dat een kind niet trouw mag
zijn aan beide ouders. We definiëren oudervervreemding als: ‘het vervreemde kind is een kind
dat openlijk en voortdurend onredelijk negatieve gevoelens en opvattingen (zoals boosheid,
haat, afwijzing en/of angst) over een ouder uit. Deze gevoelens staan niet in verhouding tot de
feitelijke ervaringen van het kind met die ouder.’
Hoe ‘ernstig’?
Het is moeilijk om exact aan te geven hoe vaak problemen bij kinderen en jongeren rond de
scheiding ’ernstig’ genoemd moeten worden. Ongeveer zeventigduizend jeugdigen krijgen
per jaar met de scheiding van hun ouders te maken. Naar schatting hebben ongeveer
twintigduizend van hen min of meer ernstige problemen. Ongeveer zevenduizend jeugdigen
lijden onder ernstige specifieke ‘scheidingsproblemen’ zoals parentificatie, loyaliteitsconflicten
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
51
en oudervervreemding of ouderafwijzing, oudere jeugdigen iets vaker dan jongere. Jeugdigen
met ernstige problemen hebben meestal ouders die terecht zijn gekomen in het juridische
circuit. Deze scheidingen worden vechtscheidingen genoemd. Het is gebleken dat er onder
probleemjongeren en grote zorggebruikers relatief veel scheidingskinderen voorkomen (Amato,
2010; Haverkort & Spruijt, 2012; Leon, 2003).
Stiefgezinnen
Uit de onderzoeksliteratuur blijkt tenslotte dat veel scheidingskinderen in hun gezin te maken
krijgen met een nieuwe partner van de ouder. Omdat de meeste kinderen na de scheiding
bij moeder wonen, is dat meestal een (fulltime) stiefvader. Fulltime stiefmoeders komen veel
minder vaak voor. Stiefmoeders zijn meestal weekend stiefmoeder. Als scheidingskinderen
beurtelings bij moeder en vader wonen (co-ouderschap) hebben zij vaak te maken met zowel
een stiefvader als een stiefmoeder. Dat er in een stiefgezin zowel kinderen van de moeder als
van de vader wonen, komt weinig voor. In een derde van de stiefgezinnen worden nog wel een
of meer nieuwe kinderen geboren. Hoe complexer het gezin hoe groter de kans op spanningen
en problemen. Deze hebben vaak te maken met te weinig communicatie en te hoge (vaak
impliciete) verwachtingen.
Ten slotte: de belangrijkste risicofactoren voor ernstige problemen van
scheidingskinderen zijn hevige en langdurige conflicten tussen de ouders. Dit geldt
voor zowel fysieke als psychologische ruzies. (Getuige zijn van) huiselijk geweld en
kindermishandeling vormen belangrijke risicofactoren voor kinderen. Een goede band met
de inwonende ouder is een belangrijke positieve factor. Ook de band met de uitwonende
ouder is van belang, zij het in mindere mate. Een goede band met de uitwonende ouder
is voor een scheidingskind belangrijker dan de frequentie van het contact. Sommige
kinderen blijken beter met de scheiding te kunnen omgaan dan anderen maar meer
onderzoek op dit punt is nodig.
3.7 Overige overwegingen
In aanvulling op de literatuur is er vanuit de praktijk een aantal belangrijke opmerkingen
gemaakt. Bijvoorbeeld dat negatieve uitlatingen naar de andere ouder kunnen worden
geheretiketteerd als onverwerkt trauma, waarna verwezen kan worden naar de GGZ. De
discussie in de klankbordgroep leverde de volgende overwegingen op:
-Sommige jeugdprofessionals erkennen de specifieke situatie van het scheidingskind niet
genoeg. Zij moeten zich hiervan bewust zijn en vragen hoe de jeugdige de scheiding van
zijn ouders beleeft. Ook in scholing moet meer aandacht zijn voor de belevingswereld van
jeugdigen.
-Als scholen problemen van jeugdigen in een scheidingssituatie onvoldoende
signaleren (of hieraan geen gevolg geven), is het belangrijk dat jeugdprofessionals de
scheidingsproblematiek bespreken met de scholen.
-Jeugdprofessionals zouden meer kennis moeten verwerven die nodig is om een gesprek te
voeren over scheidingsproblematiek met ouders en jeugdigen. Vervolgens moeten zij aan
ouders duidelijk kunnen uitleggen dat kinderen loyaal willen blijven aan beide ouders. Dat
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
52
kan veel problemen en leed voorkomen.
-Jeugdprofessionals moeten gescheiden ouders erop wijzen dat zij niet negatief spreken over
de andere ouder in het bijzijn van hun kind.
-Jeugdprofessionals doen er goed aan ouders óók te wijzen op de zaken die wél goed gaan in
de opvoeding.
-Jeugdprofessionals doen er goed aan om niet het onmogelijke van zichzelf te vragen als
ouders herhaaldelijk niet in staat blijken om de strijd te staken.
3.8 Aanbevelingen
-Neem kennis van de cijfers, van de belangrijkste risicofactoren en van de belangrijkste
gevolgen van ouderlijke scheiding voor jeugdigen. Lees hiervoor de richtlijn en relevante
literatuurverwijzingen. Start met het Handboek scheiden en de kinderen (Spruijt & Kormos,
2o14). Dit boek geeft een goed beeld van sociaalwetenschappelijk onderzoek, de wetgeving
en het hulpaanbod voor jeugdigen en ouders.
-Weet dat naar schatting per jaar ongeveer twintigduizend thuiswonende scheidingskinderen
ernstige problemen door scheiding ondervinden. Bij ongeveer zevenduizend jeugdigen speelt
oudervervreemding of ouderafwijzing, bij oudere jeugdigen iets vaker dan bij jongere.
-Realiseer je dat het gaat om zowel gevolgen op kortere termijn (zoals externaliserende
en internaliserende problematiek), als om gevolgen op langere termijn (zoals een lager
opleidingsniveau, meer kans op depressiviteit en een groter eigen scheidingsrisico).
-Stel je op de hoogte van enkele specifieke (ernstige) problemen die zich kunnen voordoen
bij jeugdigen na een ouderlijke scheiding, zoals loyaliteitsconflicten, parentificatie,
oudervervreemding en ouderafwijzing.
-Weet dat ook baby’s en jonge kinderen ernstige gevolgen van een ouderlijke scheiding
kunnen ondervinden.
-Besef dat jeugdigen door een vechtscheiding te maken kunnen krijgen met huiselijk geweld
en kindermishandeling. Ook het getuige zijn van geweld tegen een ouder kan een jeugdige
ernstige schade toebrengen. Lees literatuur over vechtscheidingen en ouderschap (Cottyn,
2009; Van Lawick & Visser, 2014). Lees ook de Richtlijn Kindermishandeling voor jeugdhulp
en jeugdbescherming (Vink et al., concept in ontwikkeling) waarin onder andere staat
beschreven wat jeugdprofessionals moeten doen bij signalen van en risicofactoren voor
kindermishandeling en hoe zij hierin kunnen handelen.
-Ga bij de intake altijd na of de ouders in scheiding liggen en/of veel ouderlijke conflicten
hebben. Breng de actuele gezinssituatie in kaart door bij de intake beide ouders te bevragen
naar de verdeling van het gezag, de woonsituatie en eventuele nieuwe gezinsleden.
-Als er sprake is van een scheiding of van heftige ouderlijke conflicten, breng dan de
problemen van de jeugdige in kaart. Gebruik een vragenlijst of intakeformulier bij de jeugdige
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
53
en beide ouders waarbij aandacht is voor 1. de aard, ernst, fase en het type van de scheiding
en de reactie van de jeugdige hierop; 2. de belangrijkste risicofactoren van de scheiding
voor de jeugdige; en 3. de gevolgen van de ouderlijke scheiding voor de jeugdige. En maak
een inschatting van eventuele bijzondere persoonskenmerken, waaronder een lichte
verstandelijke beperking (LVB).
-Overweeg meerdere informanten (de jeugdige zelf, de school, familieleden, de huisarts) te
horen. Daarmee vergroot je de kans dat de jeugdige en de ouders passende hulp krijgen.
-Deel met andere professionals binnen je organisatie en daarbuiten (zoals het onderwijs en
het juridische werkveld) kennis en ervaringen over deze problematiek. Bespreek in casusoverleggen of werkbesprekingen hoe je als professional omgaat met dilemma’s die je in het
contact met ouders tegenkomt. Bijvoorbeeld als bij hen de focus nog te veel ligt op scheiden
als partners en minder of niet als ouders. Hoe ga je hiermee om?
-Ga na of er sprake is van gezamenlijk ouderlijk gezag, eenhoofdig gezag of een andere
gezagsregeling. Meestal hebben beide ouders na de scheiding gezamenlijk ouderlijk gezag.
Dan is voor hulp aan de jeugdige toestemming van beide ouders nodig. Ook wanneer
een ouder geen gezag heeft maar de jeugdige wel heeft erkend, heeft die ouder recht
op informatie over de hulp aan de jeugdige, net zoals de gezaghebbende ouder. Die
informatievoorziening gaat in de praktijk nogal eens mis.
-Vraag tijdens de intake naar de thuissituatie van de jeugdige. Informeer ook regelmatig naar
eventuele wijzigingen omdat de thuissituatie vaak complex is en aan verandering onderhevig.
-Informeer bij de intake naar de specifieke gezinssituatie. Weet dat bij nieuwe gezinnen na
een scheiding de gezinsverhoudingen nog complexer worden. De (nieuwe) partners moeten
relationeel en pedagogisch tot een nieuw evenwicht komen: hoe om te gaan met elkaar
en hoe om te gaan met de ouderrol en opvoeding van de (stief)kinderen. Weet dat er vaak
sprake is van te weinig communicatie en te hoge (vaak impliciete) verwachtingen.
-Als er geen sprake is van scheiding of van heftige ouderlijke conflicten, volg dan de
diagnostiek en behandeling ‘as usual’, afhankelijk van de problemen bij aanmelding.
Raadpleeg hiervoor ook de bijbehorende richtlijn.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
54
Hoofdstuk 4
Interventies
voor jeugdigen met
gescheiden ouders
Richtlijn
RichtlijnScheiding
Scheidingen
enproblemen
problemenvan
vanjeugdigen
jeugdigenvoor
voorjeugdhulp
jeugdhulpen
enjeugdbescherming
jeugdbescherming//onderbouwing
onderbouwing//pagina
pagina 55
55
Knelpunt: Hulpverleners weten onvoldoende hoe zij jeugdigen met gescheiden ouders het
beste kunnen helpen.
4.1 Advies over de mate van contact met beide ouders
Uitgangsvraag 2.1 Welke afwegingen zijn van belang bij de keuze voor een bepaalde
verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) of voor een bepaalde
omgangsregeling die past bij de ontwikkeling van een jeugdige?
De wet
In het internationaal verdrag voor de rechten van het kind (IVRK) en in het burgerlijk wetboek
is vastgelegd dat kinderen recht hebben op de omgang met beide ouders. Dit betekent dat na
(echt)scheiding het kind ook recht heeft op omgang met de uitwonende ouder. Onder omgang
verstaan we dat er contact is tussen de uitwonende ouder en het kind, zoals dit vastgelegd is in
de omgangsregeling. Aan dit recht valt door beide ouders niet te tornen. De belangen van het
kind zijn dan ook uitgangspunt van gesprek met de inwonende en de uitwonende ouder.
Op 1 maart 2009 is de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding in
werking getreden. De belangrijkste punten met betrekking tot zorg en omgang met beide
ouders zijn:
-Ouders (van minderjarige kinderen) moeten aan hun verzoek tot echtscheiding of
beëindiging geregistreerd partnerschap een ouderschapsplan toevoegen.
-Soms zullen ouders, ondanks de hulp van een mediator of advocaat, geen overeenstemming
kunnen bereiken over een ouderschapsplan. Dan kan er soms nog wel deelovereenstemming
worden bereikt. Bovendien heeft een ouder nog de mogelijkheid om alléén een
verzoekschrift in te dienen. Daarin moet hij of zij dan wel aangeven waarom het niet is
gelukt om samen een ouderschapsplan op te stellen. Ook moet deze ouder vermelden
welke afspraken er volgens hem of haar in het ouderschapsplan moeten komen te staan. De
andere ouder kan dan eventueel verweer voeren met hulp van een eigen advocaat.
-In elk geval moet in een ouderschapsplan ook staan hoe de kinderen zijn betrokken bij het
maken van het plan.
-De rechter kan de ouders ook naar een mediator verwijzen als het verzoekschrift of de
behandeling op de zitting daartoe aanleiding geeft. Doel daarvan is alsnog te bereiken dat de
ouders in onderling overleg afspraken maken over één of meer gevolgen van de scheiding.
-De wet spreekt verder van gelijkwaardig ouderschap na scheiding. Ook is een ouder verplicht
de band van het kind met de andere ouder te bevorderen.
-In geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen geschillen hierover op verzoek
van (een van) de ouders aan de rechter worden voorgelegd.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
56
-Gezamenlijk gezag na scheiding is de norm. Eenhoofdig gezag behoort tot de uitzonderingen.
-De rechter kan op verzoek van (een van) de ouders bepalen dat het gezag over een kind aan
een van hen toekomt. Dat kan volgens de wettekst onder meer als: er een onaanvaardbaar
risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet is te verwachten dat
hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag
anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
-De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met
zijn kind.
-Soms is het beter voor een kind als het geen contact of omgang meer heeft met de andere
ouder. De rechter kan op verzoek van een ouder de andere gezag dragende ouder de
omgang met het kind ontzeggen maar alleen tijdelijk. Als de situatie verandert of anders na
een jaar kan deze laatste de rechter vragen om de zaak opnieuw te beoordelen.
-Heeft de andere ouder geen gezag, dan betreft de ontzegging de omgang. Ontzegging van de
omgang vindt plaats als:
-omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
-de betreffende ouder kennelijk ongeschikt of niet in staat moet worden geacht tot
omgang met het kind, of
-het kind van twaalf jaar of ouder zelf grote bezwaren heeft tegen omgang met de andere
ouder, of
- omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De hiervoor genoemde criteria worden de ontzeggingsgronden genoemd.
Bronnen: Ministerie van Justitie (2009); (Programmaministerie voor) Jeugd en Gezin (2009);
Spruijt & Kormos, 2010).
Gezamenlijk gezag
Verreweg de meeste ouders (meer dan 90 procent) houden na hun scheiding gezamenlijk
ouderlijk gezag over hun kinderen. In het ouderschapsplan moet dan een verdeling van de zorgen opvoedingstaken (zorgregeling) zijn afgesproken. Een ouder zonder gezag (minder dan 10
procent) heeft recht op en de plicht tot omgang met zijn kind (omgangsregeling). Contact met een
van de ouders kan, al dan niet voor bepaalde tijd, worden stopgezet als het belang van de jeugdige
daarom vraagt. De jeugdprofessional hoort daarom – als dat mogelijk is – de jeugdige in de
gelegenheid te stellen zijn mening kenbaar te maken, zodat deze ook kan worden meegewogen.
Wanneer ouders het niet eens kunnen worden over de zorgverdeling of de omgangsregeling
legt dat grote druk op de jeugdige. Hendriks (2012) wijst in dit verband op de noodzaak van de
ontvlechting van de partner- en de ouderrol. Probeer als professional ouders er op te wijzen
dat zij scheiden als partners, maar niet als ouders. Als de ouders als ouder-subsysteem kunnen
(blijven) functioneren, kunnen ze tegen hun kind zeggen: ’Wij hebben dit of dat afgesproken ...’,
in plaats van: ’Ik zeg dit en je vader zegt dat ...’. Voor kinderen is dit heel belangrijk.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
57
Contact met uitwonende ouder
Uit onderzoek tot ongeveer het jaar 2000 bleek dat een flink deel van de kinderen na de scheiding
geen contact meer heeft met de uitwonende ouder (meestal de vader). De Graaf (2001a & 2001b))
concludeert op basis van de landelijke gegevens uit het CBS Onderzoek Gezinsvorming 1998 dat
ruim een kwart van de kinderen na scheiding het contact met hun vader kwijt is. Eveneens een
kwart geeft aan dat het contact slecht is. Uit Utrechts onderzoek onder adolescenten uit 2000
blijkt dat ongeveer 24 procent van de jongeren geen contact heeft met de uitwonende vader.
In buitenlands onderzoek worden vergelijkbare cijfers gevonden. Er zijn geen grote verschillen
tussen jongens en meisjes. King en Heard (1999) rapporteren over een steekproef van meer dan
1500 Amerikaanse kinderen en vermelden ook 25 procent ‘geen contact’.
Vergelijking van de uitkomsten van recente studies met die van rond het jaar 2000, laat een
verandering zien in dit opzicht. Het percentage kinderen dat helemaal geen contact heeft met
de uitwonende ouder blijkt gedurende de laatste vijftien jaar in Nederland langzaam te zijn
afgenomen van ca. 25 naar ca. 10 procent. Dat komt natuurlijk mede door de toename van de
co-oudergezinnen tot ongeveer 27 procent. In die situatie hebben kinderen uiteraard regelmatig
contact met beide ouders. Als er geen co-ouderschap is, ziet 15 procent van de kinderen hun
andere ouder helemaal niet (Spruijt & Kormos, 2010 en 2014). Het maakt weinig uit of de
uitwonende ouder de vader of de moeder is.
Er is een licht verband tussen de leeftijd van het kind tijdens de scheiding en de mate van contact
met de uitwonende ouder. Hoe jonger het kind is tijdens de scheiding, hoe minder contact het
later heeft met de uitwonende ouder. Daarentegen hebben kinderen van negen tot en met twaalf
jaar meer contact met hun uitwonende ouder dan kinderen van dertien jaar en ouder. Maar dat
geldt ook voor de mate van contact met hun inwonende ouder. Hoe ouder kinderen worden hoe
meer zij zich gaan richten op anderen buiten het gezin, vooral op leeftijdgenoten.
Onvrede
Veel uitwonende gescheiden ouders zijn begrijpelijkerwijs ontevreden over de mate van
contact met hun kinderen. Veel kinderen melden ook dat zij meer contact zouden willen met
hun uitwonende ouder (Van der Valk, 2013). Dat is immers gemiddeld veel minder dan voor de
scheiding. Maar ook veel inwonende ouders (meestal moeders) vinden het contact van hun
kinderen met hun uitwonende vader te weinig. Madden-Derdich en Leonard (2002) melden
wel dat vaders gemiddeld ontevredener zijn met de omgangsregeling dan moeders. Maar in de
meest voorkomende situatie, namelijk die waarin de kinderen bij moeder wonen, vindt ongeveer
een kwart van de moeders het contact tussen kinderen en vader ook (veel) te weinig (Kalmijn
& De Graaf, 2000). Volgens deze auteurs is het aandeel ontevreden vaders echter veel hoger,
te weten 38 procent. Organisaties van gescheiden vaders schatten dit percentage in berichten
op het internet echter nog veel hoger in. Uit onderzoek blijkt verder nog dat het verminderde
contact tussen scheidingskinderen en hun vaders vaak niet meer verbetert in de loop der jaren.
Volwassen kinderen uit scheidingsgezinnen hebben duidelijk minder contact met hun ouders
(vooral met hun vaders) dan volwassen kinderen uit intacte gezinnen (Kalmijn en Dykstra, 2004).
Kalmijn (2007) toont duidelijk aan dat oude(re) gescheiden vaders minder contact hebben met
en ondersteuning ontvangen van hun kinderen dan oude(re) gescheiden moeders.
Omgangsregelingen
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
58
Vroeger, dat wil zeggen tot ongeveer het jaar 2000 was de meest gangbare regeling na een
scheiding: kind(eren) wonen bij moeder en gaan één weekend per veertien dagen naar
vader. Passend bij de algemene ontwikkelingen in de samenleving, zoals meer aandacht
voor de rol van vaders, komt deze regeling steeds minder voor. De regeling is nu veel meer
geïndividualiseerd aansluitend op de wensen en opvattingen van ouders en kinderen. De
afspraken moeten ook aansluiten bij de ontwikkelingsfase van het kind. Kelly (2006) concludeert
op basis van uitgebreid empirisch en klinisch onderzoek dat traditionele omgangsregelingen
voor de meerderheid van de kinderen ouderwets zijn en onnodig rigide. Dergelijke regelingen
sluiten niet meer aan bij de korte en lange termijn belangen van de kinderen.
Factoren die van invloed zijn op de zorg- en omgangsregelingen na de scheiding zijn volgens
Kelly: institutionele belemmeringen (zoals de traditie en de opvattingen van veel advocaten en
rechters), psychologische factoren van de ouders (zoals weinig opvoedervaring van vaders),
afstand tussen woonplaats ouders na de scheiding, hertrouw van moeder en/of vader
(hertrouw leidt in het algemeen tot verminderd contact). Groenhuijsen (2006) vat samen dat
een ouderschapsplan moet aansluiten bij de specifieke ontwikkelingsbehoeften en vragen van
kinderen gekoppeld aan de pedagogische mogelijkheden en persoonlijke eigenschappen van de
ouders.
Basisvoorwaarden
In de literatuur wordt een aantal ontwikkelingscondities genoemd, die van belang zijn om
over het kind te adviseren. Er worden bijna twintig condities onderscheiden geordend in drie
thema’s:
1.
zorg en veiligheid: adequate verzorging, veilige directe en wijdere fysieke omgeving,
ondersteunende en flexibele opvoedingsstructuur
2.
passende opvoeding: continuïteit en stabiliteit in opvoeding en verzorging, respect voor en
interesse in het kind, een affectief klimaat, begrip en steun, niveau van onderwijs, omgang
met peers, adequaat voorbeeldgedrag ouder(s)
3.
continuïteit en toekomst perspectief: kind weet waar hij aan toe is in heden en toekomst,
weet waar hij vandaan komt, houdt contact met zijn verleden, ondersteuning door sociaal
netwerk.
Het is bij gezamenlijk ouderlijk gezag van belang eerst te kijken naar de afspraken in het
ouderschapsplan en vervolgens naar de ontwikkelingscondities voor het kind. Hoe is het
gesteld met de primaire zorg voor het kind en met de veiligheid van de directe omgeving. Is
een passende opvoeding en verzorging gegarandeerd en is deelname aan het onderwijs goed
geregeld, inclusief de omgang met leeftijdsgenoten? Is er een duidelijk toekomstperspectief voor
het kind, weet hij waar hij aan toe is?
Voor een positieve ontwikkeling van het kind gaat het vooral om de kwaliteit van de ouderkindrelatie. Die kwaliteit is belangrijker voor een goede aanpassing van kinderen na de scheiding
dan afspraken over de kwantiteit van het contact met beide ouders na de scheiding (Buchanan
e.a., 1996; Van der Gun & de Jong, 2006; Wallerstein, Lewis & Blakeslee, 2000).
Op basis van die informatie kan naar de zorg- of omgangsregeling worden gekeken. Als uit die
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
59
afweging blijkt dat een kind ernstige problemen heeft vanwege chronische ouderlijke conflicten,
is het belangrijk (nogmaals) te adviseren dat ouders hun conflicten leren beheersen, alvorens
een nieuwe zorg- of omgangsregeling af te spreken. Het is wenselijk om hier een redelijke
termijn af te spreken.
Vertel ouders dat het belangrijk is voor hun kind dat beide ouders instemmen met afspraken
over de omgang en zorg. Ook als bemiddeling en begeleide omgang nodig is.
Als hun kind erbij is, moeten ouders niet op een belastende manier over elkaar praten. Dus
rustig zonder stemverheffing. Maak ouders duidelijk dat hun kind lijdt onder hun ruzies. Enkele
tips:
1.Breng met ouders de pijnpunten in kaart, werk aan het vertrouwen en de motivatie tijdens
de kennismakingsfase.
2.Benader de ouders in de communicatie met hen steeds vanuit hun rol als ouder in plaats
van als ex-partner.
3.Heb oog voor de stem van het kind: breng de meningen, ideeën en wensen van het kind in
kaart.
4. Werk samen met het netwerk om de gemaakte afspraken vorm te geven.
(Bron: Ouderschap Blijft (NJi, 2011).
Professionals moeten zich er van bewust zijn dat aanhoudende ernstige conflicten een kenmerk
kunnen zijn van scheidingtrauma dat eerst verwerkt moet worden voordat samenwerking
tussen de ouders mogelijk is. Eventueel kan een ouder worden geadviseerd de rechter te
verzoeken om de andere ouder het contact met het kind tijdelijk ontzeggen. Als de situatie
verandert of anders na een jaar kan deze laatste de rechter vragen om de zaak opnieuw te
beoordelen.
Als er geen sprake is van gezamenlijk gezag gelden soortgelijke overwegingen voor de
omgangsregeling, maar kan de rechter worden gevraagd de omgang met de andere oudere te
ontzeggen op grond van de een of meer van de vier in de wet genoemde criteria. Het al dan
niet tijdelijk stopzetten van het contact met de uitwonende ouder is uiteraard een zeer zware
maatregel. Maar als dat contact ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke of lichamelijke
ontwikkeling van het kind, is dit soms de enig mogelijke weg. Overbodig te melden dat juridische
strijd negatief is voor een kind en zoveel mogelijk vermeden moet worden.
Uit onderzoek van Van der Valk (2013) blijkt dat maar één op de drie kinderen aangeeft, mee
te praten over contact en zorg en dat nog niet bekend is in hoeverre dit is toegenomen na de
invoering van het verplichte ouderschapsplan. Het blijkt dat meepraten van de kinderen over
het ouderschapsplan samenhangt met meer tevredenheid over het contact. Veel jeugdigen
geven aan dat zij hun uitwonende vader vaker zouden willen zien.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
60
Samenvattend: Op 1 maart 2009 is de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige
scheiding in werking getreden. Daarin is opgenomen dat ouders eerst een ouderschapsplan
moeten opstellen alvorens te kunnen scheiden. Na meer dan 90 procent van de scheidingen
behouden beide ouders gezamenlijk ouderlijk gezag. In uitzonderingsgevallen kan de
rechter beslissen tot eenhoofdig gezag aan één ouder. In het ouderschapsplan moet worden
aangegeven op welke wijze kinderen bij de afspraken in het plan zijn betrokken. Dus is het
van belang eerst te kijken naar de afspraken in het ouderschapsplan en vervolgens naar de
ontwikkelingscondities voor het kind. Hoe is het gesteld met de primaire zorg voor het kind
en met de veiligheid van de directe omgeving. Is een passende opvoeding en verzorging
gegarandeerd en is deelname aan het onderwijs goed geregeld, inclusief de omgang met
leeftijdsgenoten? Is er een duidelijk toekomstperspectief voor het kind, weet hij waar hij aan
toe is? Voor een positieve ontwikkeling van het kind gaat het vooral om de kwaliteit van de
ouder-kindrelatie. Die kwaliteit is belangrijker voor een gezonde ontwikkeling van kinderen
na de scheiding dan afspraken over de kwantiteit van het contact met beide ouders na de
scheiding. Op basis van de informatie over het ouderschapsplan en de ontwikkelingscondities
inclusief de kwaliteit van de band met beide ouders, kan naar de zorg- en omgangsregeling
worden gekeken. Als uit die afweging blijkt dat een kind ernstige problemen heeft vanwege
chronische ouderlijke conflicten, is het belangrijk (nogmaals) te adviseren dat ouders hun
conflicten leren beheersen. Als dat niet lukt en het contact met de uitwonende ouder dan
ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, kan het
al dan niet tijdelijk stopzetten van het contact met de uitwonende soms een noodzakelijke
maatregel zijn.
4.2 Algemene adviezen naar leeftijd van de jeugdigen
Vraag 2.2 Welke regeling is gangbaar en welke regeling is het beste voor jeugdigen?
De gangbare regeling van een weekend per veertien dagen naar de uitwonende ouder heeft veel
aan betekenis ingeboet. Tegenwoordig is men van mening dat het per kind verschilt wat de beste
regeling is. Ongeveer 27 procent van de kinderen woont beurtelings bij de ene en beurtelings
bij de andere ouder, meestal week op week af, soms per week vier nachten bij de ene en drie
nachten bij de andere ouder, soms een regeling op basis van nog weer andere afspraken. Uit
onderzoek blijkt dat het met deze kinderen gemiddeld relatief goed gaat. Dit blijkt vooral samen
te hangen met het feit dat de ouders minder chronische conflicten hebben. Voor het overige is er
veel variatie in de regelingen met als algemeen kenmerk: jonge kinderen vaak contact maar kort
en oudere kinderen minder vaak maar langer. Bij jonge kinderen gaat het vaak om de vraag of
overnachtingen bij de andere ouder wenselijk zijn. In geval van ernstige ouderlijke conflicten wordt
meestal geadviseerd het kind niet bloot te stellen aan te lange veranderingen. Jonge kinderen
hebben baat bij rust en voorspelbaarheid (Groenhuijsen, 2006; Kelly, 2006; Strous, 2011). Ook een
scheiding op jonge leeftijd is voor kinderen een ingrijpende verlieservaring. Vooral jonge kinderen
hebben behoefte aan een periode van rust en voorspelbaarheid. De oude standaardregeling van
een weekend per veertien dagen is daarom niet geschikt. Frequent kort contact, bijvoorbeeld een
paar keer per week een paar uur is beter. Overnachten op een andere plaats zonder moeder is
niet altijd aan te bevelen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
61
Casus: een nachtje slapen
Maya is net vier jaar. Haar ouders zijn een jaar uit elkaar. Ze woont bij moeder en ze is ook dol
op haar vader en wil graag bij hem zijn. Nu eist vader van moeder een uitbreiding van de uren.
Sinds kort slaapt Maya twee nachten aaneengesloten bij hem. Sindsdien is zij dwars als hij haar
komt halen.
Tegen haar moeder zegt zij dat zij graag één nachtje wil en anders wil ze helemaal niet meer.
De psycholoog bespreekt met vader dat zijn doel, namelijk een betere band met zijn dochter,
verloren dreigt te gaan als hij nu doorzet. Het is beter om even geduld te hebben. Kinderen
ontwikkelen zich (gelukkig maar) en over een paar maanden kan Maya misschien wel meer
nachtjes aan als hij nu rekening houdt met haar tempo.
Bron: Liesbeth Groenhuijsen
Hendriks (2012) stelt dat een passende zorg- en omgangsregeling altijd maatwerk is en
dat rekening moet worden gehouden met het gezinssysteem van voor de scheiding, de
ontwikkelingsfase van het kind, en de kwaliteit van de band met de ouders zoals die voor de
scheiding is opgebouwd. Uit onderzoek kan daar nog aan worden toegevoegd dat rekening moet
worden gehouden met de mate van conflict tussen de ouders. Bovendien blijkt het van belang dat
de inwonende ouder het contact met de uitwonende ouder ondersteunt (Spruijt & Kormos, 2010).
Op basis van diverse onderzoeken kunnen enkele algemene adviezen worden gegeven over de
frequentie en duur van de omgang tussen jeugdigen en hun ouder(s) en de effecten daarvan op
jeugdigen van verschillende leeftijden (Van der Molen e.a., 2007). In bijlage 3 is een uitgebreid
overzicht opgenomen van de mogelijke effecten van een scheiding op kinderen, uitgesplitst naar
leeftijd tot en met twintig jaar.
Baby’s (van 0 tot 2 jaar) moeten vooral de kans krijgen om zich te hechten. Langdurig weg zijn bij de
inwonende ouder – meestal de moeder – is niet aan te raden. Enkele keren per week een paar uur
naar de uitwonende ouder is beter. Als de verstandhouding tussen de exen het toelaat, kan vader
bij de baby zijn in het huis van moeder. Overnachten op een andere plaats zonder moeder is niet
altijd aan te bevelen. Als de baby huilt wanneer vader hem meeneemt, heeft dat soms meer te
maken met angst voor de scheiding van moeder dan met weerstand tegen vader. Communicatie
tussen de ouders is belangrijk.
Peuters en kleuters (van 2 tot 5 jaar) exploreren hun (kleine) wereld. Ze ontwikkelen hun taal en
zijn bezig zindelijk te worden. Meestal kunnen zij wat langer dan een paar uur van de inwonende
ouder weg. Maar ten minste wekelijks contact met de uitwonende ouder en duidelijke afspraken
zijn aan te bevelen. Adviseer ouders bij slaapproblemen het overnachten bij de uitwonende ouder
liever nog even uit te stellen. Laat hen ook attent zijn op terugval in gedrag. En raad de ouders aan
hun kind zoveel mogelijk aandacht en liefde te geven.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
62
Basisschoolleerlingen (van 5 tot 12 jaar) hebben vooral behoefte aan duidelijkheid en structuur.
Ze zijn zich sociaal, moreel en intellectueel druk aan het ontwikkelen, en willen vaak inspraak
in de omgangsregeling. Maar de ouders moeten beslissen, en het liefst samen. Het is wenselijk
als de ouders proberen positief of ten minste neutraal over elkaar te spreken. Contact met de
uitwonende ouder kan ook tussendoor via e-mail en telefoon. Het is belangrijk om duidelijke
afspraken te maken.
Jongeren (van 12 tot 18 jaar) willen vaak zelf bepalen hoe vaak en wanneer zij de andere ouder zien.
Overleg is nuttig, en ouders moeten bedenken dat zij verantwoordelijk blijven. Tenslotte blijkt
uit onderzoek ook dat het belangrijkste voor jeugdigen is dat ouders het met elkaar eens zijn
of worden over de regeling (Amato, 2010; Spruijt & Kormos, 2010). Daarom is het ook van groot
belang dat ouders het eens zijn of worden over het ouderschapsplan.
Samenvattend: Vroeger was de gangbare regeling na een scheiding dat een kind bij moeder
woonde en elke week of om de veertien dagen een weekend naar vader ging. Tegenwoordig
wordt meestal in het verplichte ouderschapsplan een regeling afgesproken die past bij de
ontwikkeling van het kind en de situatie van de ouders.
Op basis van diverse onderzoeken kunnen wel enkele algemene adviezen worden gegeven:
Baby’s (0-2 jaar) moeten vooral de kans krijgen om zich te hechten. Langdurig weg uit de
vertrouwde omgeving is niet aan te raden. Een paar keer per week een paar uur contact is
aan te bevelen. Communicatie tussen de ouders is belangrijk.
Peuters (2-4 jaar) exploreren hun (kleine) wereld. Meestal kunnen zij wat langer dan een
paar uur van de inwonende ouder (meestal moeder) weg. Maar ten minste wekelijks contact
met vader en duidelijke afspraken zijn aan te bevelen.
Basisschoolleerlingen (5-12 jaar) hebben vooral ook behoefte aan duidelijkheid en structuur.
Deze kinderen willen vaak inspraak over de zorg- en/of omgangsregeling. Maar de ouders
moeten beslissen en het liefst samen.
Oudere kinderen (12 jaar en ouder) willen vaak zelf bepalen hoe vaak en wanneer zij de
andere ouder zien. Het beste is dat ouders en kinderen overleggen maar ouders moeten
bedenken dat zij verantwoordelijk blijven.
Tenslotte geldt voor elke regeling dat het heel belangrijk is voor kinderen dat ouders het met
elkaar eens zijn of worden over de regeling.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
63
4.3 Zorg aan de jeugdige en/of aan de ouders
Uitgangsvraag 2.3: Wat zijn – voor verschillende leeftijdsgroepen – effectieve vormen van
(preventieve) ondersteuning en wat is het doel van die vormen van ondersteuning?
Uitgangsvraag 2.4: Wat zijn – voor verschillende leeftijdsgroepen – effectieve interventies
bij scheiding gerelateerde problematiek en wat is het doel van die interventies?
Uitgangsvraag 2.5: Welk aanbod van ondersteuning en preventie is bij hulpverleners
bekend? Hoe lang mag een interventie (maximaal) duren, rekening houdend met de
gestelde doelen? Wat is bekend over de kosten(effectiviteit) van interventies?
Op wie moet de zorg zich richten als een scheidingskind met problemen wordt aangemeld bij een
jeugdprofessional? Uit onderzoek is duidelijk geworden dat ook de behandeling zich zowel op de
jeugdige als op de ouders moet richten (Amato, 2006; Duijvesteijn & Noordink, 2013; Leon, 2003;
Treffers e.a., 1999). De hoogste prioriteit zal moeten worden gegeven aan pogingen om de conflicten
tussen de ouders te verminderen, hen te leren geen ruzie te maken in het bijzijn van hun kind, en
hen te wijzen op het belang van het maken van gezamenlijke afspraken over hun kind.
Eerst moet een uitgebreide anamnese worden afgenomen bij de jeugdige en zijn ouders. Een
diagnostisch scheiding(taxatie)-instrument bestaat nog niet, zodat de diagnose afhangt van de
klinische blik van de beroepskracht.
Uitgangspunt in het contact met ouders blijft dat de jeugdprofessional zich niet moet richten
op de conflictueuze communicatiestijl, maar op de manier waarop ouders gezamenlijk (vanuit
een wij-benadering) vorm willen geven aan het contact. Dit betekent dat zij hun wensen en
belangen bespreekbaar kunnen maken en dat ouders in het gesprek op hun ouderrol worden
aangesproken. Ouders communiceren en handelen vanuit hun positie als ouder voor hun kind.
Zij zijn samen verantwoordelijk voor hun kind en moeten zich ervan bewust zijn dat hun kind de
emotionele steun van beide ouders nodig heeft.
Het is van belang ouders te stimuleren om op een niet-belastende manier over de andere
ouder te communiceren, en om te praten op een rustige manier zonder de andere ouder te
diskwalificeren of negatieve uitlatingen over de andere ouder te doen. Ouders moeten de
ruimte krijgen voor hun eigen emoties, met het doel om samen met de andere ouder te kunnen
bouwen aan gezamenlijke afspraken over hun kind. Concreet vraagt dit van een professional
een nieuwsgierige en empathische houding in het contact met de ouders. Dat wil zeggen:
werkelijk nieuwsgierig zijn naar de gedachten en gevoelens van de ouders, veel open vragen
stellen, de ambivalentie of strijd die de ouders laten zien erkennen, en doorvragen.
Voorbeelden van open vragen zijn:
- Wat vindt u vervelend aan de huidige situatie?
- Op welke manier houdt dit u bezig?
- Hoe zou u zich voelen als het anders zou gaan?
- Wat en wie zou u steun kunnen bieden bij de totstandkoming bij veranderingen?
- Hoe belangrijk is dit voor u?
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
64
Zulke vragen kunnen ouders motiveren om met elkaar in gesprek te gaan en gezamenlijk hun
gedeelde zorg kenbaar te maken, en om te voorkomen dat zij in een strijd blijven vastzitten.
Naast een empathische houding zijn vaardigheden in reflectief luisteren en kunnen herkaderen
belangrijk. Bijvoorbeeld als een ouder zegt: ‘Ik heb het al zo vaak geprobeerd, en het is niet
gelukt’, dan zou een reactie kunnen zijn: ‘Hieruit blijkt dat u een echte doorzetter bent, zelfs al
wordt u tegengewerkt’. Of als een ouder zegt: ‘Ze liegt altijd en is niet te vertrouwen’, dan zou de
hulpverlener kunnen zeggen: ‘Ik hoor dat vertrouwen een belangrijk aandachtspunt voor u is en
dat u afspraken vast wilt leggen’.
Ook oplossingsgericht werken en mediation technieken kunnen helpen. Denk aan zogenaamde
’schaalvragen’. Deze kunnen de mate waarin ouders problemen ervaren verhelderen, maar ook
worden toegepast om de motivatie en het vertrouwen te meten. ‘Stel, je hebt een schaal van
1 tot 10. Bij 1 is je probleem het ergst en 10 staat voor de dag na het wonder’. Hoe erg was het
probleem de afgelopen tijd? Neem plaats op de schaal en licht dit toe. Wat kun je doen of heb je
nodig om een stap hoger te komen op de schaal? Aan welke kleine veranderingen kun je zien of
je dichter bij je doel komt?
Vertel aan ouders dat kinderen zeggen:
-Laat ons alsjeblieft geen kant kiezen
-Maak geen ruzie waar wij bij zijn
-Zeg geen slechte dingen over elkaar tegen ons
-Geef ons de tijd om te wennen aan de nieuwe situatie
-Luister echt naar wat we te zeggen hebben
-Geef ons de ruimte om van jullie beiden te houden
-Vergeet niet dat jullie samen voor ons gekozen hebben.
(Tips uit het boek van Villa Pinedo ‘Aan alle gescheiden ouders’ (Pinedo & Vollinga, 2013)).
4.4 Interventies
In de tabellen 3, 4 en 5 hierna geven we een overzicht van alle bekende Nederlandse
interventies voor kinderen en voor hun ouders in scheidingssituaties. Bij interventies wordt
vaak gedacht aan programma’s voor meerdere personen tegelijkertijd. Maar er zijn natuurlijk
ook diverse individuele interventies. Op het terrein van gevolgen voor scheidingskinderen
zijn dat vooral individuele behandeling van kinderen door een orthopedagoog of een
ontwikkelingspsycholoog. Bovendien wordt er vaak bemiddeling of mediation toegepast. Dit
laatste gebeurt zowel vanuit een juridische praktijk als vanuit een bureau van psychologen,
pedagogen of therapeuten. Een mediator kan helpen bij het opstellen van een ouderschapsplan,
aangepast aan de ontwikkelingsfase van het kind. Of hij kan bemiddelen in situaties waarbij
sprake is van complexe vragen over de opvoeding van kinderen. In het algemeen kan worden
gesteld dat mediation meer dan een juridische procedure tegemoet komt aan de behoeften van
kinderen en jongeren. Een juridische procedure leidt immers vaak tot vergroting of accentuering
van de conflicten tussen de ouders.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
65
Is het aanbod bekend bij de doelgroep?
De ouders geven aan niet goed op de hoogte te zijn van het aanbod omtrent echtscheiding
in hun woonplaats. Vaak weten ze wel dat er maatschappelijk werk is en dat er mediators
zijn, maar de rest van het aanbod is vrij onbekend. Eén ouder noemt dat ze verder weet dat
de GGZ mogelijk wel wat biedt, hier heeft ze echter niet veel vertrouwen in:
‘Bij de GGZ noemt iedereen zich gespecialiseerd, maar van dit onderwerp weten ze vaak
echt te weinig af. Dan heb je meer aan ervaringsdeskundigen.’
Daarnaast noemt één ouder het CJG. Maar zij zegt er gelijk bij dat die in haar woonplaats
niet druk bezocht wordt. School zou ook een rol kunnen spelen, vindt een ouder, maar die
zijn vaak al overbelast met allerlei taken.
Eén ouder noemt de KIES-training. Ze heeft hier toentertijd voor haar kind naar
geïnformeerd, maar ze geeft aan dat die trainingen hartstikke duur zijn en daardoor
voor veel mensen niet te betalen. Het onderwerp zou meer onder de aandacht gebracht
kunnen worden door sociale media, mond op mond reclame en websites waarop alle
informatie bij elkaar te vinden is.
De jeugdigen weten niet wat er in hun woonplaats allemaal te vinden is op het gebied van
echtscheiding. Eén jeugdige geeft aan dat je de informatie eigenlijk heel snel via google
zou moeten kunnen vinden.
Een ander geeft aan:
‘Ik denk dat je via goed zoeken op internet en echtscheidingsadvocaten en hulpverleners
wel hulp kan krijgen. Belangrijk is dat er behalve bij het CJG ook bij normale psychologen
bekendheid en hulp te vinden is. Het CJG is immers toch meer voor de lager opgeleiden.
Hoger opgeleiden gaan misschien eerder naar een particuliere psycholoog.’
Een derde geeft aan:
‘Via Villa Pinedo weet ik nu wel wat van het aanbod. Ik denk dat het voor kinderen en
ouders het beste is dat juffen, meesters en leerkrachten goed op de hoogte zijn van
het mogelijke aanbod. Als kind ga je toch als eerste naar je juf toe (of mentor) om dit te
bespreken. Zij kunnen je dan helpen of eventueel doorverwijzen.’
Bron: Veldconsultatie.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
66
4.4.1 Interventies gericht op jeugdigen
In tabel 3 zijn de bekendste Nederlandse interventies voor jeugdigen (en hun ouders)
samengevat. Hierbij is de mate van effectiviteit aangegeven en of de interventie gericht op
het ondersteunen (preventief) of op het tegengaan van ontstane problemen (curatief). De
interventies zijn geordend naar leeftijdsgroep. Tot slot is aangegeven in hoeverre de ouders
worden betrokken bij de interventie.
Tabel 3. Bekendste interventies in Nederland gericht op jeugdigen
Naam
Effectiviteit
Leeftijd
Ouders
jeugdige
betrokken
KIES (Kinderen in Echtscheiding Situatie)
1
8 tot 12
1
KIES (Kinderen in Echtscheiding Situatie)
-
8- en 12+
1
!JES het brugproject (Jij En Scheiding)
1
8 tot 12
2
Dappere Dino’s
1
6 tot 8
1
Zandkastelen!
1
6 tot 17
1
Begeleide Omgangs Regeling BOR
-
tot 12 jaar
3
Jonge Helden, Kameleonprogramma
-
7 tot 12
1
Kind en Echtscheiding
-
hele gezin
3
OKEE-begeleidingstraject
-
tot 17 jaar
3
Omgangshuizen
-
Tot 12 jaar
3
Kinderen scheiden ook!
-
tot 12 jaar
2
Ouderschap Blijft:
1
5+
3
Ouderschap Blijft: CJG module
-
tot 18 jaar
3
Lorentzhuis –behandeling
-
(kind- en
3
Humanitas
Samen de Zorg
Methodiekbeschrijving geïndiceerd
aanbod
partnerproblematiek (vechtscheiding)
oudergroepen)
in groepsverband
Villa Pinedo De plek voor jongeren met
-
12+
1
alle leeftijden
1,2,3
gescheiden ouders
Individueel aanbod
- Bijvoorbeeld enkele ondersteunende
gesprekken met een kindertherapeut
of het schoolmaatschappelijk werk
- Ook maatregelen zoals OTS,
uithuisplaatsing en de bijzondere
curator.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
67
Toelichting niveaus:
A. Effectiviteitsniveau (Databank Effectieve Jeugdinterventies:
1. Goed onderbouwd
2. Eerste aanwijzingen voor effectiviteit
3. Goede aanwijzingen voor effectiviteit
4. Sterke aanwijzingen voor effectiviteit
B. Niveau van ouderbetrokkenheid:
1. Gedeeltelijke betrokkenheid
2. Traject voor ouders
3. Gezinsinterventie
In 2013 publiceerde Van der Valk de resultaten van het eerste en tot nu toe enige ‘RCT’
(Randomized Control Trial) in Nederland op dit gebied. Het betrof een effectonderzoek naar
het preventieve interventieprogramma KIES voor kinderen van acht tot en met twaalf jaar. De
belangrijkste conclusie is dat kinderen die aan KIES hebben meegedaan, op een aantal gebieden
significant beter scoren dan de kinderen uit de controlegroep.
Concluderend blijkt dat de focus nu vooral ligt op ondersteunende interventies gericht
op de gehele periode voor, tijdens en na de scheiding. Uit verschillende rapporten in de
jeugdhulp, analyses van cliëntprofielen en dossieronderzoek blijkt dat bij veel kinderen
die nu in de jeugdhulp terecht komen, sprake is van echtscheidingsproblemen of ouders
met problemen in de relatie. Terwijl het aanbod of de hulp niet is afgestemd op deze
problematiek. Sterker nog: de vraag is of deze kinderen wel in de jeugdhulp terecht waren
gekomen als er eerder/beter hulp was ingezet specifiek op echtscheidingsproblemen.
Over het algemeen zijn kinderen en ouders heel tevreden over de beschikbare
programma’s voor scheidingskinderen. Het KIES-programma voor kinderen van acht
tot en met twaalf jaar is tot nu toe het enige programma in Nederland dat volgens
betrouwbare methodologische criteria is onderzocht (een RCT).
Vanuit de politiek en de sector/werkveld komen er steeds meer geluiden dat er ook
aandacht moet zijn om te investeren in de relatie tussen de ouders. Beleid en interventies
zouden gericht moeten zijn op het bevorderen en versterken van duurzame relaties.
Naast interventies gericht op echtscheiding wordt in dit hoofdstuk daarom ook het
aanbod van relatieondersteuning meegenomen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
68
Wat voor interventie is nodig?
De ouders van de zesjarige Sam vragen, anderhalf jaar na hun scheiding, therapie voor
hun zoon vanwege onhandelbaar gedrag. Zij delen de zorg voor dit kind. De vader geeft
aan dat hij geen problemen ondervindt, de gedragsproblemen doen zich voor bij moeder
en op school. Volgens vader is er met zijn zoon niets aan de hand en moet moeder
gewoon beter leren opvoeden. Vader geeft, zij het schoorvoetend, wel toestemming om
het kind te behandelen.
In dit geval zal de hulpverlener eerst met de ouders in kaart brengen of het gedrag
wellicht is te relateren aan de scheiding (was het gedrag al zichtbaar voorafgaand aan
de scheiding, hoe ouders qua opvoeding met elkaar kunnen overleggen, enz.). In veel
gevallen blijkt behandeling van het kind niet nodig te zijn, maar is er meer effect als de
ouders meer samen opvoeder kunnen zijn en het leefschema van het kind eventueel
(tijdelijk) aanpassen aan de huidige behoeften van het kind.
Bron: Liesbeth Groenhuijsen
Voor het beantwoorden van deze vraag gaan we eerst in op de algemene effecten en zullen dan
per afzonderlijke doelgroep (kinderen, ouders, gezinnen) ingaan op effectieve interventies.
4.4.2 Effecten van interventies gericht op jeugdigen
In de Nederlandse situatie is nog niet veel over bekend over de effecten van interventies en
daarom zullen we ook studies uit het buitenland bespreken. Stathakos en Roehrle (2003)
voerden een meta-analyse uit naar de effectiviteit van interventies die de problemen die
verband houden met de scheiding willen verminderen en of het welzijn van scheidingskinderen
willen bevorderen. Het merendeel betrof interventies voor kinderen; een klein aantal was
oudergericht. De beste resultaten werden verkregen wanneer:
-een interventie binnen de eerste twee jaar na de scheiding plaatsvond;
-werd uitgevoerd bij kinderen in de leeftijd van negen tot en met twaalf jaar;
-uit niet meer dan 10 bijeenkomsten bestond;
-een gemiddelde duur van 60-75 minuten had per bijeenkomst.
De groepsgrootte was niet van grote invloed op de resultaten, hoewel middelgrote groepen
iets betere resultaten lieten zien dan kleine groepen. Behalve het tijdstip van interventie, aantal
bijeenkomsten en duur van de bijeenkomsten, bleek ook de kwaliteiten van de groepsleider van
belang te zijn. Uitgebreide training van groepsleiders draagt bij aan de positieve effecten van een
interventie.
De resultaten van de interventies bleven stabiel. Positieve effecten zijn gevonden op angst,
schoolgedrag en schoolprestaties, en attitude t.a.v. de scheiding. Op depressie hadden de
interventies het minst effect. Stathakos & Roehrle (2003) concludeerden dat het op grond van
hun studie niet mogelijk was aan te geven welke inhoudelijke componenten van de interventies
bijdragen aan de werkzaamheid. Daarvoor is meer onderzoek nodig.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
69
Aandachtspunt: Communicatie!
Bij de psychologische hulp vonden de ouders het prettig dat de ondersteuning niet
zweverig was:
‘De hulp was to the point en ik kreeg concrete tips mee hoe ik met bepaalde situaties om
kon gaan. Dat was erg prettig’ (geïnterviewde ouder).
De andere ouder noemt dat het prettig was dat ze werd benaderd als partner en ouder en
daarna pas als persoon. Door bewust stil te staan bij deze drie rollen, maakte de situatie
veel inzichtelijker voor haar.
In de benaderingswijze vinden de geïnterviewde jeugdigen het fijn dat de hulpverlener
hen serieus nam en vroeg naar waar zij behoefte aan hadden. Ook ervoeren zij het als erg
prettig dat de hulpverlening niet belerend was naar hen toe.
Eén meisje noemt ook:
‘Ik vind het ook prettig dat ze eerlijk was naar mij toen. Ik gaf aan mijn gevoelens niet
graag met mijn vader te bespreken. Toen gaf zij eerlijk aan dat als ik verandering wilde, ik
die stap wel écht moest zetten’.
Het meisje wat een groepstraining heeft gevolgd geeft aan dat ze de bijeenkomsten als
erg prettig heeft ervaren. Belangrijk vond ze dat het gezellig was tijdens de bijeenkomsten
en dat de kinderen elkaar konden steunen.
Bron: Veldconsultatie
De meeste interventies om kinderen die bij een scheiding betrokken zijn te helpen, zijn direct
gericht op de kinderen zelf. Over het algemeen willen kindgerichte interventies kinderen
helpen bij het omgaan met negatieve gevoelens over de scheiding, hen helpen omgaan met
praktische problemen en misconcepties over scheiding proberen weg te nemen. Er is een
aantal gemeenschappelijke kenmerken van deze interventies te onderscheiden: ze zijn over het
algemeen afgebakend in de tijd, worden in kleine groepen (4-10 kinderen) uitgevoerd en vinden
meestal op school plaats.
Een groepssetting heeft een aantal voordelen ten opzichte van een individueel gerichte
benadering (Grych & Fincham, 1992; Rose, 2009). Ten eerste, doordat veel kinderen te maken
hebben met scheiding, is in groepsverband werken met kinderen een efficiënte manier om
middelen in te zetten. Ten tweede is scheiding een onbekend en beangstigend proces voor
kinderen. In een groep met lotgenoten normaliseert deze ervaring en biedt ondersteuning aan
de kinderen die het nodig hebben. Ten derde brengt scheiding een aantal moeilijk bespreekbare
onderwerpen voor kinderen met zich mee. Kinderen praten makkelijker in aanwezigheid van
lotgenoten dan in een één op één situatie met een hulpverlener.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
70
In het onderzoek S&G2010 is aan de jongeren gevraagd met wie zij rond de scheiding hebben
gesproken en hoe tevreden zij daarover waren. Het blijkt dat 52 jongeren van twaalf jaar en
ouder met de rechter hadden gesproken, terwijl in het onderzoek 100 kinderen van twaalf jaar
of ouder tijdens de scheiding deelnamen.
De helft van de kinderen van twaalf jaar en ouder spreekt dus niet met de rechter. De waardering
van de kinderen voor het gesprek met de rechter is niet hoog. Dat geldt overigens ook voor de
andere gesprekspartners zoals een advocaat of iemand van de Raad voor de Kinderbescherming.
De enige uitzondering is ‘iemand anders’. Dat kan een familielid zijn of iemand van de school
of uit de buurt. Gesprekken met deze personen worden veel positiever gewaardeerd.
Groepsgesprekken met andere scheidingskinderen onder deskundige begeleiding blijken ook
positief te worden beoordeeld door kinderen en hun ouders (Spruijt & Kormos, 2010).
De interventies die op school plaatsvinden zijn vaak zowel educatief als therapeutisch van
aard. Het gaat om het verhelderen van verwarrende en pijnlijke zaken rondom de scheiding;
het bieden van een veilige omgeving om moeilijke zaken te verwerken, om vaardigheden te
ontwikkelen leren om te gaan met negatieve gevoelens en moeilijke gezinsomstandigheden, en
om de ouder-kind communicatie te verbeteren. De gehanteerde technieken bestaan veelal uit
rollenspellen, gebruik van audiovisuele materialen, verhalen vertellen, oefeningen om sociale
problemen op te lossen en tekenen.
Effectiviteit van groepsgerichte interventies
Rose (2009) heeft in een overzichtsstudie de uitkomsten van onderzoek naar de effectiviteit in
kaart gebracht van groepsgerichte programma’s voor scheidingskinderen die binnen scholen
worden uitgevoerd. De studie wijst uit dat gerichte korte-termijn groepsgerichte programma’s
matige effecten laten zien op kinderen. In de meta-analyse van Durlak & Wells (1997) werden de
uitkomsten van 7 interventies met elkaar vergeleken. Hieruit bleek dat kortdurende interventies
(10 bijeenkomsten of minder) kinderen kunnen helpen in het omgaan met een scheiding. Ook de
eerder besproken meta-analyse van Stathakos & Roehrle (2003) kwam tot deze conclusie.
Effectieve interventies zijn volgens Rose kortdurend, gestructureerd en richten zich op: het
bereiken van de kinderen; met hen in gesprek gaan over belangrijke zaken die te maken hebben
met scheiding; ondersteuning bieden; vergroten van vaardigheden en het bevorderen van
de geestelijke gezondheid van de kinderen. Hoewel de resultaten bescheiden zijn, zijn er wel
aanwijzingen dat groepswerk zinvol is.
Effectiviteit van specifieke interventies
Hoewel interventies veel gebruikt worden, is er weinig methodologisch goed effectonderzoek
naar zulke interventies. Winslow, Wolchick & Sander (2004) en Rose (2009) bieden in hun
overzichtsstudies de beschikbare gegevens over de effectiviteit van specifieke interventies voor
ouders en kinderen. Het overzicht van Winslow e.a. is gebaseerd op experimentele of quasiexperimentele studies naar preventieve interventies die gericht zijn op het beperken van de
nadelige gevolgen van scheiding bij kinderen. Rose (2009) betrok ook onderzoek van mindere
kwaliteit bij haar studie. Van de kindgerichte interventies bleken er in de VS twee effectief te
zijn. Het Children of Divorce Intervention Project en het programma Children’s Support Group.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
71
Beide programma’s leren kinderen omgaan met stressoren die te maken hebben met ouderlijke
scheiding. Het Children of Divorce Intervention Project (CODIP) is het meest uitgebreid
onderzocht. Er is nu ook een Nederlandse versie ontwikkeld die Dappere Dino’s heet en gericht
is op kinderen in groepen 3 en 4 van het primair onderwijs.
De oorspronkelijke versie van CODIP in de VS bestaat uit 10 bijeenkomsten, is groepsgericht en
vindt op school plaats. Later hebben uitbreidingen tot zestien bijeenkomsten plaatsgevonden
voor jongere kinderen en kinderen van diverse etnisch-culturele afkomst. Nadruk van het
programma ligt op emotionele ondersteuning en vaardigheidsontwikkeling. Tijdens de
bijeenkomsten staan centraal: het bespreken van aan scheiding gerelateerde gevoelens, het
leren omgaan met onrealistische percepties en attitudes over de scheiding, en het versterken
van copings- en probleemoplossingsvaardigheden van de kinderen. Tijdens de bijeenkomsten
leren kinderen problemen op te lossen, beter te communiceren en hun woede te beheersen.
Er zijn verschillende onderzoeken met een quasi-experimentele onderzoeksopzet naar de
effecten van CODIP, waarvan een de effecten op de langere termijn (twee jaar na afloop) bekeek
(Pedro-Carroll & Cowen, 1985, Pedro-Carroll, Alpert-Gillis & Cowen, 1992; Pedro-Carroll, Sutton
& Wyman, 1999).
Alle onderzoeken naar deze interventie laten op de korte termijn positieve effecten zien
ten opzichte van de controle groepen. Effecten zijn een afname van internaliserend en
externaliserend probleemgedrag, verhoogde competentie en verbeterde coping en
probleemoplossingsvaardigheden. In een quasi-experimenteel onderzoek twee jaar na
afloop van de interventie bleken de effecten voor zowel internaliserende als externaliserende
problemen te blijven bestaan (Pedro-Carroll, Sutton & Wyman, 1999).
Childrens Support Group bestaat uit 14 bijeenkomsten, is ook groepsgericht en vindt op
school plaats. Doel is om kinderen emotioneel te ondersteunen; de ouder-kind communicatie
te bevorderen; en om cognitief-gedragsmatige vaardigheden aan te leren (waaronder woede
beheersing, zelf controle; probleem-oplossen en het identificeren van gedachtes, gevoelens
en gedrag die verband houden met de scheiding). In een experimenteel onderzoek onder
8-12 jarigen bleek een afname van zowel internaliserende als externaliserende problemen,
pathologie en klinische symptomatologie zowel bij de nameting als een jaar na afloop,
vergeleken met een gerandomiseerde controle groep (Stolberg en Mahler, 1994 In: Winslow e.a.,
2004). Deze interventie is echter niet in Nederland beschikbaar.
4.4.3 Onderzoek naar in Nederland beschikbare interventies
In de Databank Effectieve Jeugdinterventies zijn drie interventies erkend die zich richten
op kinderen die een echtscheiding van hun ouders meemaken. Het betreft de kindgerichte
interventies KIES (Kinderen in Echtscheiding Situatie), !JES het brugproject en Dappere Dino’s
(CODIP). Deze drie programma’s zijn er op gericht om de nadelige effecten van een scheiding op
kinderen te voorkomen of te verminderen en richten zich vooral maar niet alleen op kinderen in
de basisschoolleeftijd. Dappere Dino’s is voor kinderen van zes tot acht jaar oud, KIES en !JES het
brugproject zoals in de databank opgenomen zijn voor de leeftijdsgroep acht tot twaalf jaar.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
72
KIES
KIES is ontwikkeld als een spel- en praatgroep voor kinderen van gescheiden ouders. Het
programma voor kinderen van acht tot en met twaalf jaar bestaat uit acht bijeenkomsten waarin
aan de hand van diverse werkvormen (bijvoorbeeld rollenspel, gesprekken en opdrachten)
gewerkt wordt aan herkenning vinden, weer grip krijgen op je eigen leven, hulp in de omgeving
activeren en het verwerken van de scheiding. Voor ouders is er een informatiebijeenkomst en
een evaluatiebijeenkomst. Het schoolteam kan deskundigheidsbevordering krijgen door middel
van een studiebijeenkomst over kinderen in echtscheiding. KIES wordt gegeven en begeleid door
een speciaal getrainde KIES coach (Ince, 2009). Inmiddels is het KIES-programma uitgebreide
met cursussen voor andere (groepen) kinderen.
In Nederland is het KIES-programma zowel in 2005 als in 2007 (Spruijt & Kormos, 2010) in een
tweetal kleinschalige onderzoeken geëvalueerd. Uit deze kleinschalige onderzoeken blijkt dat
het in het algemeen beter gaat met kinderen als zij het KIES-programma hebben gevolgd. In
het onderzoek uit 2005 zijn 54 kinderen betrokken, 41 hebben KIES gevolgd en 13 kinderen
vormen de controlegroep. KIES kinderen begrijpen de scheiding van hun ouders beter, de
band met zowel de vader als de moeder verbetert, en KIES kinderen hebben minder last van
depressieve gevoelens. Aan het onderzoek uit 2007 hebben 50 kinderen deelgenomen die
het KIES programma hebben gevolgd. Deze kinderen zijn vergeleken met 50 kinderen uit een
controlegroep, gematcht (dat wil zeggen gelijk gemaakt) op geslacht en leeftijd van de kinderen,
leeftijd en opleidingsniveau van de ouders, aantal jaren sinds de scheiding, en mate van
ouderlijke conflicten tijdens de scheiding. Het blijkt beter te gaan met de scheidingskinderen
die het KIES programma hebben gevolgd. Vooral hun depressieve gevoelens nemen af en hun
agressief gedrag wordt minder. Een andere uitkomst is ook nog dat kinderen hun vader vaker
zien na het volgen van het programma. Het lijkt erop dat het volgen van het KIES programma
ook na één of twee jaar nog doorwerkt. (Spruijt en Kormos, 2010). Het KIES-programma is
vervolgens van 2009 tot 2012 op grote schaal opnieuw bestudeerd door middel van een
gerandomiseerde, gecontroleerde studie (RCT) (Van der Valk, 2013). Belangrijke resultaten zijn
dat kinderen van acht tot twaalf jaar die aan KIES hebben meegedaan minder probleemgedrag
vertonen, beter prosociaal gedrag laten zien en minder problemen hebben met leeftijdsgenoten
dan kinderen uit de controlegroep. De KIES-kinderen geven ook aan dat de relatie met hun
vader verbetert. Zowel kinderen, ouders en leerkrachten zijn erg tevreden over het KIESprogramma. KIES blijkt even effectief voor kinderen afkomstig uit verschillende groepen:
jongens, meisjes, autochtonen, allochtonen, lager en hoger opgeleiden. In het voortgezet
onderwijs (jongeren van twaalf jaar en ouder) wordt KIES nog niet zo lang geïmplementeerd. De
meeste van deze jongeren blijken niet of nauwelijks over de scheiding van hun ouders te praten
maar wel degelijk problemen te ervaren. Ook wordt door opvallend veel door de jongeren van
twaalf jaar en ouder genoemd dat zij hun vader vaker zouden willen zien (Van der Valk, 2013).
Sinds de erkenning van de interventie in de databank van het NJi in 2009 is KIES uitgebreid met
verschillende modules, deels ook voor andere doelgroepen (bijvoorbeeld ‘het bijzondere kind’).
Deze aanvullingen zijn echter (nog) niet meegenomen in het erkenningstraject. Uitgebreide
informatie ontbreekt nog over inhoud en mogelijke effectiviteit van deze modules.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
73
!JES het brugproject
!JES het brugproject bestaat de kindercursus uit zes groepsbijeenkomsten met maximaal acht
kinderen van ongeveer acht tot twaalf jaar gedurende anderhalf uur. De cursus voor ouders
loopt parallel aan die voor de kinderen en bestaat uit drie bijeenkomsten van twee uur. In beide
cursussen staan de kinderen centraal. De bijeenkomsten worden steeds door twee trainers geleid.
In de kindercursus wordt onder meer aandacht besteed aan het herkennen van en omgaan met
emoties en mogelijk aanwezige irrationele ideeën. Ook worden communicatieve vaardigheden
geoefend. Alles gebeurt via speelse werkvormen. De kinderen hebben, net als de ouders, een
werkboek.
In de oudercursus worden de ouders geïnformeerd over de ontwikkeling van kinderen en de
gevolgen van een scheiding. Deze informatie wordt vertaald naar de opvoeding, zodat ouders
zich ook tijdens en na de scheiding competent voelen in de opvoeding. Ook worden ouders
gestimuleerd om te schakelen naar collega-ouderschap. Verschillende relevante thema’s komen
met behulp van diverse werkvormen aan de orde.
Voor de ouders zijn er parallel drie groepsbijeenkomsten waarin zij voorlichting krijgen over
de mogelijke invloeden van een scheiding op de ontwikkeling van kinderen. Ook krijgen zij
handvatten aangereikt om de scheiding zo goed mogelijk te helpen verwerken.
!JES het brugproject is net als KIES met het oordeel ‘theoretisch goed onderbouwd’ opgenomen in
de databank van effectieve interventies van het Nederlands Jeugdinstituut. Het is de bedoeling dat
het programma in de toekomst nader wordt onderzocht op effectiviteit.
Dappere Dino’s
De Dappere Dino’s (6-8 jaar) komen gedurende vier maanden wekelijks bij elkaar, totaal twaalf
keer. De groep bestaat uit vier tot zeven kinderen. Het programma wordt verzorgd door speciaal
opgeleide trainers. Zij zorgen voor een omgeving waarin ieder kind zich veilig voelt om te praten
over de situatie na de (echt)scheiding. In de groep leren de kinderen veel van elkaar. Kinderen
voelen zich meestal gesteund en gestimuleerd door de ervaringen van andere kinderen die
ook een (echt)scheiding hebben meegemaakt. Uiteraard geldt als regel: niemand brengt de
persoonlijke verhalen van de andere kinderen buiten de groep.
Het programma behandelt de volgende hoofdthema’s:
1. Het kind en zijn of haar gevoelens (bijeenkomsten 1-3)
2. Leren omgaan met gevoelens en problemen (bijeenkomsten 4-7)
3. De relatie tussen ouders en kind (bijeenkomsten 8-9)
4. Hoe ervaart het kind zichzelf en zijn of haar gezin? (bijeenkomsten 10-12)
In Nederland is veranderingsonderzoek uitgevoerd in een pilot bij 4 interventiegroepen met
totaal 23 deelnemende kinderen. De effectevaluatie toonde een positief beeld; er is een sterk
effect op positief functioneren van de kinderen (rapportage groepsleiders) en op vermindering
van totaal probleemgedrag (rapportage groepsleiders en moeders). Volgens de groepsleiders
rapportage liet 61 procent van de kinderen een betekenisvolle verbetering zien in hun totaal
functioneren (Klein Velderman e.a., 2011).
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
74
Over het algemeen zijn deelnemers zeer tevreden zijn over de gevolgde programma’s.
Kinderen zeggen veel geleerd te hebben over de scheiding en ook dat de relaties met de
verschillende gezins- en familieleden zijn verbeterd. Ook lijkt het er op dat de problemen
van kinderen door het volgen van een programma minder worden. Methodisch goed
opgezette studies naar langere termijneffecten van programma’s voor scheidingskinderen
zijn helaas nog zeldzaam. De resultaten van het uitgebreide RCT-onderzoek naar de
effecten van het KIES-programma laten voor het eerst in Nederland duidelijk zien hoe
waardevol een dergelijk programma is voor scheidingskinderen (Van der Valk, 2013).
De programma’s !JES het brugproject en Dappere Dino’s zijn als goed onderbouwd
ook opgenomen in de databank van het NJi, maar moeten - voor een hogere graad van
erkenning - nog onderworpen aan een gerandomiseerd effectonderzoek (RCT).
Gebruikersbeleving van interventies
Een jeugdige die een groepstraining heeft gevolgd, vond het jammer dat er naast de groep
sessies niet af en toe ook een op een gesprekken met de kinderen waren:
‘Je durft niet alles te zeggen met andere kinderen erbij. Daarnaast sprak de hulpverlening
ook wel eens met mama, maar mijn vader kende ze helemaal niet. Ik had het fijn
gevonden als ze mijn vader ook eens gesproken had zodat ze ook een beeld had van hem.
Met ieder van ons apart en daarna een keer met z’n drieën. Dat zou helemaal fijn zijn!’
Een andere jeugdige geeft aan dat haar behoefte echt ligt bij het voeren van individuele
gesprekken:
‘Het fijne van individuele gesprekken is dat je geen rekening hoeft te houden met anderen.
Alles mag dan even om mijn vragen en behoeftes draaien. Dat vind ik fijn.’
Daarnaast had ze aanvullend wel graag een gesprek gewild met haar zusjes erbij. Verder
geeft ze aan:
‘Het allerbelangrijkste vind ik dat er een terugkoppeling van mijn gesprekken naar mijn
ouders is. Niet dat zij alles hoeven te weten, maar wel dat ze leren wat voor mij belangrijk
is en dat ze geen strijd moeten maken van de omgang met mij’.
Bron: Veldconsultatie
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
75
4.4.4 Interventies gericht op ouders en gezinnen
Tabel 4. Bekendste interventies in Nederlandse gericht op ouders en gezinnen
Naam
Effectiviteit
Cursussen voor samengestelde gezinnen (stiefgezinnen)
-
Opleiding tot Stiefplan-coach
Triple P Family Transitions
Onderzocht in Australië, pilotstudie
(ook voor LVB-ouders)
in Nederland uitgevoerd door het
Trimbos instituut
Ouderschap Blijft
Erkend als goed onderbouwd in de
- geïndiceerd aanbod
Databank Effectieve Interventies
- CJG-module
(DEI).
BOR-Humanitas
-
Complexe Scheidingen (OTS)
-
Ouderschap Na Scheiding (ONS)
-
Wijzer bij scheiden
-
Eigen Kracht Conferentie
-
Omgangsbemiddeling/mediation
-
EMDR (Eye Movement Desensitization and
-
Reprocessing)
Individuele begeleiding
-
(voor ex-partners samen of voor inwonende en
uitwonende ouder apart)
4.4.5 Effecten van oudergerichte interventies
Voor ouders zijn er twee typen interventies:
-Het eerste type is gericht op de ouderlijke rol en probeert ouders te helpen omgaan met
het gedrag van hun kinderen, om goed contact met de kinderen te onderhouden en om de
samenwerking tussen ouders over belangrijke opvoedingskwesties te bevorderen.
-Het tweede type richt zich op de individuele aanpassing van de ouder aan de scheiding en
niet zozeer op de rol als ouder.
Beide typen interventies worden in groepsverband aangeboden. Beide typen interventies willen
daarnaast ouders helpen coping vaardigheden te ontwikkelen en een ondersteunend netwerk
te bieden dat het gevoel van eenzaamheid en isolatie kan doen verminderen. Groepen die
gericht zijn op opvoeding en ouder-kind relaties hebben daarnaast een educatieve component
en proberen ouders te helpen hun opvoedingsvaardigheden te verbeteren en hun begrip voor
de reacties van de kinderen op de scheiding te bevorderen.
Emery, Kitzmann en Waldron (1999) rapporteren dat oudergerichte programma’s en interventies
in de Verenigde Staten beduidend minder vaak worden ingezet dan kindgerichte interventies,
ondanks het grote effect ervan op de gemoedstoestand van ouders en kinderen. Onderzoek
wijst uit dat deze educatieve programma’s ervoor zorgt dat ouders meer rekening houden
met het risico van loyaliteitsconflicten. Na het volgen van deze programma’s laten ouders een
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
76
positievere houding zien ten opzichte van de relatie tussen hun kinderen en de ex-partner.
Bovendien laten zij zich in het bijzijn van hun kinderen minder negatief uit over hun ex. Toch
is er minder empirische steun voor de effectiviteit van oudergerichte programma’s dan voor
kindgerichte programma’s (Sigal e.a., 2011).
Hoewel ‘Parent education programs’ blijken te voldoen aan een behoefte van ouders en
rechtbanken, is er weinig bewijs dat ze erin slagen hun doelen te behalen. Doelen zijn veelal
het bevorderen van contact tussen het kind en de uitwonende ouder; het bevorderen van
de kwaliteit van ouder-kind relaties; het verminderen van conflicten tussen de ouders; het
bevorderen van co-ouderschap en het bevorderen van het welzijn van de kinderen. Er is weinig
onderzoek gedaan naar de effectiviteit van dergelijke programma’s. Het onderzoek dat er wel
is, kent vele methodologische beperkingen waardoor nauwelijks uitspraken gedaan kunnen
worden over de effectiviteit van deze interventies.
Ondanks het gebrek aan bewijs, zijn er aanwijzingen dat als opvoedprogramma’s erin slagen het
opvoedend handelen van ouders te veranderen, zij een significante bijdrage kunnen leveren aan
het welzijn van de kinderen na de scheiding. Aangetoond is dat de kwaliteit van opvoeden door
beide ouders na de scheiding verband houdt met de mate waarin kinderen zich aan de nieuwe
situatie aan kunnen passen (Sandler e.a., 2008; King & Sobolewski, 2006). Uit verschillende
onderzoeken blijkt verder dat ouders geleerd kan worden om hun opvoedingspraktijken te
verbeteren en dat zulke veranderingen leiden tot een afname van psychosociale problemen en
middelengebruik onder kinderen en tot een verbetering van hun schoolprestaties (Wolchick e.a.,
2002; Wolchick e.a., 2000; Dawson-McClure e.a., 2004; De Garmo & Forgatch, 2005).
Effecten van specifieke interventies
Uit de eerder beschreven overzichtsstudie van Winslow e.a. (2004) bleken twee preventieve
interventies gericht op ouders ook effectief te zijn voor de aanpassing van de kinderen.
Beide programma’s zijn voor moeders bij wie het kind na de scheiding woont. Het betreft de
interventies Parenting Through Change (PTC) en het New Beginnings Program (NBP). Deze
interventies worden echter nog niet in Nederland uitgevoerd.
Parenting Through Change is een groepsgerichte interventie met 14 bijeenkomsten gericht op
het bijbrengen van opvoedingsvaardigheden, zoals niet-dwingende opvoedingsmethoden (‘non
coercive discipline’), positieve bekrachtiging, toezicht houden en problemen oplossen. Ook leert
het moeders negatieve emoties onder controle te houden en om te gaan met interpersoonlijke
conflicten (Forgatch & De Garmo, 1999). Bij moeders was een afname van dwingende
disciplinering (‘coercive discipline’) en een toename van positieve opvoedingspraktijken. Dit
verklaarde het effect op jongens ook nog 30 maanden na afloop.
Het New Beginnings Program (NBP) is de eerste preventieve interventie voor scheidingskinderen
die een methodologisch sterke evaluatie heeft ondergaan met bewijs voor lange termijn
effecten op een groot scala van uitkomsten tijdens de adolescentie (Wolchick e.a., 2000;
Wolchick e.a., 2002 ). Doelstelling van NBP is om psychische problemen bij kinderen te
voorkomen. NBP is bedoeld voor moeders met een kind in de leeftijd van negen tot en met
twaalf jaar. NBP liet het meeste effect bij kinderen zien in gezinnen met een hoger risico op
het ontstaan van problemen. Het ging daarbij met name om gezinnen waarbij de kinderen bij
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
77
aanvang een hoge mate van externaliserend probleemgedrag vertoonden en waarbij ouders
over minder opvoedingsvaardigheden beschikten.
Er zijn vooralsnog in Nederland weinig officieel erkende oudergerichte interventies
voor gezinnen voor, tijdens en na scheiding. De interventie Ouderschap Blijft is door de
Erkenningscommissie Interventies beoordeeld als goed onderbouwd en opgenomen
in de Databank Effectieve Interventies (NJi). Ook is in 2014 een pilot studie uitgevoerd
naar Triple P Family Transitions. Het gaat hierbij om een variant van het erkende Triple-P
opvoedprogramma specifiek voor ouders in scheiding. Dit programma is in Australië
ontwikkeld en daar positief geëvalueerd. Het is een intensieve oudertraining voor de
begeleiding van ouders en kinderen bij echtscheidingsproblematiek. De interventie
bestaat onder andere uit de volgende elementen: conflicthantering en assertief
communiceren, het leren hanteren van eigen emoties die van de kinderen, kennis over
de gevolgen van echtscheiding (www.positiefopvoeden.nl). Het Trimbos-instituut heeft in
2014 de uitkomsten gepubliceerd in een factsheet. Ouders waren tevreden over de cursus
Family Transitions: 90 procent van de ouders die aan het onderzoek deelnam gaf hun
tevredenheid over de ontvangen hulp een 5 of hoger op een 7-puntsschaal.
De tevredenheid werd gemiddeld met een 5,8 op een 7-puntsschaal gewaardeerd.
De meeste ouders vinden het positief dat de cursus in groepsverband wordt aangeboden.
De factsheet is te downloaden via www.trimbos.nl
Met Douglas (2006) kan worden geconcludeerd dat ouderprogramma’s nog onvoldoende op
methodisch verantwoorde wijze zijn onderzocht. Wel zijn ouders die een programma hebben
gevolgd in het algemeen erg tevreden over het programma. Ook lijkt duidelijk dat het volgen van
een programma de mate van ouderlijke conflicten reduceert. Bovendien blijkt het opvoedgedrag
van ouders te verbeteren en wordt hun kennis over het thema kinderen en scheiding vergroot.
Meer onderzoek is nodig.
Effecten van gezinsinterventies
Behalve de bovengenoemde kindgerichte interventies en op ouders gerichte interventies
zijn er de laatste jaren diverse gezinsinterventies in ontwikkeling die zich richten op
omgangsbegeleiding na scheiding.
Voorbeelden hiervan zijn het zogenaamde Omgangshuis , Ouderschap Blijft en de BOR
(Begeleide Omgangs Regeling) projecten van onder andere Humanitas.
Omgangsbegeleiding is ‘een vorm van kortdurende begeleiding van scheidende of gescheiden
ouders bij het tot stand komen van een goede omgangsregeling met hun kinderen, die vrijwillig
of na tussenkomst van de rechter is overeengekomen’ (Van Eijk, 2004). Essentieel onderdeel van
de omgangsbegeleiding is begeleiding van en bemiddeling tussen de ouders.
Chin-A-Fat en Steketee (2001) onderzochten de effecten van diverse projecten over
omgangsbegeleiding. Zij pleiten voor meer feitelijke hulp aan ouders in plaats van uitbreiding
van de wettelijke mogelijkheden in het eindtraject met bijvoorbeeld strafrechtelijke handhaving
van omgang. In het jaarverslag van BOR-Alkmaar (2004) wordt gesteld dat het gemiddelde
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
78
slagingspercentage (als ouders zelfstandig afspraken maken) over de afgelopen tien jaar tussen
de 50 en 65 procent lag. De leeftijd van de kinderen voor wie een verzoek om begeleide omgang
werd ingediend, is laag: gemiddeld ongeveer zes jaar.
Chin-A-Fat (2009) pleit voor ‘stimulering en eerdere inzet van niet-juridische geschilmethoden
bij scheiding, en uitbreiding van praktische begeleiding na scheiding.’ Dat zulke methoden
beter werken, blijkt uit onderzoek en uit de praktijk. Concreet gaat het dan om scheidings- en
omgangsbemiddeling en omgangsbegeleiding. Dat soort praktische hulp moet volgens haar dan
wel aanzienlijk worden uitgebreid.
In 2011 is de methodiek Ouderschap Blijft ontwikkeld, een geïndiceerd aanbod en een
CJG module. met jeugdhulpaanbieders en jeugdhulpinstellingen in samenwerking met het
Nederlands Jeugdinstituut. Het Omgangshuis is bedoeld voor ouders en kinderen die hulp
nodig hebben bij het weer opbouwen van contact tussen het kind en de uitwonende ouder.
Door het bieden van een veilige en neutrale plek waar kind en uitwonende ouder elkaar onder
begeleiding kunnen ontmoeten wordt toegewerkt naar onbegeleide omgang tussen beiden
(Spruijt & Kormos, 2010).
Ouderschap Blijft: Begeleide Omgang en Bemiddeling is bedoeld voor scheidende of gescheiden
ouders van kinderen van nul tot twaalf jaar oud waarbij de omgang tussen het kind en de
uitwonende ouder niet plaatsvindt of problematisch verloopt. Het doel is dat het kind omgang
heeft met de uitwonende ouder volgens de door de ouders overeengekomen afspraken. De
methodiek is erop gericht om de communicatie bij de ouders te herstellen en ook de omgang
tussen de uitwonende ouder en het kind. Dit gebeurt op een manier dat het kind loyaal kan zijn
naar beide ouders.
Het Lorentzhuis heeft ruime ervaring opgedaan met behandeling van partnerproblematiek in
groepsverband, specifiek voor vecht scheidende ouders en hun kinderen. (Van Lawick, 2012)
Er valt te concluderen dat de effectiviteit van het aanbod voor het grootste deel nog
onbekend is. Dit is voor een belangrijk deel te wijten aan het feit dat er onvoldoende
(Nederlands) onderzoek naar de betreffende interventie is gedaan. Uit verschillende
kleinschalige studies is wel gebleken dat begeleide omgangsregelingen redelijk succesvol
zijn in het bereiken van het gestelde doel: ouders zelfstandig het contact tussen kind en
uitwonende ouder te laten regelen. Bijna de helft van de helft van de ouders voeren de
gemaakte afspraken na een jaar nog uit.
Vanuit internationaal onderzoek zijn er veelal positieve indicaties over de effectiviteit van
de verschillende interventies. Daarnaast zijn enkele interventies die in het buitenland als
effectief zijn ervaren nog niet in Nederland worden ingezet.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
79
4.4.6 Interventies gericht op relatie-ondersteuning
Tabel 5. Bekendst relatie-ondersteunend aanbod in Nederland
Naam
Effectiviteit
Family Factory: De Tijd van je Leven
-
Family Life
-
Helemaal jezelf in relatie met de andere
-
partner (Gordoncursus)
Marriage Encounter (katholiek)
-
Marriage Encounter (protestants)
-
Basisweekend Protestants Marriage
-
Encounter
Marriage Course Nederland
-
Partnersteun (Triple P-module)
-
(ook voor LVB-ouders)
-
EFT (Emotionally Focused Therapy)
Onderzocht in het buitenland, erkend in
internationale reviews als meest effectieve
methodiek bij relatieproblemen
EFT- Houd me vast programma
Wordt momenteel op effectiviteit onderzocht;
gebaseerd op EFT
Bron: Verkennende studie Relatie-ondersteunend aanbod Centra Jeugd en Gezin (Anthonijsz e.a., 2010).
Aandacht aan interventies die zich richten op het versterken van de relatie tussen partners doen
we vanuit twee perspectieven.
In de eerste plaats zijn deze interventies relevant doordat zij kunnen worden aangeboden aan
ouders als er signalen zijn dat de relatie tussen ouders aan het verslechteren is. Gezien de
negatieve effecten die van een echtscheiding, en specifieker een conflictueuze relatie tussen
ouders, uitgaan, is het voor de ontwikkeling van het kind wenselijk om interventies aan te
bieden bij het signaleren van relatieproblemen.
Ten tweede kunnen deze interventies ingezet worden als ouders een nieuwe relatie beginnen.
Het vormgeven van een nieuwe relatie als stiefgezin blijkt niet altijd even eenvoudig (Cottyn,
2009; Haverkort & Spruijt, 2012). In potentie kunnen spanningen zo hoog oplopen dat een
nieuwe scheiding plaatsvindt. Om dit te voorkomen kan het raadzaam zijn om ouders
ondersteuning te bieden bij het vormgeven van hun nieuwe relatie.
In 2010 heeft het Nederlands Jeugdinstituut in opdracht van ZonMw (ministerie van VWS) een
verkennende studie gedaan naar relatie-ondersteunend aanbod in CJG’s. Belangrijke conclusies
met betrekking tot een goede relatie zijn:
-een goede partnerrelatie komt het welbevinden van partners en van kinderen ten goede
-openheid en communicatie kunnen sleutels zijn om de kwaliteit van de partnerrelatie te
verbeteren
-het gebruik van programma’s kan de kwaliteit van de partnerrelatie verbeteren
-het onderzoek naar programma’s vertoont lacunes. Er bestaat geen inzicht in de effectiviteit
van de programma’s (Anthonijsz, Dries, Berg-le Clercq & Chênevert, 2010).
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
80
Relatieversterking positief voor het kind
Dit onderwerp sluit ook aan op de ontwikkeling van versterking van de eerstelijnszorg voor
jeugd en gezin, bijdragen aan het gezond opvoeden en opgroeien voor ieder kind. Dit sluit aan
bij de visie en uitgangspunten van de landelijke overheid zoals:
-de vraag van kind en ouders is leidend
-bijtijds erbij zijn, zoveel als nodig en niet meer dan noodzakelijk
-versterken van eigen kracht van kind, ouders, professionals en basisvoorzieningen
-integrale benadering: één kind, één gezin, één plan.
Bij dit onderdeel bespreken wij daarom ook de interventies gericht op relatieversterking. Een
langdurige veilige relatie, blijkt uit herhaald wetenschappelijk onderzoek, is de belangrijkste
factor die bijdraagt aan individueel geluk. Door alert te zijn op beginnende problemen, snel in te
grijpen en effectief samen te werken, kan worden voorkomen dat problemen escaleren.
In de verkennende studie van Anthonijsz en collega’s (2010) is een schets gegeven van
het huidige Nederlandse aanbod van educatieve, c.q. preventieve programma’s over
relatieondersteuning. Het hulpverleningsaanbod bij relatieproblemen en echtscheiding viel
buiten het bestek van die studie. In de praktijk is er sprake van een geleidelijke overgang
van vragen om relatieondersteuning en vragen rond scheiding. Daarom noemen wij een
aantal organisaties die op relatiegebied actief zijn: de Nederlandse Vereniging voor Relatie
en Gezinstherapie (NVRG), GGZ, Stichting EFT (Emotionally Focused Therapy) en het AMW.
Het Algemeen Maatschappelijk werk biedt partnerrelatiegesprekken aan en gebruikt diverse
methodieken met een systeemgerichte invalshoek (De Monnich, 2004). Uit al deze programma’s
kunnen werkzame factoren gedestilleerd worden voor relatieversterking.
In Nederland wordt vanuit 8 min of meer geïnstitutionaliseerde initiatieven een expliciet
preventief relatie ondersteunend aanbod gedaan; 4 initiatieven hebben een kerkelijke
achtergrond en 4 programma’s niet. Hulpverleningsinstellingen en particuliere therapeutische
praktijken gaan in op vragen om hulp. Therapeuten stellen dat hun aanbod ook een preventief
karakter heeft omdat verergering van de situatie kan worden voorkomen. De ervaring van
veel therapeuten is dat mensen in een te laat stadium hulp en begeleiding zoeken. Ook
hulpverleningsinstellingen en therapeuten zouden in een eerder stadium kunnen werken aan
(primaire) preventie.
Zo zien we in de praktijk voorbeelden: de particuliere praktijk ‘Insight or out’ (www.insightorout.nl)
biedt ‘relatieopfriscursussen’ aan. De praktijk ‘Lab of Love’ (www.thelaboflove.com) richt zich
onder andere op ‘het verdiepen van een bestaande relatie, en het herstellen van kleine
haarscheurtjes in een relatie’. Met de LoveScan biedt The Lab of Love een instrument waarmee
partners zich bewuster worden van wie ze zijn in een relatie. Een voorbeeld van een min of
meer geïnstitutionaliseerd Nederlands programma is Marriage Encounter, een initiatief van
de Spaanse pater Calvo. Dit programma werd via de V.S. en Vlaanderen in 1976 in Nederland
geïmplementeerd.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
81
Het recent ontwikkelde programma ‘De Tijd van je Leven’ heeft een breder doel dan alleen
relatieondersteuning. Het richt zich op het bredere gezinsfunctioneren en besteedt ook
aandacht aan opvoeden. Zij willen graag alle gezinnen bereiken en zijn niet gestart vanuit een
kerkelijke organisatie. Het doel van de methodiek is het versterken van onderlinge verbanden
tussen de ouders. Aanvullend aan de ondersteuning van gezinnen door professionals, draagt
de Tijd van je Leven bij aan het versterken van de ‘Village’ (het op elkaar betrokken zijn en met
elkaar meeleven van ouders en gezinnen). Ook FamilyLife richt zich op een breder werkveld;
men organiseert vader/zoon, vader/dochter en moeder/dochter weekenden.
Het programma van Stichting NET, ‘Helemaal jezelf in relatie met de andere partner’ is niet
specifiek op beide ouders gericht. Deelname staat ook open voor alleenstaande ouders. De
module Partnersteun van Triple P is minder vormend dan wel preventief/hulpverlenend van
aard. Het richt zich zowel op ouders die willen werken aan hun relatie, als op ex-partners in
geval van scheiding.
Het huidige aanbod in Nederland gericht op verbetering van de partnerrelatie en verbetering
van de communicatie is – gezien de potentiële doelgroep – kwantitatief niet uitgebreid in
omvang te noemen (zie tabel 5). In het algemeen richt men zich wel op de totale populatie.
Niet duidelijk is hoe de aanbieders van programma’s denken over uitbreiding van het aanbod
gerelateerd aan de feitelijke deelname, afstemming aanbod op specifieke doelgroepen, hoe
potentiële deelnemers gemotiveerd kunnen worden en het publieke draagvlak van het aanbod.
Een enkele aanbieder merkt op dat motivering van deelnemers de laatste tijd lastig wordt
gevonden. Deze notie is in zijn algemeenheid ook in Amerikaanse literatuur terug te vinden.
Buitenlandse voorbeelden
Bij dit overzicht moet opgemerkt worden dat de meeste Nederlandse programma’s
bewerkingen zijn van buitenlandse voorbeelden. Het wordt niet geheel duidelijk in hoeverre
de buitenlandse voorbeelden zijn aangepast aan Nederlandse doelgroepen en ontwikkelingen.
Gelijktijdig wordt opgemerkt dat wat betreft het aanbod van bewerkte buitenlandse
programma’s, de kwaliteit van het aanbod in Nederland positief wordt beïnvloed door
uitwisseling van internationale ervaringen. Zo werken de twee Nederlandse initiatieven
van Marriage Encounter samen. Op Europees- en wereldniveau worden praktijkervaringen
gebundeld en worden de programma’s telkens bijgesteld.
Indicaties van de effecten van buitenlandse programma’s:
-vaardigheidstrainingen hebben een groter bereik dan educatieve programma’s
-therapie/counseling is effectiever dan preventief bedoelde programma’s
-stellen die zes tot tien jaar samenwonen laten een sterker effect zien dan net samenwonende
stellen
-omvang van een programma van 20 uur heeft een groter effect dan korter durende
programma’s
-er is geen verschil in effect tussen aanbod van kerkelijke instellingen en niet kerkelijke
instellingen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
82
Concluderend komt naar voren dat het aanbod van relatie-ondersteunende interventies
wel ruim is, maar dat dit nog onvoldoende op effectiviteit is onderzocht. Ook richt het
aanbod zich voor het grootste deel op preventie en op jonge partners. Een vertaling richting
echtscheidingsproblematiek is niet direct zichtbaar. Het is dan ook onduidelijk of het huidige
aanbod geschikt is voor partners met relatieproblemen en dreigende echtscheiding. Voor
partners die gezamenlijk een nieuw samengesteld gezin (stiefgezin) gaan vormen, bieden de
interventies positieve perspectieven.
4.5 Conclusies met betrekking tot de vragen over interventies
De nu volgende conclusies zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, theorie en consensus
onder experts. De belangrijkste risicofactoren voor kinderen voor, tijdens en na een ouderlijke
scheiding zijn:
-huiselijk geweld en kindermishandeling;
-psychologische oorlogsvoering tussen de ouders;
-ernstige en langdurige ouderlijke conflicten;
-een instabiele inwonende ouder of ouders;
-een slechte band met de inwonende ouder;
-het aantal bijkomende veranderingen zoals verhuizing, schoolverandering en nieuwe
partners;
-financiële problemen (in het algemeen achteruitgang in SES en in het bijzonder als er sprake
is van armoede);
-een slechte band met de uitwonende ouder;
-een slechte band met de stiefouder.
Op 1 maart 2009 is de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding
in werking getreden. Daarin is opgenomen dat ouders eerst een ouderschapsplan moeten
opstellen alvorens te kunnen scheiden. Na meer dan 90 procent van de scheidingen behouden
beide ouders gezamenlijk ouderlijk gezag. In uitzonderingsgevallen kan de rechter beslissen tot
eenhoofdig gezag aan een ouder. In het ouderschapsplan moet worden aangegeven op welke
wijze kinderen bij de afspraken in het plan zijn betrokken. Dus is het van belang eerst te kijken
naar de afspraken in het ouderschapsplan en vervolgens naar de ontwikkelingscondities voor
het kind. Hoe is het gesteld met de primaire zorg voor het kind en met de veiligheid van de
directe omgeving.
Voor een positieve ontwikkeling van het kind gaat het vooral om de kwaliteit van de ouderkindrelatie. Die kwaliteit is belangrijker voor een goede aanpassing van kinderen na de scheiding
dan afspraken over de kwantiteit van het contact met beide ouders na de scheiding. Op basis
van de informatie over ouderschapsplan en de ontwikkelingscondities inclusief de kwaliteit van
de band met beide ouders, kan naar de zorg- en omgangsregeling worden gekeken. Als uit die
afweging blijkt dat een kind ernstige problemen heeft vanwege chronische ouderlijke conflicten,
is het belangrijk (nogmaals) te adviseren dat ouders hun conflicten leren beheersen. Als dat niet
lukt en het contact met de uitwonende ouder dan ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke of
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
83
lichamelijke ontwikkeling van het kind, is het al dan niet tijdelijk stopzetten van het contact met
de uitwonende soms een noodzakelijke maatregel.
Adviezen per leeftijdsfase
Vroeger was de gangbare regeling na een scheiding dat een kind bij moeder woonde en elke
week of om de veertien dagen een weekend naar vader ging. Tegenwoordig wordt meestal in
het verplichte ouderschapsplan een regeling afgesproken die past bij de ontwikkeling van het
kind en de situatie van de ouders.
Op basis van diverse onderzoeken kunnen wel enkele algemene adviezen worden gegeven:
-
Baby’s (0-2 jaar) moeten vooral de kans krijgen om zich te hechten. Langdurig weg uit de
vertrouwde omgeving is niet aan te raden. Een paar keer per week een paar uur contact is
aan te bevelen. Communicatie tussen de ouders is belangrijk;
-
peuters (2-4jaar) exploreren hun (kleine) wereld. Meestal kunnen zij wat langer dan een paar
uur van de inwonende ouder (meestal moeder) weg. Maar ten minste wekelijks contact met
vader en duidelijke afspraken zijn aan te bevelen;
-
basisschoolleerlingen (5-12 jaar) hebben vooral ook behoefte aan duidelijkheid en structuur.
Deze kinderen willen vaak inspraak over de zorg- en omgangsregeling. Maar de ouders
moeten beslissen en het liefst samen;
-
oudere kinderen (twaalf jaar en ouder) willen vaak zelf bepalen hoe vaak en wanneer zij de
andere ouder zien. Het beste is dat ouders en kinderen overleggen maar ouders moeten
bedenken dat zij verantwoordelijk blijven.
Hendriks (2012) stelt dat een passende zorg- en omgangsregeling altijd maatwerk is en
dat rekening moet worden gehouden met het gezinssysteem van voor de scheiding, de
ontwikkelingsfase van het kind, en de kwaliteit van de band met de ouders zoals die voor de
scheiding is opgebouwd. Uit onderzoek kan daar nog aan worden toegevoegd dat rekening moet
worden gehouden met de mate van conflict tussen de ouders. Bovendien blijkt het van belang
dat de inwonende ouder het contact met de uitwonende ouder ondersteunt (Spruijt & Kormos,
2010). Tenslotte geldt voor elke regeling dat het heel belangrijk is voor kinderen dat ouders het
met elkaar eens zijn of worden over de regeling.
Interventies voor jeugdigen
Er bestaan in Nederland diverse interventies die tot doel hebben kinderen, ouders en gezinnen
te ondersteunen als er sprake is van scheidingsproblematiek. Deze interventies zijn echter lang
niet altijd algemeen bekend en worden bovendien niet in het hele land aangeboden.
De focus ligt vooral op preventieve interventies gericht op de gehele periode voor, tijdens en
na de scheiding. Uit verschillende rapporten in de jeugdhulp, analyses van cliëntprofielen en
dossieronderzoek blijkt dat bij veel kinderen die nu in de jeugdhulp terecht komen, sprake
is van scheidingsproblemen of ouders met problemen in de relatie. Terwijl het aanbod of de
hulp niet is afgestemd op deze problematiek. Sterker nog: de vraag is of deze kinderen wel
in de jeugdhulp terecht waren gekomen als er eerder/beter hulp was ingezet specifiek op
echtscheidingsproblemen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
84
In de Databank Effectieve Jeugdinterventies zijn drie interventies erkend als goed theoretisch
onderbouwd. Deze programma’s richten zich op kinderen die een echtscheiding van hun ouders
meemaken. Het betreft de kindgerichte interventies Kinderen in Echtscheiding Situatie (KIES),
!JES het brugproject en Dappere Dino’s. In 2013 is in Nederland de eerste RCT verschenen die
laat zien dat een programma (KIES) bewezen effectief is.
Diverse interventies worden op school aangeboden en zijn vaak zowel educatief als
therapeutisch van aard. Het gaat om het verhelderen van verwarrende en pijnlijke zaken
rondom de scheiding; het bieden van een veilige omgeving om moeilijke zaken te verwerken,
om vaardigheden te ontwikkelen leren om te gaan met negatieve gevoelens en moeilijke
gezinsomstandigheden, en om de ouder-kind communicatie te verbeteren.
Over het algemeen zijn deelnemers meestal zeer tevreden zijn over het gevolgde programma.
Kinderen zeggen veel geleerd te hebben over de scheiding en ook dat de relaties met de
verschillende gezins- en familieleden zijn verbeterd. Maar methodisch goed opgezette studies naar
langere termijneffecten van programma’s voor scheidingskinderen zijn nog zeldzaam. Het CODIP
programma is bewerkt voor Nederland en TNO heeft een eerste onderzoek uitgevoerd. Het KIESprogramma voor kinderen van acht tot en met twaalf jaar is tot nu toe het enige programma in
Nederland dat volgens betrouwbare methodologische criteria is onderzocht (een RCT).
De resultaten van dit onderzoek naar de effecten van het KIES-programma laten duidelijk zien
hoe waardevol een dergelijk programma is voor scheidingskinderen.
Interventies voor ouders en gezinnen
Er zijn vooralsnog in Nederland geen erkende oudergerichte interventies voor gezinnen
voor, tijdens en na scheiding. Wel is in 2014 een pilot studie uitgevoerd naar Triple P Family
Transitions. Het gaat hierbij om een variant van het erkende Triple-P opvoedprogramma
specifiek voor ouders in scheiding.
Triple P ook geschikt is voor ouders met een licht verstandelijke beperking. Een specifieke
module is er niet, maar zowel uit onderzoek als praktijkervaringen blijkt dat Triple P met
kleine inhoudelijke en methodische aanpassingen goed toepasbaar is voor LVB-ouders.
Door bijvoorbeeld ouders vooral te laten leren door ervaren (kijken en doen) en door extra
voorbeelden te gebruiken.
Over ouderprogramma’s concludeerde Douglas (2006) dat ouderprogramma’s nog onvoldoende
op methodisch verantwoorde wijze zijn onderzocht. Wel zijn ouders die een programma hebben
gevolgd in het algemeen erg tevreden over het programma. Ook lijkt duidelijk dat het volgen van
een programma de mate van ouderlijke conflicten reduceert. Bovendien blijkt het opvoedgedrag
van ouders te verbeteren en wordt hun kennis over het thema kinderen en scheiding vergroot.
Meer onderzoek is echter nodig.
Het aanbod relatie-ondersteunende interventies is wel ruim, maar nog onvoldoende op
effectiviteit onderzocht. Ook richt het aanbod zich voor het grootste deel op preventie en op
jonge partners. Een vertaling richting echtscheidingsproblematiek is niet direct zichtbaar. Het
is dan ook onduidelijk of het huidige aanbod geschikt is voor partners met relatieproblemen
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
85
en dreigende echtscheiding. Voor partners die gezamenlijk een nieuw samengesteld gezin
(stiefgezin) gaan vormen bieden de interventies wel enige aanknopingspunten.
Stiefgezinnen
Ook kan het maken van een Stiefplan behulpzaam zijn als er een nieuw gezin wordt gestart.
Dit Stiefplan is gemaakt door Nieuw Gezin Nederland (Stichting Stiefgezinnen Nederland).
Door vooraf met de nieuwe partner afspraken te maken over de opvoeding van de kinderen en
stiefkinderen en door verwachtingen te bespreken en op elkaar af te stemmen, kunnen veel
problemen worden voorkomen.
Het Stiefplan is gebaseerd op het ouderschapsplan. Het is ook een plan met afspraken over
en met de kinderen, met het verschil dat je het Stiefplan samen met de nieuwe partner invult
omdat je de wens en het verlangen hebt om juist bij elkaar te blijven. De nieuwe partners vullen
het plan vrijwillig in, bijvoorbeeld voordat ze gaan samenwonen.
Partners die al jaren in een samengesteld gezin samenwonen kunnen met het op te stellen
Stiefplan hun samengestelde gezin evalueren. Is het nieuwe gezin mee- of tegengevallen? Wat is
er gelukt en wat (nog) niet? Waar loop je tegenaan, wat zijn wensen en wat zou je anders willen.
Hoe maak je lastige onderwerpen bespreekbaar? Wanneer je pas gaat samenwonen als de
kinderen uit huis zijn heeft het samenwonen met een nieuwe partner nog steeds impact op het
gezin. Volwassen kinderen zijn gewend aan het ouderlijk huis en een eigen sfeer. Daarnaast zijn
volwassen kinderen kritisch ten opzichte van de nieuwe partner. Is hij wel goed voor moeder nu
ze alleen is vragen ze zich af. Of is zij wel zorgzaam voor vader?
In het Stiefplan staat:
-elkaars voorgeschiedenis;
-gemeenschappelijke wensen en doelen;
-wat de kinderen willen;
-wat de kinderen verwachten;
-wat ieder individueel belangrijk vindt;
-wat ieder nodig heeft.
Na een jaar samenwonen kunnen de gezinsleden in het samengesteld gezin het plan opnieuw
doornemen.
Vanuit de politiek en de sector/werkveld komen er steeds meer geluiden dat er ook aandacht
moet zijn om te investeren in de relatie tussen de ouders. Beleid en interventies zouden gericht
moeten zijn op het bevorderen en versterken van duurzame relaties.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
86
4.6 Overige overwegingen
De effectiviteit van hulpverlening wordt door meer bepaald dan alleen een interventie. Ook
algemeen werkzame factoren spelen hierbij een rol. Algemeen werkzame factoren betreffen
de ingrediënten van de hulp die aan het resultaat bijdragen ongeacht de soort behandeling en
doelgroep. Bekende voorbeelden van deze factoren zijn (Van Yperen e.a., 2010):
- aansluiten bij de motivatie van de cliënt;
- een goede relatie tussen cliënt en behandelaar;
- een goede structurering van de interventie (duidelijke doelstelling, planning en fasering);
- een goede ‘match’ tussen hulpvraag en aanpak van het probleem;
- een goede uitvoering van de interventie;
- professionaliteit (goede opleiding en training) van de behandelaar;
-gezonde werkomstandigheden van de behandelaar (zoals een draaglijke caseload en goede
ondersteuning).
Algemeen werkzame factoren dragen in belangrijke mate bij aan de effectiviteit van hulp.
Daarnaast komt het in de praktijk vrijwel niet voor dat er slechts één interventie wordt ingezet
bij deze doelgroep: interventies worden gestapeld en ook daarbuiten wordt er op meerdere
manieren hulp verleend.
Toch is het om een aantal redenen gerechtvaardigd om hier in te zoomen op losse interventies.
Ten eerste bevatten interventies technieken die feitelijk als algemeen werkzame factoren
opereren. Denk hierbij aan het structureren van de hulp door doelgericht te werken. Ten tweede
bevatten interventies technieken die invloed hebben op de kwaliteit van de algemeen werkzame
factoren, zoals technieken die helpen om de kwaliteit van de therapeutische relatie goed vorm
te geven. Ten slotte zijn er in de literatuur aanwijzingen te vinden dat door het gebruik van
specifieke methodieken – mits goed geïmplementeerd – er een betere koppeling tot stand komt
tussen de problemen waar de jeugdige / de opvoeder mee kampt en de aanpak (Van Yperen
e.a., 2010).
Het feit dat het weinig voorkomt dat er een enkele interventie wordt ingezet, wil niet zeggen
dat ‘stapelen’ de voorkeur zou moeten hebben. Dit geldt des te sterker als er weinig aandacht
is voor therapie-trouw: het uitvoeren van de interventie zoals bedoeld. Stapelen kan leiden
tot een opeenhoping van ‘halve interventies’. In zo’n geval verdient het verbeteren van de
oorspronkelijke interventie de voorkeur.
De rol van diversiteit in interventies
Om jeugdigen met een lichte verstandelijke beperking (LVB) te laten profiteren van een
interventie is het noodzakelijk de interventie en de randvoorwaarden aan te passen
aan de vaardigheden, beperkingen en mogelijkheden van deze jeugdigen. Op basis van
literatuuronderzoek en interviews met professionals hebben De Wit, Moonen en Douma (2011)
de Richtlijn Effectieve Interventies LVB ontwikkelt. Hierin worden aanbevelingen gedaan voor
het ontwikkelen, aanpassen en uitvoeren van interventies gericht op de LVB-doelgroep. Deze
aanbevelingen zijn:
-doe uitgebreide diagnostiek voorafgaand aan de interventie;
-zorg voor een goede afstemming van de communicatie tussen jeugdige en hulpverlener;
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
87
-maak de oefenstof concreet: visualiseer, structureer en vereenvoudig de oefenstof en de
informatie;
-betrek het netwerk bij de interventie en generaliseer het geleerde naar andere situaties en
omgevingen;
-creëer een veilige en positieve leefomgeving.
Bij het uitvoeren van interventies is het van belang om alert te zijn op vooroordelen,
belangstelling te tonen, flexibel met de tijd om te gaan en de cliënt positief te benaderen. Het
opbouwen van een vertrouwensrelatie kan relatief veel tijd kosten (Knipscheer & Kleber, 2004).
Kennis van de culturele achtergrond is wenselijk en het verstaan van de taal vergemakkelijkt
het contact. Bij de interventies gaat het erom dat de cliënt leert denken vanuit de eigen kracht
en kwaliteit. Dit moet dus gestimuleerd worden. In de Meetladder Diversiteit zijn factoren
opgenomen die van belang zijn voor het slagen van interventies (Pels, Distelbrink & Tan, 2009).
In aanvulling op de literatuur komen er vanuit de praktijk een aantal belangrijke overwegingen.
Informatie over het ondersteuningsaanbod voor ouders en jeugd is zowel voor ouders als voor
professionals moeilijk te vinden. Het overzicht ontbreekt en dit bemoeilijkt de toeleiding. Het
is belangrijk dat er een overzicht aanwezig is van het ondersteuningsaanbod voor ouders en
jeugdigen. Niet alleen de jeugdprofessionals moeten beschikken over die kennis en over de
vaardigheden daar mee om te gaan. Ook het onderwijs, de kinderopvang en andere relevante
velden. Zij hebben een belangrijke signalerende taak.
Breng in kaart welk aanbod er beschikbaar is voor jeugd en ouders, uitgesplitst naar doel,
doelgroep, inhoud programma, kosten etc. en zorg ervoor dat hieraan publiciteit wordt gegeven.
Professionals en organisaties die met kinderen werken, weten vaak niet zo goed hoe ze
moeten omgaan met informatieverstrekking aan ouders die gescheiden zijn. Zij missen
een voorbeeldprotocol of handleiding waarin zij kunnen opzoeken hoe om te gaan met hun
informatieplicht naar (uitwonende) ouders. Faciliteer het ontwikkelen of een handleiding en
maak gebruik van de landelijke en regionale expertise.
Echtscheiding moet vanuit een bredere context worden bekeken. Wat is passende hulp
voor ouders en kinderen, individuele ondersteuning, relatietherapie, mediation, wat kan
laagdrempelig aangeboden worden? Welke interventies kunnen nog meer van betekenis zijn,
zoals Signs of Safety en Video Home training.
Aan de klankbordgroep leden en verschillende experts is ook gevraagd of er specifieke
programma’s of interventies zijn voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking. Dit is
vooralsnog niet bekend.
Volgens praktijkdeskundigen is het in algemene zin belangrijk dat een interventie aansluit bij
de doelgroep. Voor jongeren met een andere culturele achtergrond en hun ouders blijven
de grote lijnen hetzelfde. Wel is het belangrijk dat op detailniveau de gegeven voorbeelden
en rollenspellen aansluiten. Ook moet goed worden nagegaan of er sprake is van een goede
communicatie omdat taalproblemen en culturele aspecten gauw tot misverstanden leiden.
Het is in sommige culturen niet gebruikelijk om te zeggen dat je iets niet begrijpt. In de richtlijn
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
88
opvoedingsondersteuning is informatie opgenomen over randvoorwaarden voor interventies
voor ouders met een niet-westerse achtergrond. Deze randvoorwaarden kunnen ook
meegenomen worden bij interventies specifiek voor echtscheiding.
Randvoorwaarden voor het uitvoeren van interventies zijn waakzaam op vooroordelen,
belangstelling, flexibel met de tijd omgaan en een positieve benadering. Het opbouwen van
een vertrouwensrelatie kan relatief veel tijd kosten (Knipscheer e.a., 2004). Kennis van de
culturele achtergrond is wenselijk en het verstaan van de taal vergemakkelijkt het contact. Het
bevorderen van het denken vanuit de eigen kracht en kwaliteit is een belangrijk onderdeel in het
gebruiken van interventies. In de Meetladder Diversiteit zijn factoren opgenomen die van belang
zijn voor het slagen van interventies (Pels e.a., 2009).
Meld lacunes in het hulpaanbod bij de manager van de jeugdhulpinstelling. De instelling kan
vervolgens in overleg treden met de gemeente en gezamenlijk zoeken naar een oplossing. De
gemeente heeft immers de plicht tot het leveren van passende zorg.
4.7 Aanbevelingen
-Weet dat de belangrijkste risicofactoren voor problemen bij jeugdigen vóór, tijdens en na
de scheiding zijn: familiaal geweld, ernstige en langdurige ruzies tussen ouders, een slechte
band met de inwonende ouder, met de uitwonende ouder, met de stiefouder, en het aantal
bijkomende veranderingen, inclusief financiële achteruitgang.
-Ken de belangrijkste punten uit de Wet Bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige
scheiding en uit het ouderschapsplan.
-Informeer naar de huidige gezinssituatie van beide ouders bij het maken van afwegingen
voor een bepaalde zorgregeling of een bepaalde omgangsregeling. Voor jeugdigen is het
belangrijk dat hun ouders het eens zijn over de regeling.
-Houd bij afwegingen voor (veranderingen in) een bepaalde zorgregeling of een bepaalde
omgangsregeling rekening met het gezinssysteem vóór de scheiding, de ontwikkelingsfase
van de jeugdige, de kwaliteit van de band met de ouders, de woonsituatie, de mate van
conflicten tussen de ouders, het ouderschapsplan en de wil van de jeugdige.
-Is er sprake van gezamenlijk ouderlijk gezag, kijk dan eerst naar de afspraken in het
ouderschapsplan en vervolgens naar de ontwikkelingscondities van de jeugdige (hoe is de
veiligheid en zorg voor de jeugdige geregeld, wat is het toekomstperspectief, wat wil de
jeugdige?).
-Als blijkt dat een jeugdige ernstige problemen heeft vanwege chronische ouderlijke
conflicten, onderneem dan eerst (hernieuwde) pogingen om de ouders te leren hun
conflicten te beheersen. Eventueel kan de rechter de zorg- of omgangsregeling opnieuw
beoordelen.
-Is er sprake van eenhoofdig gezag, dan gelden soortgelijke overwegingen als bij gezamenlijk
gezag, maar nu voor de omgangsregeling. Pogingen de ouders te leren hun conflicten te
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
89
beheersen verdienen de voorkeur. Daarna kan eventueel de rechter opnieuw om een oordeel
worden gevraagd.
-Is er sprake van een scheiding of heftige conflicten tussen de ouders, richt de begeleiding dan
zowel op de ouders als op de jeugdige. Het horen en betrekken van meerdere informanten
(de jeugdige, school, familieleden, huisarts) kan noodzakelijk zijn. Neem kennis van het
aanbod aan interventies voor jeugdigen, ouders en gezinnen in de regio. Voorkom een
zoektocht naar de juiste hulp.
-Betrek steeds de ouders bij de ondersteuning. Schenk daarbij aandacht aan de relatie
tussen de ondersteuning en de opvoeding. Houd ook rekening met de leeftijd en de
ontwikkelingsfase van de jeugdige.
-Maak ouders ervan bewust dat het voor hun kind belangrijk is dat zij hun conflicten
beheersen. Leer hen dus geen ruzie te maken in het bijzijn van hun kind, en wijs hen erop
dat zij er goed aan doen gezamenlijke afspraken over hun kind te maken. Stimuleer ouders
om deel te nemen aan programma’s die gericht zijn op het leren beheersen van ruzies, op
(familie)mediation en/of op het versterken van hun (ouder)relatie. Of motiveer de ouders
individuele hulp te zoeken.
-Stimuleer ouders en kinderen van scheidende of gescheiden ouders deel te nemen aan
een programma zoals KIES, !JES het brugproject of Dappere Dino’s. Adviseer zo nodig
individuele hulpverlening. Wijs indien nodig op de mogelijkheid van OTS, uithuisplaatsing
en de mogelijkheid om een bijzondere curator in te schakelen. In de Richtlijn Uithuisplaatsing
voor jeugdhulp en jeugdbescherming (Bartelink et al., 2015) is onder andere een overzicht te
vinden van ‘evidence based’ en ‘practice based’ kennis op het gebied van het uit huis plaatsen
van jeugdigen in de jeugdhulp en jeugdbescherming, de rol van jeugdigen en ouders bij het
beslissen over het uit huis plaatsen en effectieve interventies om een uithuisplaatsing te
voorkomen.
-Weet dat bij nieuwe gezinnen na een scheiding de gezinsverhoudingen nog complexer
worden. Daarom:
-Adviseer aanwezige stiefouders om zich vooral de eerste tijd buiten de opvoeding te
houden.
-Wijs de biologische ouder op haar/zijn spilfunctie in het nieuwe gezin.
-Informeer partners in stiefgezinnen op het bestaan van groepsbijeenkomsten voor (stief)
ouders.
-Raadpleeg ook de Richtlijn Samen beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en
jeugdbescherming (Bartelink, Eijgenraam & Meuwissen, concept in ontwikkeling). In deze
richtlijn wordt beschreven hoe jeugdprofessionals het beste de vraag van ouders en jeugdige
kunnen verhelderen en een samenwerkingsrelatie kunnen aangaan en hoe zij het beste in
dialoog met ouders en jeugdige doelen en een plan voor passende hulp kunnen opstellen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
90
Hoofdstuk 5
Samenwerking met ouders
en met het netwerk
Richtlijn
RichtlijnScheiding
Scheidingen
enproblemen
problemenvan
vanjeugdigen
jeugdigenvoor
voorjeugdhulp
jeugdhulpen
enjeugdbescherming
jeugdbescherming//onderbouwing
onderbouwing//pagina
pagina 91
91
Knelpunt: Hulpverleners zijn afhankelijk van scheidende ouders en van andere partijen.
5.1 Inleiding
Professionals in de jeugdhulp en jeugdbescherming hebben de brede maatschappelijk taak
te ‘helpen bij het opgroeien en opvoeden’ (Zwikker e.al., 2009). Onder ‘goede hulpverlening’
worden niet alleen effectieve interventies verstaan, maar zeker ook effectieve professionals.
Zoals Van Yperen en Dronkers (2010) stellen vormt de professional een cruciaal onderdeel van
effectieve hulpverlening. Dit geldt uiteraard ook voor de hulpverlening bij problemen rond
scheiding. Of een professional effectief is hangt volgens Van Yperen en Dronkers (2010) deels
af van algemene capaciteiten, zoals een relatie kunnen opbouwen en werken volgens een
duidelijke structuur. Maar ook specifieke capaciteiten zijn van belang. Hierbij gaat het erom dat
de professional:
-voldoende kennis heeft over de specifieke doelgroep
-vaardig is in het inzetten en toepassen van de aangewezen specifieke hulpvormen, dan wel
hiernaar kan verwijzen
-weet welke valkuilen er zijn bij de hulp aan een specifieke doelgroep, en weet hoe hij of zij die
kan vermijden.
Daar valt nog aan toe te voegen dat professionals ook over een bepaalde houding of attitude
moeten beschikken om ouders en jeugdigen het vertrouwen te geven dat zij geholpen zullen
worden. Vertalen we dit naar scheiding, dan is van belang dat jeugdprofessionals te maken
krijgen met zowel de kinderen in een scheidingssituatie als de scheidende/gescheiden
ouders. De uitgangsvragen 3.1 tot en met 3.5 hebben allemaal betrekking op het omgaan van
hulpverleners met kinderen en ouders voor, tijdens en na de scheiding.
Uitgangsvraag 3.1: Hoe kunnen hulpverleners omgaan met ouders die niet willen
meewerken?
Uitgangsvraag 3.2: Hoe kunnen ouders betrokken worden bij en omgaan met hun kind in
en na een scheiding?
Uitgangsvraag 3.3: Welke kennis heeft een beroepskracht nodig om ouders te kunnen
adviseren over het hulpaanbod?
Uitgangsvraag 3.4: Hoe kunnen hulpverleners buiten ouderlijke conflicten blijven en
ouders motiveren hun onderlinge conflicten te beheersen?
Uitgangsvraag 3.5: Hoe kunnen hulpverleners omgaan met een eventuele nieuwe partner
van moeder en/of vader?
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
92
5.2 Omgaan met ouders
Als ouders uit elkaar gaan, krijgen jeugdprofessionals te maken met een dubbele doelgroep:
zowel met de jeugdigen als met de scheidende/gescheiden ouders. In het algemene profiel
van de’ jeugdzorgwerker’ en de ‘gedragswetenschapper in de jeugdhulp’ wordt de dubbele
doelgroep (kinderen en ouders) niet nader gespecificeerd. In deze richtlijn vullen we de
competenties rond dit thema aan. Daarbij richten we ons vooral op de meest relevante en
moeilijkste groep, die van kinderen van gescheiden of scheidende ouders met (ernstige)
problemen. Ouders zijn dan vaak verwikkeld in een vechtscheiding.
Voor professionals in de jeugdhulp en jeugdbescherming is het behandelen van kinderen in
een echtscheidingssituatie vaak een dilemma. Zo zijn in echtscheidingssituaties de belangen
van ouders en het kind in veel gevallen niet overeenkomstig. Antokolskaia en Coenraad (2010)
gaan in op de vraag of de belangen van het kind en van de ouders in het nieuwe scheidingsrecht
wel voldoende met elkaar in evenwicht zijn. Kinderen zouden in elk geval meer betrokken
moeten worden bij afspraken die rechtstreeks op hen betrekking hebben. De jeugdprofessional
moet op zoek gaan naar de best mogelijke oplossingen voor het kind en tegelijk rekening
houden met de belangen van ouders. Het uitgangspunt daarbij is om samen met de ouders te
formuleren wat hun gezamenlijke doel is voor het kind. Dat is immers ook in het belang van de
ouders. Vanuit de formulering van het gezamenlijk doel kan worden gekeken hoe te komen tot
ontwikkelingsbevorderende oplossingen (Cottyn, 2009).
Duijvesteijn en Noordink (2013) formuleren dit als volgt: Behandeling en begeleiding van
scheidingskinderen moet zich in eerste instantie richten op de oorzaak van de problemen en
bij scheidingskinderen zijn dat vaak de ouders. Bij hen ligt de sleutel tot succes. In de nota
Gezinsbeleid 2008, De kracht van het gezin, van het programmaministerie jeugd en gezin, wordt
een pleidooi gehouden om te investeren in het vermogen van beide ouders om afspraken over
de situatie van de kinderen te maken en stabiliteit in de situatie na de scheiding te garanderen.
Daarnaast adviseert de nota het versterken van de betrokkenheid van kinderen bij beslissingen
die hen aangaan mits zij daar de leeftijd voor hebben.
In Vlaanderen hebben in 2007 de Federatie van diensten voor geestelijke gezondheidszorg
en het Verbond van verzorgingsinstellingen een handreiking opgesteld voor het omgaan met
kinderen en ouders in vechtscheidingen. In deze handreiking stellen zij dat de relatie met
de hulpverlener mede wordt bepaald door het verloop van de juridische afhandeling van
de scheiding en de ontwikkelingsfase van het kind. Bovendien is de fase van verwerking van
de echtscheiding waarin beide ouders zich bevinden van belang. De juridische context kan
bovendien gedurende het volledige therapeutische proces veranderen en interfereren met dit
proces. Beroepskrachten moeten zeker op de hoogte blijven van de juridische veranderingen
omdat die ook een weerslag kan hebben op de behandelingen en therapieën. Wanneer
met al deze aspecten rekening gehouden wordt, kunnen er geen vaste regels zijn voor ‘de
vechtscheiding met mishandeling en/of emotionele verwaarlozing’ maar dient elk dossier
anders benaderd te worden naargelang deze verschillende variabelen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
93
Competenties van de jeugdprofessional
Ouders voelen zich vaak niet erkend en gehoord in het hulpverleningsproces. Zeker in
echtscheidingsgevallen spelen zij echter een cruciale rol. Ouders zijn in scheidingsgevallen
een belangrijk onderdeel van de problemen van het kind. Zeker als sprake is van een
vechtscheiding. In de benaderingswijze en communicatie met ouders is het belangrijk om als
jeugdprofessional het ouderperspectief en oudergericht kijken mee te nemen om de problemen
van scheidingskinderen aan te pakken.
De jeugdprofessional moet daarmee in staat zijn zowel te denken over de jeugdige én zijn vader
én zijn moeder en over hun loyaliteiten. Er wordt meerzijdige betrokkenheid verlangd: hij of zij
moet afwisselend de verschillende partijen erkennen en zich kunnen inleven in ieders positie
en inspanningen om zo de dialoog tussen de partijen in gang te zetten. Ook kunnen zij ouders
stimuleren om meer vanuit een wij positie te kijken naar hun kinderen, wat willen wij voor het
kind en niet wat vind ik dat moet.
Dit betekent dat je bij beide ouders rekening moet houden met hun eigen geschiedenis en
context. Dit vraagt om stil te kunnen staan bij de beleving van ouders, erkenning te geven voor
hun positie en gevoelens om zo in contact te blijven met ouders. Van hieruit kun je de ouders
in beweging krijgen en zich laten richten op de belangen van hun kind. Het gaat er ook om
dat de ouders de jeugdprofessional zien als onpartijdig. De jeugdprofessional moet zichzelf
steeds de vraag stellen: is er een kans dat iemand dit kan uitleggen als het bevoordelen van
de andere partij? En hij dient alert te zijn op mogelijke aanwijzingen die de ouders ervaren
als partijdig. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als ze zijn geloofwaardigheid ter discussie
stellen, vaak in discussie gaan over voorstellen of zich uit het proces terugtrekken. In de praktijk
betekent meerzijdige betrokkenheid het handhaven van een zekere balans in de contacten met
ouders: hen gelijkelijk de kans geven te spreken en gelijkelijk aandacht te geven (uit de training
Ouderschap Blijft (NJi, 2011)).
Ook dient in bijna alle (problematische) scheidingsgevallen de communicatie tussen de ouders
te worden hersteld of verbeterd.
De Vlaamse studie noemt de volgende algemene uitgangspunten voor het werken met ouders
in conflictueuze echtscheidingssituaties 4:
Meerzijdige partijdigheid
Meerzijdige partijdigheid is het principe waarbij men afwisselend de verschillende partijen
erkent, van partij wisselt en zich inleeft in ieders positie en inspanningen om zo de dialoog
tussen de partijen op gang te brengen. Het is belangrijk om hierbij de ander en de belangen
van de ander niet uit het oog te verliezen. Meerzijdige partijdigheid betekent dat de
jeugdprofessional moet denken én over het kind én zijn vader én zijn moeder en over hun
wederzijdse loyaliteiten. Dat brengt echter onvermijdelijk gevoelens van onmacht met zich mee.
Hierdoor kan men zich als jeugdprofessional net als het kind in een onmogelijke situatie
geplaatst voelen.
De hulpverlener kan dan de neiging hebben om vanuit de bezorgdheid voor het kind toch partij
te kiezen. Ondersteuning van collega’s en goede werkbegeleiding is essentieel. Scheidingszaken
kosten de werker vaak veel energie en gevaar van opgebrand raken is groot. Bovendien dient men
alert te zijn op parallelle processen bij zorgaanbieders als bij ouders: het risico bestaat dat er strijd
tussen instanties ontstaat die lijkt op de strijd die tussen ouders speelt.
4
Deze onderwerpen worden ook benoemd in de competentieprofielen voor de jeugdzorg.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
94
Positie innemen en belangen
Het is typisch bij vechtscheidingen dat de therapeut voortdurend door de ouders wordt
uitgedaagd om een positie in te nemen. Een therapeut moet hiervoor steeds alert zijn. Cottyn
(2009) beschrijft dat ouders en kinderen die gevangen zitten in een conflictsituatie na scheiding
behoefte hebben aan iemand die aansluit op hun gevoel van benadeling én hoop geeft op een
nieuw perspectief. Het is een therapeutische uitdaging om te zoeken naar manieren om niet
verwikkeld te raken in geschillen tussen ouders en toch te steunen. Cottyn spreekt niet over
meerzijdig partijdig zijn. De strijd tussen ouders is niet absoluut en allesomvattend maar neemt
Cottyn als een interpretatief kader en dan verschuift het perspectief. De focus wordt gelegd op
het kaderen en begrijpen van conflicten in plaats van die af te wijzen. Het is van belang hoe een
hulpverlener zich opstelt ten opzichte van ouders en kinderen, ook als ze afwezig zijn. Meerzijdige
partijdigheid kan onmogelijk zijn, maar veelzijdige inleving en veelzijdige betrokkenheid zien is
wel mogelijk (Decraemer, 2005, Cottyn, 2009). In een conflict tussen ouders is het belangrijk om
informatie te krijgen over hun belangen. Er is een duidelijk verschil tussen oplossingen (posities)
en bezorgdheden (belangen).
Een positie is een concreet standpunt (eis, bedreiging, voorstel, voorgestelde oplossing, beoogde
uitkomsten, ingenomen stelling), dus een manier om je belangen te realiseren en niet de belangen
zelf. Het is belangrijk om niet te blijven stilstaan bij de naar voren gebrachte posities. Zoals ‘Je bent
ons…verschuldigd; als je niet bereid bent om te betalen, stappen we naar de rechter’. Hiermee
spring je als het ware rechtstreeks van het probleem naar de oplossing. Beter is het om door te
vragen naar de eigen onderliggende belangen.
De jeugdprofessional kan de volgende vragen stellen, zoals bijvoorbeeld:
-Wat is belangrijk voor je? Wat is je grootste zorg?
-Wat zou je hier graag willen bereiken?
-Wat je zegt zo graag te willen, kan dat alleen maar op deze éne manier? (=positie) Of kunnen
er ook nog andere manieren zijn om dat te realiseren? (=onderliggend belang)
Het doel is om de ouders zodanig in gesprek met elkaar te laten zijn dat zij bereid zijn om zelf aan
de oplossing te werken en ook om hen te stimuleren zelf op zoek te gaan naar nieuwe, creatieve
oplossingen.
Communicatielijnen tussen ouders helder afspreken
Het is belangrijk om vanaf het begin duidelijke afspraken te maken met beide ouders over de
manier waarop er zal gecommuniceerd worden. De hulpverlening mag geenszins gebruikt worden
om via de therapeut informatie te krijgen over de andere ouder. Het is de bedoeling van de
therapie dat de ouders niet blijven communiceren via de therapeut maar dat de communicatielijn
tussen de ouders weer hersteld wordt zodat er tussen hen opnieuw een communicatieve (en geen
vechtende) relatie kan plaatsvinden.
Technieken
Welke technieken kan de jeugdprofessional inzetten om met de ouders tot oplossingen te komen?
-Ervoor zorgen dat beide ouders hun eigen verhaal kunnen vertellen. Er rekening mee houden
dat ouders in het gesprek wellicht het verhaal van de ander bestrijden, bagatelliseren etc.
en jou als bemiddelaar als partij willen krijgen. Zelf uit deze strijd blijven en voorkomen dat
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
95
ouders die strijd in jouw bijzijn voeren.
-Reflecteren: laten merken dat je hebt gehoord wat iemand heeft gezegd, en ook teruggeven
wat de betekenis hiervan is voor hem of haar. Scherp waarnemen wat ouders met elkaar
doen: onderscheid maken tussen wat ze elkaar lijken te zeggen en wat ze daadwerkelijk
zeggen.
-Wat ouders in een gesprek benoemen gemeenschappelijk maken.
-Normaliseren.
-Ouders aan het werk zetten: hen vragen en stimuleren om aan elkaar te zeggen wat ze
gehoord hebben en welke emoties ze bij de ander hebben opgemerkt.
-Herformuleren/heretiketteren: bijvoorbeeld verwijten omzetten in wensen als het gaat om
wat de ouders willen bereiken.
Hoe kan de jeugdprofessional ouders richting de oplossing begeleiden?
-Werk naar de toekomst toe (het gaat om morgen, niet om gisteren);
-benoem herhaaldelijk wat het doel van het gesprek is;
-maak het probleem gezamenlijk;
-benadruk dat ze praten over wat ze wel willen in plaats over wat ze niet willen;
-rond het gesprek duidelijk af: welke afspraken kunnen worden gemaakt?
(Uit de training Ouderschap Blijft (NJi, 2011)).
Ouderschapsreorganisatie
In Nederland bepleiten Duijvestijn en Noordink (2013) op basis van een onderzoek onder 25
beroepskrachten die bezig houden met scheidingskinderen, dat er altijd aandacht moet zijn voor
ouderschapsreorganisatie. Belangrijke uitgangspunten voor effectieve ouderbegeleiding noemen
zij: meervoudige partijdigheid, een oplossingsgerichte aanpak, duidelijk stellen en handhaven
van grenzen en (juridische) verplichtingen, het kind centraal stellen en niet de ouders, ouders
motiveren hun conflicten aan te pakken. Het ouderschapsplan kan een uitgangspunt zijn om
gesprekken te structureren. In het belang van de kinderen moeten ouders gaan proberen om
hun verschillen te accepteren en er met respect en vertrouwen over te communiceren naar de
kinderen. Kennis van de wetenschappelijke bevindingen over de specifieke bijdragen die vaders
respectievelijk moeders kunnen leveren aan de ontwikkeling van het kind, is daarbij onontbeerlijk.
Na de scheiding ontstaan de rollen van inwonende ouder en uitwonende ouder. Kinderen
krijgen te maken met twee huishoudens, die van moeder en die van vader. De meeste kinderen
wonen vooral bij de moeder, een minderheid woont bij de vader. Steeds meer kinderen wonen
afwisselend bij moeder en bij vader (co-ouderschap). Bovendien komen vaak nieuwe partners op
het toneel: stiefvaders en stiefmoeders. Dit alles brengt een ouderschapsreorganisatie met zich
mee en de noodzaak voor de hulpverlener rekening te houden in het hulpverleningsproces met al
deze ouderrollen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
96
Omgaan met ouders
De geïnterviewde ouders geven aan dat het vooral belangrijk is dat ouders geen negatieve
dingen over elkaar zeggen.
‘Als verzorgende ouder is het belangrijk dat je hele jonge kinderen ook naar de andere ouder
stuurt, ook al snappen ze dan nog niet altijd het belang. Uiteindelijk is het wel in hun belang
dat ze beide ouders spreken en zien.’
Volgens de ouders moeten professionals zich meer bewust zijn dat elke ouder zegt in
het belang van het kind te opereren. Het is de vraag of dat ook echt zo is. Er kunnen
loyaliteitsconflicten spelen en het ouderverstotingssyndroom. Dit zijn hele ingewikkelde
processen.
Ook mag de positie van de vader meer op de voorgrond komen te staan:
‘De hulpverlening moet benadrukken dat het voor kinderen belangrijk is om zowel een
moeder als een vader te hebben.’
De jeugdigen hebben ook ideeën over hoe ouders meer betrokken kunnen worden. Een
jeugdige zegt:
‘Hulpverleners moeten vooral zorgen dat ouders gewoon communiceren. Ze hoeven elkaar
niet super aardig te vinden, maar als het kind naar ander gaat wel gewoon kletsen en gewoon
ophalen bij de ander. Hoe ouder je wordt, hoe meer rekening ze moeten houden met de
wensen van de kinderen’.
Een andere jeugdige geeft aan het belangrijk te vinden dat elke ouder individueel begeleiding
krijgt om zijn problemen te bespreken en informatie krijgt over hoe hij het beste met zijn
kinderen om kan gaan.
Bron: Veldconsultatie
5.3 Noodzakelijke kennis van de beroepskracht
Om ouders en jeugdigen in een scheidingssituatie goed te kunnen ondersteunen, is het
van belang dat jeugdprofessionals ook oog hebben voor verschillende aspecten van
scheidingssituaties.
Het gaat hierbij om:
-juridische aspecten;
-relationele aspecten;
-ouderschapsaspecten;
-veiligheidsaspecten.
(Algemeen Maatschappelijk Werk, 2010).
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
97
5.3.1 Juridische aspecten
Beroepskrachten in de jeugdhulp en jeugdbescherming zijn opgeleid om kennis te hebben
van de psychosociale ontwikkeling van kinderen en de opvoedmogelijkheden van ouders.
Een brede kennis van juridische zaken is niet direct een vereiste voor deze beroepskrachten.
Desalniettemin krijgen professionals in de jeugdhulp en jeugdbescherming die te maken hebben
met scheidende of gescheiden ouders ook te maken met de juridische aspecten van deze
situatie. Er komen vragen op als: Wat zijn de rechten en plichten van de gescheiden ouders ten
aanzien van het kind? Welke juridische kaders zijn er rondom het delen van informatie tussen
beide ouders?
Om ouders op een juiste wijze bij de hulpverlening te betrekken dienen jeugdprofessionals zicht
te hebben op relevante juridische kaders bij scheiding. Bij elke scheiding horen ze de inhoud van
het ouderschapsplan te kennen en te weten hoe het gezag, de zorg en omgang geregeld zijn. Zo
leert de jeugdprofessional wie van de betrokkenen welke informatie dient te ontvangen en wie
bevoegd is besluiten te nemen. In bijlage 4 is een lijst opgenomen van de belangrijkste juridische
begrippen.
De jeugdprofessional moet ook kennis hebben van mogelijke interventies bij zeer conflictueuze
scheidingen zoals OTS, uithuisplaatsing en de bijzondere curator. Bovendien dient de
jeugdprofessional op de hoogte te zijn van de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
zodat hij weet hoe te handelen bij (een vermoeden van) kindermishandeling.
Kinderen zijn dragers van rechten, vastgelegd in de Nederlandse wet in en in het Internationaal
Verdrag Inzake de Rechten van het Kind. Kinderen hebben recht op zorg en liefde, op scholing,
op het vormen en uiten van een eigen mening. Deze rechten gelden voor alle kinderen in
dezelfde mate. Dus ook voor kinderen na de scheiding van hun ouders. Behalve de expliciet
geformuleerde rechten is er ‘ het belang van het kind’. Die term komen we veelvuldig tegen.
Het IVRK ( Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind), een van de juridische kaders
waarop we ons baseren, zegt over die belangen onder andere het volgende:
Bij alle maatregelen betreffende kinderen … vormen de belangen van het kind de eerste
overweging (IVRK, artikel 3.1). De Staten die partij zijn, waarborgen in de ruimst mogelijke mate
het overleven en de ontwikkeling van het kind (IVRK, artikel 6.2).
In vechtscheidingen gebruiken de partners (of één van hen) vaak juridische procedures om
hetzij hun gelijk te halen, hetzij hun emotionele lijden af te reageren. Het is evident dat, ondanks
het feit dat er in de problematiek een emotioneel proces gaande is, het voor de hulpverlener
belangrijk is over correcte juridische informatie te beschikken om de mogelijkheden en
onmogelijkheden te kennen om binnen de juridische context tot een oplossing te komen.
Het is voor jeugdprofessionals van belang om de juiste definiëring te kennen van de juridische
termen die in verband met echtscheiding gehanteerd en toegepast worden. En zij moeten weten
wat het IVRK inhoudt. Bij de aanmelding en zeker in de loop van de begeleiding worden die door
de ouders vaak gebruikt. De wetgeving en de rechtsgang bepalen immers mee hoe de ouders
tegenover elkaar staan.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
98
Gezamenlijk ouderlijk gezag
Na de scheiding houden meer dan 90 procent van alle ouders gezamenlijk ouderlijk gezag.
Sinds de invoering van de nieuwe wet in 2009 moet er voor de scheiding een ouderschapsplan
worden gemaakt. Hierin staan rechten en plichten van de gescheiden ouders ten opzichte van
hun kinderen. In het ouderschapsplan moeten in ieder geval afspraken worden opgenomen
over:
-de manier waarop de ouders de zorg- en opvoedingstaken verdelen of de omgang regelen.
Dat betekent onder meer dat moet worden vastgelegd waar het kind verblijft, hoeveel tijd hij
met iedere ouder doorbrengt, wie welke taken op zich neemt;
-op welke manier de kinderen zijn betrokken bij het opstellen van het ouderschapsplan
(kinderen vanaf twaalf jaar krijgen van de rechter een brief waarin staat dat ze hun mening
kenbaar kunnen maken);
-de manier waarop de ouders elkaar informatie geven en raadplegen over belangrijke zaken
die de kinderen betreffen;
-de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen (ook de
kinderalimentatie);
-Verder moet het verzoekschrift tot scheiding vermelden waar de ouders het over eens zijn,
waar de ouders het nog niet over eens zijn en waarom dat zo is.
Dit is wat er wettelijk minimaal in een ouderschapsplan moet komen. Daarnaast kunnen ouders
nog allerlei andere aspecten erin opnemen die men belangrijk vindt voor de kinderen.
Professionals kunnen terug vallen op dit ouderschapsplan om ouders te motiveren bij te dragen
aan de hulpverlening van hun kinderen. In Nederland is nog geen systematisch onderzoek
verricht naar de werking van het verplichte ouderschapsplan. Douglas (2006) meldt dat er
ook in de VS nog weinig onderzoek gedaan is naar de effecten voor kinderen en ouders. Voor
zover bekend lijkt het ouderschapsplan weinig invloed te hebben op het welbevinden van de
gescheiden partners of hun kinderen. Gelijktijdig merkt deze auteur echter ook op dat er ook
geen negatieve gevolgen zijn aan het ouderschapsplan. In het kort kan het ouderschapsplan een
hulpmiddel zijn voor jeugdprofessionals om ouders te wijzen op hun verantwoordelijkheden
rondom het vormgeven van de opvoeding met de andere ouder.
Als ouders gaan scheiden tijdens de hulpverlening kunnen jeugdprofessionals ouders van
waardevolle informatie voorzien voor de invulling van het ouderschapsplan. Bij het maken van
het plan is het van belang om rekening te houden met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau
van het kind omdat de behoeften en wensen hierin kunnen veranderen. Ouders zijn verplicht
hun kinderen te betrekken bij het ouderschapsplan. Kinderen zijn al heel jong goed in
staat om hun belangen duidelijk te maken. Jeugdprofessionals kunnen indien nodig hierbij
behulpzaam zijn en verhelderen wat het kind nodig heeft. Dat gebeurt op basis van wat
de ouders vertellen en hun eigen contact met het kind. In de brochure ‘Uit elkaar ... En de
kinderen dan’ (Programmaministerie voor Jeugd en Gezin; 2009) wordt er op gewezen dat het
ouderschapsplan moet worden beschouwd als een groeimodel dat in elk geval een aantal
keren zal moeten worden aangepast aan de ontwikkeling van kinderen en veranderingen in de
situatie.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
99
Aandachtspunten zijn om ouders te behoeden teveel te willen veranderen na de scheiding en
dat vast te leggen in het ouderschapsplan. Ook valt aan te raden om aandacht te besteden
aan de wijze waarop kinderen, en ouders, na de scheiding contact blijven houden met
hun directe omgeving: andere familieleden, zoals opa’s en oma’s. Een voorbeeld van een
ouderschapsplan is te vinden op de website van de VFAS (Vereniging van Familierecht Advocaten
Scheidingsmediators, www.verder-online.nl. In bijlage 6 is een voorbeeld opgenomen die ook in
de methodiek Ouderschap Blijft wordt gebruikt.
Eenhoofdig ouderlijk gezag
Indien na de scheiding een van beide ouders geen gezag meer heeft over het kind heeft hij of zij
altijd nog recht op en de plicht tot omgang met de kinderen. De omgangsregeling kan door de
ouders, samen met een advocaat, zijn vastgesteld of door de rechter als ouders er niet uit zijn
gekomen. De omgangsregeling bepaalt onder meer wanneer de andere ouder contact heeft met
het kind. Indien er strubbelingen zijn in de uitvoer van de omgangsregeling, kunnen ouders een
mediator of advocaat inschakelen en eventueel de hulp van de rechter inroepen.
De ouder die het gezag heeft moet de ouder zonder gezag ook informatie geven over de
kinderen. Voor jeugdprofessionals betekent dit dat bij begin van de hulp wordt vastgelegd
in hoeverre de ouder zonder gezag wordt geïnformeerd over het hulpverleningstraject. Bij
belangrijke beslissingen over de kinderen, moet de mening van de ouder zonder gezag worden
gevraagd. De ouder met gezag beslist uiteindelijk.
De jeugdprofessional kan in het contact met de ouder met gezag bij belangrijke beslissingen in
het hulpverleningsproces benadrukken dat het essentieel is een goede verstandhouding met
beide ouders te houden.
Geen gezag en geen omgang
Het kan zijn dat de rechter bij de scheiding heeft bepaald dat een ouder geen gezag én geen
recht op omgang heeft. Deze bepaling kan, op aanvraag, jaarlijks opnieuw worden beoordeeld.
Ondanks dat er geen sprake is van omgang heeft de betreffende ouder dan nog wel recht op
informatie. Alleen de rechter kan beslissen dat de ouder zonder gezag ook geen informatie
meer krijgt. Er zijn twee uitzonderingen op het geven van informatie. Dat is het geval als er
sprake is van een beroepsgeheim (voor jeugdhulpprofessionals geldt dit niet) of als het absoluut
niet goed is voor het kind om de informatie te geven.
Stiefouderschap
Een nieuwe partner van een gescheiden ouder heeft niet automatisch ouderlijk gezag over de
aanwezige kinderen. De stiefouder kan in uitzonderingsgevallen samen met de ouder aan de
rechter vragen om het gezamenlijk gezag te krijgen. Of het gezamenlijk gezag wordt verstrekt
hangt onder meer af van de vraag of het kind nog een andere ouder heeft of niet. Heeft het kind
geen andere ouder, dan moeten ouder en partner voldoen aan de volgende voorwaarden:
-De ouder heeft eenhoofdig ouderlijk gezag.
-De partner heeft een goede band met het kind. En de ouders hebben een goede stabiele
band met elkaar. Het kind moet kunnen opgroeien in een veilige omgeving.
-Het kind moet zich goed kunnen ontwikkelen. Is het kind twaalf jaar of ouder? Dan vraagt de
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
100
rechter ook naar zijn mening.
-Heeft het kind nog een andere ouder? Dan gelden ook deze twee voorwaarden:
-Er is samen met de nieuwe partner tenminste één jaar voor het kind gezorgd.
-De ouder heeft tenminste drie jaar het eenhoofdig gezag gehad.
Concluderend is het van belang dat professionals zicht hebben op relevante juridische
kaders bij echtscheiding. Per echtscheidingssituatie is het van belang om inzicht te krijgen
in de inhoud van het ouderschapsplan en hoe het gezag en de zorg en omgang geregeld
zijn. Met het ouderschapsplan krijgt de jeugdprofessional kennis en informatie over hoe
de opvoeding van het kind is geregeld. Vanuit de invulling van gezag en omgang krijgt
de jeugdprofessional handvatten over wie van de betrokkenen welke informatie dient te
ontvangen en wie bevoegd is tot het nemen van besluiten.
5.3.2 Relationele aspecten
Bij een echtscheiding of de ontbinding van een geregistreerd partnerschap wordt via juridische
weg formeel vastgelegd dat de relatie tussen ouders is verbroken. Het ouderschapsplan verplicht
ouders om zich gezamenlijk in te zetten voor de opvoeding van de kinderen. In de praktijk
betekent dit dat de relatie tussen ouders niet volledig wordt verbroken, maar anders moet
worden ingevuld. Ook na de echtscheiding zullen ex-partners een relatie blijven houden via de
verbinding met hun kinderen. Ze worden collega’s in de opvoeding. Veelal zijn ouders in het
echtscheidingsproces gericht op communicatie met elkaar op partnerniveau en minder op hun
relatie als ouders voor hun kinderen. Het vraagt van de jeugdprofessional om dit perspectief in
het contact met ouders te blijven benoemen: men scheidt als partners maar niet als ouders.
Voor gescheiden ouders is dit echter niet altijd makkelijk tot stand te brengen: een relatie kan
in de praktijk vaak niet zomaar verbroken worden. Hieraan ligt meestal een lang proces van
relatieproblemen aan vooraf. In sommige gevallen ontstaat daardoor wrok tegenover de expartner of jaloezie bij een goede omgang van de ex-partner met het kind (Cottyn, 2011a).
Als hulpverlener is het van belang om ouders te wijzen op de negatieve consequenties voor de
ontwikkeling van het kind indien ouders, na de scheiding geen redelijke relatie als partners in de
opvoeding ontwikkelen.
In het algemeen zijn daarbij de volgende aanbevelingen aan ouders van belang (Spruijt &
Kormos, 2010):
-Laat je kind duidelijk merken dat het geen schuld heeft aan de scheiding;
-geef je kind ruimte om ook van de andere ouder te houden;
-spreek niet negatief over de andere ouder in het bijzijn van je kind;
-maak wel duidelijk dat de scheiding definitief is;
-stimuleer contacten van je kind met andere scheidingskinderen (professionals kunnen
daarop verwijzen naar een van de beschikbare interventies, zie bijlage 1);
-zoek een geschikte vorm om informatie uit te wisselen over je kind met een andere ouder
(professionals kunnen ouders hierbij helpen door het AMW of een mediator in te schakelen).
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
101
In sommige gevallen is het verstandig om te achterhalen welke relationele conflicten er in het
gezin waren en mogelijk nog een belemmering vormen voor het gezamenlijke opvoeden van de
kinderen. Het is dan van belang om niet uitvoerig in te gaan op de schuldvraag van de scheiding,
maar om te richten op de toekomstige relatie als partners in opvoeden.
Het is ook wenselijk dat professionals niet alleen ouders stimuleren om op een begripsvolle en
positieve wijze over elkaar te spreken in het bijzijn van de kinderen, maar mogelijk ook kennis
te hebben van relevante elementen uit interventies die zich richten op relatiebevordering. Niet
vanuit het oogpunt van herstel van de eerdere partnerrelatie, maar wel om de huidige relatie
met elkaar in het ouderschap, goed vorm te geven.
Professionals kunnen ouders ondersteunen bij het vormgeven van hun relatie als partners in
ouderschap na de scheiding door hen te laten deelnemen aan educatieve programma’s rondom
de gevolgen van echtscheiding voor kinderen.
Het goed vormgeven van de relatie als partners in opvoeding is met name lastig als een
echtscheiding tot stand is gekomen op basis van (langdurige) conflicten tussen beide partners.
Onderzoek wijst uit dat deze conflicten na de scheiding vaak nog aanwezig zijn en, afhankelijk
van de gekozen omgangsvorm, de nodige impact hebben op kinderen.
Gezien de enorme invloed van ouderlijke strijd op het psychisch en sociaal welbevinden van
kinderen pleiten Gardner (1998) en Spruijt en Kormos (2010) voor verplichte bemiddeling
(ouderschapsonderzoek, forensische mediation) tussen ouders in het geval sprake is van
conflictueuze (v)echtscheidingen.
Verbetering van het contact tussen de ouders heeft daarbij de voorkeur, maar als de conflicten
blijven bestaan kan het in het belang van het kind zijn om de omgang met de uitwonende ouder
al dan niet voorlopig op te schorten (Spruijt & Kormos, 2010). Baker en Ben-Ami (2011), alsmede
Gardner (1998) stellen dat vermindering van ouderlijke conflicten en herstel van het contact met
de uitwonende ouder geboden is indien er bij het kind sprake is van oudervervreemding (PAS). Zij
geven aan dat gezinsgerichte therapie in dat geval geboden is.
In aansluiting hierop pleiten Geurts e.a. (2009) ervoor dat jeugdprofessionals meer
getraind worden in competenties op het terrein van conflicthantering en bemiddeling in
scheidingsproblematiek. Het achterliggende argument is niet alleen dat voortdurende
blootstelling aan ouderlijke conflicten schadelijk is voor het kind, maar ook dat een kindgerichte
aanpak pas zin heeft als de thuissituatie is gede-escaleerd.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
102
Concluderend valt te stellen dat jeugdprofessionals in de omgang met kinderen in
echtscheidingssituaties ook rekening dienen te houden met de relatieproblemen die er
tussen de ex-partners kunnen spelen. Door hier actief aandacht voor te hebben is de
hulpverlener in staat om ouders bewust te maken van de invloed van hun negatieve
gevoelens tegenover hun ex-partner op de ontwikkeling van het kind. Tevens is het
hiermee mogelijk om ouders te ondersteunen of door te verwijzen naar andere
hulpverlening zodat zij hun eigen emoties (jaloezie, verdriet) kunnen verwerken. In beide
gevallen wordt daarmee bijgedragen aan een gezondere leefomgeving van het kind.
5.3.3 Ouderschapsaspecten
Met het uiteenvallen van het gezin en het vertrek van een van beide ouders, worden beide
ouders geconfronteerd met nieuwe rollen. Met name voor veel vaders blijkt die rol niet zo
eenvoudig in te vullen.
Maar ook voor moeders verandert het ouderschap na de scheiding. Bij moedergezinnen is de
band tussen moeder en kind van groot belang, ook voor de relatie kind – uitwonende vader.
De band met vader is daarbij ook van belang. De kwaliteit van de band kind – vader blijkt een
beschermende factor te zijn tegen negatieve effecten van de scheiding, meer dan de kwantiteit
van het vader-kind contact (Spruijt & Kormos, 2010).
Na de wetswijziging van 1998, toen het gezamenlijk ouderlijk gezag als uitgangspunt in de
wet is gekomen, is het percentage scheidingskinderen met co-ouderschap flink gestegen, van
ongeveer 5 naar ongeveer 20 procent. Bij co-ouderschap verblijven de meeste kinderen de
ene week bij moeder en de andere week bij vader, of wisselen de kinderen volgens een ander
schema, bijvoorbeeld per week 4 dagen bij de ene en drie dagen bij de andere ouder. Deze
vorm neemt nog steeds toe, vooral onder basisschool leerlingen. Volgens Spruijt en Duindam
(2012) hebben kinderen uit co-oudergezinnen gemiddeld minder problemen dan kinderen uit
vooral vadergezinnen. Dat blijkt vooral te komen door het feit dat co-ouders onderling minder
conflicten hebben en beter met elkaar kunnen communiceren dan niet co-ouders na scheiding.
Teubert en Pinquart (2010) stellen dat co-ouderschap een belangrijke positieve voorspeller is
voor het aanpassingsvermogen van het kind. Niet alleen voor het kind heeft het voordelen, ook
voor vaders lijkt het positief te zijn.
Ouderschapsvisie
Cottyn (2009) heeft een duidelijke ouderschapsvisie op echtscheiding. Na een echtscheiding
verdwijnt het kerngezin. In de meeste situaties ontstaan er twee nieuwe gezinnen. Dit gebeurt
ook als de kinderen in het oorspronkelijk huis blijven wonen en de ouders wisselend de
opvoeding en verzorging vorm geven. Ouders gaan als partners uit elkaar, maar blijven vader
en moeder van de kinderen. Om de overgang naar deze nieuwe situatie van twee gezinnen
te maken, is het nodig te komen tot ouderschapsreorganisatie. Dit vraagt (nieuw aan te leren)
vaardigheden van ouders. Om deze ouderschapsreorganisatie te laten slagen is het van belang
te kijken met welke doelen gewerkt wordt. Cottyn onderscheidt twee kaders, met verschillende
doelen. Het strijdkader, met de volgende doelen:
-Schuld versus onschuld;
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
103
-winnen versus verliezen;
-ieder voor zich, geen rekening houden met de ander;
-pijn vermijden;
-één waarheid;
-verschillen zijn bedreigend.
Als ouders vanuit dit strijdkader proberen te komen tot regelingen (o.a. voor de omgang),
ontstaan er conflicten. De kans is gering om tot een goede reorganisatie te komen van het
ouderschap. De kinderen ondervinden daar de problemen van.
Het andere kader is het welzijnskader, met de volgende doelen:
-Gemoedsrust, leefbaarheid;
-invloed en eigen aandeel;
-rekening houden met de ander;
-verlies of benadeling dragen/ mee om gaan, pijn toestaan en accepteren;
-accepteren van vele subjectieve waarheden;
-verschillen gebruiken om te verbinden.
Het gebruik van het welzijnskader geeft ouders houvast om te komen tot een acceptabele
ouderschapsreorganisatie.
De opdracht tot ouderschapsreorganisatie draait volledig om het treffen van goede regelingen,
die nodig zijn voor de opvoeding van een kind. Op het moment dat ouders niet meer als ouders
communiceren, maar als ex-partners moet de professional dit signaleren en bespreken.
Een ander belangrijk uitgangspunt is, dat er aandacht is voor het kind. Bij meerdere kinderen,
moet er aandacht zijn voor elk kind afzonderlijk. In de praktijk komt het volgens Cottyn namelijk
vaak voor, dat de ex-partner na een scheiding veel aandacht krijgt.
Cottyn benoemt dat het werken vanuit het welzijnskader niet vanzelfsprekendheid is voor
ouders en professionals. De valkuil is om in het strijdkader met elkaar om te gaan. Door dit
op te merken, zonder er inhoudelijk op in te gaan, kan weer geschakeld worden naar het
welzijnskader.
Tot slot benoemt Cottyn dat een reorganisatie gedurende een lange periode aandacht vraagt
en een voortdurend proces is. Er is onderhoud nodig om de verandering te verankeren in de
dagelijkse gang van zaken. Ook doen zich opnieuw veranderingen voor. Bijvoorbeeld door
nieuwe gezinsvormen met andere partners of door de verschillende leeftijdsfasen van kinderen.
Deze veranderingen moeten steeds vanuit het welzijnskader benaderd worden.
Het Samenwerkingsverband Ouderschap (een samenwerking van een aantal Hogescholen,
Tijdschrift Ouderschapskennis en het NJi), heeft in 2013 een position paper geschreven
over Ouderschap en Oudergericht werken. Ouders zijn niet alleen een instrument tot een
goede opvoeding en ontwikkeling van hun kind. Ze hebben hun eigen emoties, behoeften en
verlangens rondom het ouderschap. Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau
(Bucx, 2011), blijkt dat 50 procent van ouders het ouderschap moeilijker vindt dan tevoren
gedacht. Uit een ander SCP-onderzoek onder kwetsbare gezinnen (RMO, 2012) blijkt dat 40
procent van alle gezinnen in Nederland zorgen heeft over de opvoeding, het gedrag of de
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
104
ontwikkeling van hun kind. De problemen bij jeugdigen in het algemeen en binnen de opvoeding
betekenen een scala aan stressvolle omstandigheden voor ouders. Daarnaast spelen nog zaken
als culturele complexiteit tot en met echtscheiding (NJI, 2011). Ook blijkt uit een onderzoek
van de Nationale Ombudsman en Kinderombudsman, dat er veel klachten zijn over bureaus
Jeugdhulp. Een deel van de klachten gaat over het mislukken van de omgang tussen het kind
en de uitwonende ouder. Ook thuiswonende ouders hebben klachten over de manier waarop
omgang met de uitwonende ouder plaatsvindt. Veel ouders voelen zich als ouders niet gehoord
en erkend (Kinderombudsman , 2014).
Oudergericht werken vraagt van alle professionals en organisaties dat zij zowel de
kwetsbaarheid van het ouderschap erkennen en tegelijkertijd de ouder als consultvrager
beschouwen. Waar mogelijk kan beter aangesloten worden bij het feit dat beide ouders goede
ouders zijn die beiden hun eigen sterke en minder sterke kanten hebben. De professional
kan helpen om bij te dragen aan een nieuwe manier van kijken vanuit een perspectief van
gezamenlijkheid.
Deze ‘ouder begeleidende positie’ (Van der Pas, 2003) geldt ook wanneer sprake is van falend
opvoeder schap, ook bij een uithuisplaatsing. Ouderschap is tenslotte meer dan opvoeder
schap en ook in deze situaties blijft de zijns-relatie met het kind met het bijbehorende
besef van verantwoordelijk zijn van de ouder bestaan. Idealiter begeleidt de professional
de ouder zodanig dat deze in staat is om vorm en inhoud te geven aan dit besef en kan
meedenken en meebeslissen over het belang van zijn of haar kind. Deze benadering vraagt
andere competenties van professionals. Ouderschap is een verwaarloosd domein binnen
opleidingen en ook nog binnen de uitvoeringspraktijk. Er is al veel kennis over de behoeften
van kinderen en wat hun ouders moeten bieden voor een goede ontwikkeling. Toch is er nog
een weg te gaan om meer aandacht en focus te krijgen voor de persoon van de ouder, de
persoon achter de opvoeder. Dit vraagt mogelijk ook een cultuuromslag: niet overnemen van
verantwoordelijkheden van ouders maar het versterken van hun eigen kracht.
Taken tijdens en na echtscheiding
Wallerstein, Lewis en Blakeslee (2000) onderscheiden extra ontwikkelingstaken voor
scheidingskinderen.
Het uitvoeren van taken benadrukt dat het doormaken van de periode van echtscheiding
een actieve houding vraagt. Door taken te benoemen en ouders hierover te informeren, kan
gerichte begeleiding gegeven worden in de vorm van het aanreiken van kennis en het aanleren
van vaardigheden.
Ook onderscheiden zij zes extra taken voor ouders:
1. De effecten van de echtscheiding onder ogen zien.
a. Schade van een falend huwelijk opruimen.
b.Gevolgen van stress van de echtscheiding aanpakken.
c. De kracht vinden om uit de slachtofferrol te blijven of er uit te komen.
d. De kracht vinden om niet in de pijn vast te raken.
2. Autonoom het eigen leven vormgeven.
a. Zelfvertrouwen (ontwikkelen) voor eigen keuzen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
105
3. Veranderingen als (co-)ouder.
a.(Meestal aanvankelijk ) Alleen dragen van grotere verantwoordelijkheid voor de
opvoeding van de kinderen. Tijdens en vlak na de scheiding in een turbulente tijd.
b.Ontwikkelen van vaardigheden om deze verantwoordelijkheid vorm te geven:
daadkracht, beslissingen nemen.
c. Erkennen dat de plaats die in het kerngezin vanzelfsprekend was, nu is veranderd in een
gescheiden vader of moeder. Je hebt een parttime-rol, die je moet delen met iemand die
niet meer centraal staat in jouw leven.
4. Speciale taken, die meestal meer vragen van een vader.
a.Ontdekken hoe taken te combineren als: aandacht geven, vermaken, verzorgen en
voeden van kinderen.
b.Creëren van een veilige eigen plek voor de kinderen in jouw (nieuwe) huis. Zorgen voor
een praktische inrichting waar kinderen kunnen leven, spelen en leren.
5. Speciale taken, die meestal meer vragen van een moeder.
a. Zorg voor de financiële administratie.
b.Zorg voor voldoende inkomen, mogelijk extra werken combineren met zorg voor de
kinderen.
c.Creëren van plezier in werken en het kunnen afstemmen van werk en zorgtaken is
belangrijk om goede zorg voor de kinderen te waarborgen.
6.Ouderschapsreorganisatie: opvoedtaken uitvoeren, met minder mogelijkheden dan tijdens
het huwelijk.
aRegels en afspraken niet zomaar kunnen veranderen. De ander dient erin gekend te
worden en mee te gaan in de voor te stellen verandering.
b.Omgaan met het feit dat je minder mogelijkheden hebt om de opvoeding zo vorm te
geven, zoals jij dat voor ogen hebt. Je hebt niet vanzelfsprekend invloed op de regels in
het huis van de ander.
c.Opvoeden vormgeven door ‘de ouder pet’ op en in te zetten om het ex-partnerschap op
een andere manier aandacht te geven.
d. Extra aandacht besteden aan de band met je kind(eren).
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
106
Casuïstiek
De ouders van Marjo (vijf jaar) en Peter (drie jaar) hadden het zich nog zo voorgenomen: we
gaan als vrienden uit elkaar, we regelen de hele scheiding in goed overleg. Toch is bij het
opstellen van het ouderschapsplan ruzie ontstaan waarna ook over de andere aspecten
(huis, geld) geen overleg meer mogelijk bleek. Ze melden zich bij een psycholoog om weer in
overleg te gaan. Beiden weten dat langdurige conflicten schadelijk zijn voor de kinderen. Dat
moet stoppen, zo vinden ze.
Er is geen sprake geweest van grote conflicten tijdens het huwelijk. Ze waren uit elkaar
gegroeid en de komst van de kinderen had niet het gehoopte effect gehad om daarin
verbetering te brengen. Beiden voelen zich schuldig jegens de kinderen omdat zij vinden dat
zij de kinderen teveel aan risico’s hebben blootgesteld door hen geboren te laten worden in
een relatie die al niet goed was en door nu ook nog met elkaar in strijd te gaan.
We zien hier de verstrengeling van de vele wensen en verlangens die ouders hebben jegens
elkaar en hun kinderen, waarbij gevoelens van schuld veelal leiden tot een wens om nu voor
de kinderen een goede ouder te blijven. Als de ouders elk voor zich op deze basis hoge eisen
stellen aan de inzet die zij willen leveren, leidt dat in combinatie met eigen verlies en verdriet
vaak tot strijd: jij moet mij de ruimte geven om mijn ouderrol goed in te vullen. Het centrale
belang van de kinderen namelijk om zich goed en veilig te mogen ontwikkelen, komt dan
juist doordat zij beiden er zo voor willen vechten, in het geding.
Bron: Liesbeth Groenhuijsen, 2006.
Stiefouders: Nieuwe partner van moeder en/of vader als opvoeder
Voor professionals die te maken hebben met een nieuwe partner van moeder of vader is
allereerst van belang om helder te krijgen welke rol deze partner heeft en verwacht in het gezin.
De partnerrelatie is de spil van het nieuwe samengestelde gezin. De twee partners kiezen voor
elkaar. Je kiest niet voor de kinderen die de ander heeft. Fundamenteel belangrijk voor het
welbevinden van de stiefouder is een stevige partnerrelatie. Een luisterend oor van de partner
voor de frustraties, pijn en aparte belevingen als stiefouder is van belang.
De ingewikkelde verhoudingen in een nieuw samengesteld gezin doen een stevig beroep op de
ouder-kindrelatie en de partnerrelatie. Er is een onderscheid tussen partnerschap en ouderschap
en ook een onderscheid tussen ouderschap en stiefouderschap. Als partners is men een paar,
als ouders niet. Cottyn vindt het belangrijk om deze positie van de stiefouder te erkennen. Want
het negeren van deze uitzonderlijke positie, met weinig maatschappelijke erkenning, kan veel
negatieve emoties bij de ouders veroorzaken, zoals woede en schuldgevoel (Cottyn, 2011b).
De basis voor een stabiel stiefgezin is het commitment tussen beide partners. Men moet een
hechte band hebben en er helemaal voor gaan. Dit kost tijd en vraagt voortdurend aandacht.
In een tweede huwelijk moeten beide partners besluiten dit commitment aan te gaan. Dit blijkt
ook uit onderzoek: de beste tweede huwelijken waren niet te snel na de kennismaking tot stand
gekomen. De band met de ex kan een gevaar zijn voor het tweede huwelijk. Goede vrienden
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
107
blijven met je ex lijkt slechts mogelijk op lange termijn, als de band in het nieuwe, tweede
huwelijk stevig gevestigd is. Hoewel een hechte partnerband een belangrijke voorwaarde is voor
een geslaagd tweede huwelijk en voor een geslaagd stiefgezin, is het ook essentieel dat beide
partners individuen zijn en blijven (Mosely & Mosely, 1998).
In het geval van conflicten of spanningen tussen de stiefouder en de andere leden van het
samengestelde gezin dient een jeugdprofessional kennis te hebben over wat het betekent om
stiefouder te zijn en met het gezin te bespreken welke rol hij of zij wel in het gezin kan spelen.
Rondom stiefouders geeft een jeugdige de volgende tip aan hulverleners:
‘Het is belangrijk dat hulpverleners ook aandacht geven aan de relatie tussen stiefvader of
stiefmoeder en het kind.
Het is fijn als mijn stiefvader ook mijn situatie snapt en mijn mening daarover kent. Mijn
stiefvader ken ik al heel lang en zie ik meer dan mijn eigen vader. Ik vind het eigenlijk heel
fijn dat hij normaal doet tegen mij en ik met hem ruzie kan maken. Want daardoor ben ik
gewoon mezelf en voel ik me goed bij diegene. En dat kan niet als ik de hele tijd aardig en
netjes moet doen, want ik ben daar gewoon thuis.’
Bron: Veldconsultatie
Hoe het stiefouderschap wordt ingevuld, wordt ook bepaald door de inbreng van eigen kinderen
en de sekse van de stiefouder. Zo beleeft een stiefouder die zelf ouder is met eigen kinderen
het stiefouderschap anders dan een stiefouder die zelf geen kinderen heeft. De beleving van
het stiefouderschap verschilt naargelang de eigen of andermans kinderen veel of minder tijd
doorbrengen in het gezin of niet (meer) inwonend zijn. Het leeftijdsverschil speelt een rol en het
maakt verschil of het gaat om een stiefmoeder dan wel om een stiefvader (Heybroek-Hessels &
Overgauw, 2004; Willems, 2010). Kinderen verschillen in hun houding naar een stiefvader dan
wel stiefmoeder. Zich terughoudend opstellen naar de kinderen ligt voor een man makkelijker
dan voor een vrouw, alsof vrouwen genetisch bepaald zijn om kinderen graag te zien. Daarbij
komt ook dat moeders verschillen van vaders wat betreft de soort rol die ze van hun nieuwe
partner verwachten ten opzichte van de kinderen.
De rol van professionals
Een stiefgezin kent specifieke kenmerken, valkuilen en uitdagingen. Als een nieuw gezin hiervan
op de hoogte is, kunnen veel problemen voorkomen worden. Nieuw Gezin Nederland doet de
aanbeveling om al voorlichting en informatie te geven voordat een nieuw gezin wordt gevormd.
Uit de praktijk van Nieuw Gezin Nederland blijkt dat er in gezinnen gemiddeld na twee à drie
jaar behoefte is aan directe ondersteuning. Er worden vragen gesteld over opvoedkundige
meningsverschillen, communicatie met kinderen en/of partner, over loyaliteitsconflicten bij
kinderen en financiële aspecten. Er wordt advies gevraagd hoe om te gaan met de ex-partners
en andere familieleden. Hier ligt een belangrijke taak voor beroepskrachten om deze gezinnen
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
108
adequaat te begeleiden. Zij moeten kennis hebben over wat de probleemgebieden kunnen
zijn bij een samengesteld gezin en geïnformeerd zijn over de specifieke gezinssituatie waarin
kinderen opgroeien. Voor meer informatie: www.nieuwgezin.info.
Belangrijke aandachtspunten
De kans dat een stiefgezin weer uit elkaar valt, blijkt groter te zijn dan 50 procent. Dat is ook
voor de kinderen, na de scheiding en de vorming van het nieuwe gezinnen, weer een nieuwe
roerige periode. Hulpverleners kunnen ouders wijzen op de volgende aandachtspunten als zij
op weg zijn naar een stiefgezin:
-Laat ouders niet te snel met een nieuwe partner komen aanzetten.
-Ouders moeten zich realiseren dat de kinderen mogelijk andere ideeën hebben over hun
nieuwe liefde.
-Kinderen willen dat hun ouders zich als ouders gedragen. Afspraakjes maken past daar niet bij.
-Het helpt als ouders goed in de gaten houden hoe de kinderen zich voelen. Het helpt de
kinderen als hun biologische ouder tijd met hen alleen doorbrengt en dan iets speciaals met
hen doet en hun alle aandacht geeft.
-Laat (aanstaande) stiefouders vooral realistische verwachtingen koesteren. Nieuwe partners
moeten er niet van uitgaan dat ze een-twee-drie een goedlopend gezin tot stand kunnen
brengen. Vooral stiefmoeders kunnen het zwaar te verduren hebben.
-Het is ten zeerste aan te raden dat stiefouders niet meteen de ouderrol op zich nemen.
Het is beter als stiefouders zich in eerste instantie terughoudend opstellen en de
verantwoordelijkheid voor de opvoeding overlaten aan hun partner, de biologische ouder. Bij
oudere kinderen is het de vraag of de stiefouder wel ooit als opvoeder moet gaan optreden.
De rol van ‘oudere vriend(in)’ kan beter zijn.
-Stiefouders moeten rekening houden met een mogelijk andere opvoedingsstijl van hun
nieuwe partner
-De nieuwe partner heeft misschien een andere kijk op opvoeden. Stiefouders kunnen maar
beter voorzichtig zijn met kritiek op dit gebied. Eventuele veranderingen kunnen het beste
geleidelijk worden ingevoerd.
-Ouders en stiefouders doen er goed aan niet voorbij te gaan aan de gevoelens van ‘de andere
ouder op de achtergrond’. Het kan voor een ex erg pijnlijk zijn als een vreemde zich als ouder
van de kinderen gedraagt. Nieuwe partners doen er goed aan hier rekening mee te houden.
-Het is belangrijk dat ouder en stiefouder elkaar steunen als partners. Het is aan te bevelen
dat ouder en stiefouder werken aan een sterke relatie met elkaar. Deze moet meer dan in
een ‘gewoon’ gezin tegen een stootje kunnen. Laten de partners elkaar steunen en een stevig
team vormen. Regelmatig tijd voor elkaar vrijmaken, versterkt de band. Dat bevordert ook de
andere relaties in het stiefgezin (Spruijt & Kormos, 2010).
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
109
Concluderend betekent dit dat jeugdprofessionals zich ervan bewust moeten zijn dat met
een echtscheiding ook de opvoedvaardigheden van beide ouders in een ander licht komen
te staan. De bestaande patronen worden doorbroken waardoor elke individuele ouder
wordt gedwongen een nieuw patroon te ontwikkelen. Jeugdprofessionals kunnen ouders
helpen dit nieuwe patroon vorm te geven door informatie en voorlichting te geven over
het stiefouderschap of hen doorverwijzen naar relevante opvoedcursussen. Belangrijk
aandachtspunt hierbij is een nieuwe partner, al dan niet met eigen kinderen. De biologische
ouder heeft een belangrijke spilfunctie in het nieuwe gezin. De jeugdprofessional moet
beseffen dat hierdoor de gezinsverhoudingen nog complexer worden.
5.3.4 Veiligheidsaspecten
Cijfers lijken erop te wijzen dat in scheidingsituaties een grotere kans is op geweld tegen
volwassenen én kinderen (Spruijt en Kormos, 2010). Gelijktijdig achten professionals de kans
op valse beschuldigingen tijdens scheidingssituaties ook groter in. Vaak wordt gedacht dat
een ex-partner erop uit is de andere ouder zwart te maken. Doordat ex-partners vaak hevig
geëmotioneerd zijn, is vaak onduidelijk of dit is uit bezorgdheid over hun kind of dat men een
conflict wil uitvechten met zijn ex-partner. Meldingen van vermeend seksueel misbruik zijn daar
een voorbeeld van.
In onderzoek is een ondubbelzinnig verband gevonden tussen geweld tegen de partner en geweld
tegen de kinderen. Het bestaan van huiselijk geweld wordt o.a. door Holt en collega’s (2008)
aangemerkt als een belangrijke indicator voor het risico op fysieke mishandeling en seksueel
misbruik van de kinderen. Veel onderzoekers zijn dan ook stellig van mening dat contact
na de scheiding bij kinderen die worden blootgesteld aan de fysiek, psychische en seksuele
mishandeling van hun moeder, tijdens bezoeken kan leiden tot een misbruikervaring (Holt e.a.,
2008).
Geurts (2009) stelt echter dat het relatief weinig voorkomt dat ouders bij een meldpunt Huiselijk
Geweld of AMK opzettelijk een valse melding doen over hun vroegere partner.
Lastige praktijk: Casuïstiek
Een moeder heeft bij het AMK gemeld dat haar jonge kind door de vader geslagen wordt
en dat de voor het kind noodzakelijke medicijnen niet of niet op tijd worden toegediend.
De vader spreekt van een moeder die uit haat het kind van hem wil vervreemden, ontkent
de beschuldigingen en eist voortzetting van de uitgebreide omgangsregeling. De moeder
voert aan dat het kind oververmoeid en ontredderd terugkomt van de bezoeken aan
vader. Het AMK vindt geen aanwijzingen. Moeder wil dat het kind door een psycholoog
wordt gesproken omdat zij zich zorgen maakt. Vader weigert zijn toestemming, omdat hij
niet wil dat het kind wordt belast terwijl er niets aan de hand is. Moeder weigert daarop
het kind nog mee te geven aan de vader.
De vraag: ‘Wie doet hier goed, wie doet hier fout?’, is dan lastig te beantwoorden.
Bron: Liesbeth Groenhuijsen, 2006.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
110
Op 1 januari 2011 is de Wet Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling in werking
getreden. De wet stelt gebruik van een meldcode verplicht voor professionals bij (mogelijke)
signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling. De wet geldt na invoering voor ruim één
miljoen professionals in gezondheidszorg, jeugdhulp en jeugdbescherming, welzijn, onderwijs
en justitie. De ministeries van VWS, Jeugd en Gezin, OCW en Justitie hebben een basismodel
voor de meldcode opgesteld. De meldcode bestaat uit een stappenplan waarin staat wat een
professional moet doen bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling (www.nji.nl).
Het is voor jeugdprofessionals dan ook van belang om dergelijke meldingen en signalen
serieus te nemen. In sommige gevallen was men al op de hoogte van het geweld/misbruik
en is dit ook de aanleiding geweest voor de scheiding (Geurts, 2009). Dergelijke emoties
kunnen hoog oplopen en resulteren in verbaal geweld en agressie. Daarom is het van belang
dat de jeugdprofessionals in scheidingsgevallen getraind zijn in de competenties ‘Omgaan
met vermoedens van geweld in huiselijke kring’ en ‘Omgaan met verbaal geweld en (licht)
agressief gedrag’. Professionals zijn in staat om op een zorgvuldige en heldere wijze signalen
van (psychische, fysieke of seksueel) geweld in huiselijke kring te analyseren en vermoedens
van kindermishandeling of huiselijk geweld voor te leggen aan Veilig Thuis (Advies en Meldpunt
Huiselijk Geweld en Kindermishandeling) , zodat het geweld op een effectieve manier wordt
aangepakt en de relatie tussen jeugdige, opvoeders en de jeugdzorgwerker op een juiste manier
voortgezet kan worden.
Daarnaast is de jeugdprofessional in staat op respectvolle en duidelijke wijze op te treden bij
verbaal geweld en (licht) agressief gedrag, zodat situaties niet escaleren, zijn professionele
grenzen niet worden overschreden en problemen worden voorkomen.
Gelijktijdig brengt dit een aantal uitdagingen met zich mee. Om te beginnen kan het gevoel
ontstaan dat men deel uit gaat maken van een echtscheidingsconflict. Het is in deze gevallen
nog sterker van belang om te handelen vanuit de belangen van het kind en alle activiteiten en
beslissingen goed vast te leggen. Ook is het vaak lastig om ouders in een gezamenlijk gesprek
bij elkaar te krijgen. Vanuit hun conflictueuze relatie en/of de emoties die men heeft rondom de
mishandeling of het geweld is dit niet altijd mogelijk. Aanbevolen wordt dat jeugdprofessionals
goed getraind zijn in de competenties ‘werken vanuit een visie op opvoeden en ontwikkeling’ en
‘werkt verantwoord’ die hiervoor zijn beschreven.
Het geweld stopt vaak niet na de scheiding. Goed doorvragen is dan geboden: hoe aannemelijk
is het dat er echt iets aan de hand is? Een extra aandachtspunt is dan dat de moeders door alles
wat zij hebben meegemaakt niet zelden onzeker zijn, ook in hun pedagogisch handelen, terwijl
tijdens een interactieobservatie de vader zelfverzekerd en adequaat kan handelen. Het is zaak
om alert te zijn op dit patroon, en het pedagogisch handelen van beide ouders niet te snel als
een gegeven te beschouwen bijvoorbeeld in die zin dat we oordelen dat de moeder de mindere
opvoeder is en dus de kinderen meer bij de vader zouden moeten, of juist andersom. Het
belang om een moment overstijgende inschatting te maken van de pedagogische vaardigheden
van beide ouders, is groot.
De aanbeveling om te zorgen voor stabilisatie van de thuisomgeving en verstoringen daarvan te
beperken, kan houvast bieden in te nemen beslissingen. Daarnaast is het zaak om in voorkomende
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
111
gevallen goed te kijken of er steun voor het kind is in het netwerk. Dit blijkt een buffer te kunnen zijn
tegen de negatieve gevolgen van huiselijk geweld. Ook kan het van belang zijn om de opvoedersrol
en de opvoedingsvaardigheden van de moeder te versterken (Geurts, 2009).
De Kenniskring Kindermishandeling heeft zich in 2009 gebogen over de vraag welk hulpaanbod
nodig is voor ouders en kinderen in (echt)scheidingssituaties in relatie tot kindermishandeling.
Het gaat dan om zaken waarin de volgende kenmerken van toepassing zijn:
-Er is sprake van hevige, langdurige conflicten, de communicatie tussen de ouders loopt niet
of heel slecht;
-de ouders hebben het kind niet in beeld; de ouders zijn niet meer in staat het belang van het
kind voorop te stellen en de problemen vanuit het perspectief van het kind op te lossen;
-de scheiding is meestal al uitgesproken, er lopen geen juridische procedures meer;
-er is veelal sprake van complexe, meervoudige problematiek: naast bovengenoemde
kenmerken is bij deze groep ouders vaak ook sprake van huiselijk geweld in de vorm van
partnergeweld;
-verslavingsproblematiek en/of een psychiatrisch ziektebeeld.
De kenniskring is van mening dat deze bijzonder complexe problematiek een gespecialiseerd
aanbod behoeft. Dit aanbod bestaat tot dusver niet en moet ontwikkeld worden. Dit aanbod
moet tenminste bestaan uit:
-Conflicthantering / bemiddeling voor ouders, met als doel het conflict beheersbaar te maken;
-ouders leren hun ouderrol en partnerrol te scheiden, zodat zij als ouders wel verder kunnen;
-aandacht voor de individuele problematiek van de ouders, zodat zij indien nodig
doorverwezen kunnen worden naar bijvoorbeeld AMW of GGZ.
In conflictueuze echtscheidingssituaties is er een grotere kans is op kindermishandeling en
huiselijk geweld. Jeugdprofessionals moeten in deze situaties de noodzakelijke competenties
hebben en extra alert zijn op signalen hierop (NJi, 2009).
5.4 Samenwerking in de begeleiding van ouders en jeugdigen
Uitgangsvraag 3.6: Hoe kunnen hulpverleners optimaal samenwerken met andere
beroepskrachten die bij het gezin betrokken zijn? Denk aan juristen/advocaten, rechters,
CJG, school en kinderopvang.
Het thema scheiding is vaak geen op zichzelf staand onderwerp, maar zal juist regelmatig
ter sprake komen tijdens andersoortige activiteiten rondom opvoeden en opgroeien. Zo zal
bijvoorbeeld een jeugdprofessional tijdens een contactmoment vragen naar de thuissituatie
waardoor een (mogelijke) scheiding naar voren komt. Of bij een voorlichtingsbijeenkomst
over pubers voor allochtone vrouwen, waar de thuissituatie aan bod komt. Dit betekent dat
naast de jeugdprofessional ook dat alle andere professionals in het netwerk rondom scheiding
‘basiskennis’ moeten hebben van dit onderwerp en ouders en kinderen om adequaat te kunnen
ondersteunen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
112
Waar is hulp welkom?
De jeugdigen die hulp hebben gehad op school geven aan het prettig te vinden dat de hulp
dichtbij was en daarmee toegankelijk en laagdrempelig. Ook de flexibiliteit in het plannen
van afspraken op hun eigen behoeftes en wensen vonden ze erg fijn:
‘Ik kon zelf de decaan opzoeken wanneer het mij uitkwam. Of mailen als ik haar iets wilde
vertellen. Dat was fijn.’
‘Ik keek wel altijd om me heen of andere leerlingen me niet bij de leerlingbegeleider naar
binnen zagen lopen. Gelukkig zat haar kamertje een beetje verstopt. Toch had ik geen
andere locatie gewild dan op school.’
Bron: Veldconsultatie
Het is voor de eenduidigheid en samenhang daarom aan te raden informatie, advies en
hulp rondom echtscheiding te ordenen en in te bedden in het totale aanbod van opvoed- en
opgroeiondersteuning. Er moeten ook verbindingen worden gelegd met het Centrum voor Jeugd
en Gezin, het welzijnswerk en de zorgstructuur van het onderwijs.
In de handreiking voor gemeenten Scheiding en de zorg voor kinderen (www.rijksoverheid.nl) is
een bruikbaar model beschreven: een zorgcontinuüm, onderverdeeld in vier niveaus:
1. Informele steun;
2. universele informatie en advies over scheiding voor alle ouders;
3. universele lichte relatie ondersteuning voor alle ouders;
4. doelgroepgerichte ondersteuning.
Elk niveau beschrijft de doelgroep, het doel en aantal voorbeelden van dit aanbod. Dit model
biedt handvatten om het aanbod wat er is op regionaal, provinciaal of landelijk niveau te
ordenen.
Een ander bruikbaar model is het ideaal model sluitend hulpaanbod van Spectrum Gelderland.
In het ideaalmodel zijn de verschillende rollen van het Maatschappelijk werk, de kinderrechters,
Bureau Jeugdzorg, Raad voor Kinderbescherming en zorgaanbieders beschreven. (Te
downloaden via www.spectrum-gelderland.nl)
De Vlaamse federatie van diensten voor geestelijke gezondheidszorg en het verbond van
verzorgingsinstellingen (2007) stellen dat het van belang is dat professionals die werken
met kinderen in een vechtscheidingssituatie zorgen voor een minimale samenwerking. Dit
is niet alleen om een goed hulpaanbod voor het kind te organiseren, maar ook vanwege de
complexiteit die een vechtscheiding met zich meebrengt voor de hulpverlener. Samenwerken
met andere disciplines of voorzieningen is dikwijls een noodzaak. Die samenwerking dient
rekening te houden met de volgende aandachtspunten:
-Er kan intern voor een bepaalde casus rond de tafel gaan zitten en bekijken hoe de taken het
best kunnen verdeeld worden. De hulpverlening komt tot gezamenlijke afspraken;
-er kan ook casus-overstijgend bekeken worden hoe, in het geval van een vechtscheiding, de
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
113
taken onder de betrokken professionele actoren kunnen verdeeld worden;
-soms is het verstandig dat er wordt doorverwezen naar een andere dienst omdat die een
meer aangepaste begeleiding kan bieden;
-het is voor alle partijen belangrijk dat er een positief overleg in netwerkverband tot stand
kan komen. Het creëren van een netwerk is bovendien een protectieve factor voor het
scheidende gezin.
Daarnaast zijn er algemene aspecten te benoemen rondom het samenwerken met andere
professionals.
Betrokken partners
Zitten de juiste mensen aan tafel? Ontbreken er partijen die cruciaal zijn voor het bereiken van
het gestelde doel? Is de samenstelling het meest efficiënt, met andere woorden: heeft elke
partner een duidelijke rol (die niet door anderen vervuld kan worden)? Dit zijn enkele vragen die
in ieder geval bij het begin, maar ook bij tussentijdse evaluaties van een samenwerkingsverband
gesteld moeten worden.
Het blijkt daarbij soms lastig om niet te verval¬len in verkokering. Soms worden bepaalde
partners door andere partners als ‘ketenvreemd’ gezien. Het kost dan energie om de partners
er toch van te overtuigen dat de betreffende partijen nodig zijn voor het aanpakken van de
problematiek. De problematiek centraal stellen, helpt daarbij.
Probleemanalyse en visie
Het is belangrijk om een gemeenschappelijke visie en heldere doelen en ambities voor
de samenwerking te formule¬ren. Deze visie biedt een belangrijk referentiekader bij
keuzes en de uitwerking van een gemeenschappelijke aanpak en werkprocessen. Integraal
Toezicht Jeugdzaken (2005) stelt in het toezichtkader dat een heldere en gezamenlijke
probleemdefinitie noodzakelijk is om tot effectieve resultaatgerichte samenwerking te komen
(www.inspectiejeugdzorg.nl).
Doelgroep en doelen
Een heldere omschrijving van de doelgroep draagt bij aan de focus en begrenzing van de
samenwerking.
Goed omschreven doelen op kind/gezinsniveau zijn van essentieel belang in de beoordeling
van de gehele samenwerking (dus SMART: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, en
Tijdgebonden). Het moet volstrekt helder zijn wat de meerwaarde van de samenwerking is voor
de cliënt. Op basis van heldere en concrete doelen kunnen ook prestatie-indicatoren worden
vastgesteld, en kan het functioneren van de ketensamenwerking worden gemeten en gevolgd.
Daarnaast kan ook een formulering van het doel van de samenwerking helpen bij de latere
evaluatie en beoordeling van de efficiëntie van het samenwerkingsverband.
Werkprocessen en aanbod
Hoewel de ketenpartners zelfstandige organisaties vertegenwoordigen, is het voor de ouders
en jeugdigen wenselijk dat de samenwerking logisch en vanzelfsprekend op elkaar aansluit.
Dit heeft ook gevolgen voor de samenwerking. Door eenduidige oriëntatie op de cliënt en
een gemeenschappelijke aanpak ontstaat er meer oog voor elkaar en elkaars werkwijze.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
114
Verschillende werelden leren elkaar op deze manier kennen én onderkennen dat zij elkaar nodig
hebben in het belang van de cliënt. Een aantal aspecten zijn hierin te onderscheiden:
-Goede ketenregie, duidelijke afbakening en gerichtheid op primaire proces. Hierbij gaat
het om het aanwijzen van een ketenregisseur, de erkenning van de ketenregisseur door de
ketenpartners, het maken van afspraken en die ook nakomen, doorzettingsmacht van de
regisseur, bewaking van afstemming en het bereik van de doelgroep.
-Heldere verantwoordelijkheidsverdeling en continuïteit van de zorg. Hierbij valt te denken
aan prestatieafspraken tussen ketenpartners, heldere verantwoordelijkheidstoedeling,
verantwoording afleggen en elkaar aanspreken op deelresultaten. De ketenpartners zijn niet
alleen verantwoordelijk voor hun eigen aandeel in de keten maar ook voor de afstemming. Zij
moeten waar nodig in overleg treden met elkaar. De overgangen tussen de partners moeten
goed geregeld zijn, en ook de terugkoppeling.
De toegankelijkheid van de zorg en de wachttijden bij doorverwijzen zouden hierbij indicatoren
kunnen zijn. Belangrijk is het om het effect te meten, met name het meten van cliëntenoordelen.
Het rapport ‘De kracht van verbinden’ (2006) wijst op het belang van het vastleggen
van afspraken in de vorm van protocollen, het delen van faciliteiten, multidisciplinair
samenwerken en gezamenlijke deskundigheidsbevordering. De auteurs pleiten ervoor om
voortdurend onderscheid te maken tussen enerzijds beleids- en aansturingregie en anderzijds
uitvoeringsregie. Beide moeten goed geregeld worden om ketenregie te realiseren. Het is
noodzakelijk om bestaande overlegvormen te stroomlijnen, in samenhang met elkaar te
brengen en goede afspraken te maken over de uitvoeringsregie.
Evaluatie en monitoring
Onderdeel van een goed werkende keten is de zichtbaarheid van resultaat- en
prestatieafspraken, effectiviteitsmeting, systematische procesevaluatie en cyclische
kwaliteitsverbetering. Om te kunnen meten moeten er (uitkomst-)criteria benoemd zijn.
Hierdoor wordt feedback geleverd aan de betrokken ketenpartners (kwaliteitsmonitor). Een
goede uitwisseling van gegevens is van vitaal belang.
Bremmer e.a. (2008) bespreken knelpunten in de gegevensuitwisseling tussen de sectoren
in de keten, tussen professionals zelf en de communicatie met kind en ouders. Er bestaat bij
professionals grote terughoudendheid om de ander inzage in het eigen dossier te geven. Onder
meer vanwege de angst dat de andere professional de informatie verkeerd zal interpreteren.
Er is vaak verschil in taal tussen de sectoren en in het dossier zijn vaak persoonlijke notities
opgenomen. Daarom acht de professional de zogenoemde ‘warme’ overdracht van informatie
noodzakelijk. Tegelijkertijd is de professional niet gewend met collega’s uit andere sectoren in de
keten samen te werken.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
115
Concluderend: Het is voor de eenduidigheid en samenhang aan te raden informatie,
advies en hulp rondom echtscheiding te ordenen en in te bedden in het totale aanbod van
opvoed- en opgroeiondersteuning. Er moeten ook verbindingen worden gelegd met het
Centrum voor Jeugd en Gezin, het welzijnswerk en de zorgstructuur van het onderwijs.
Daarnaast moet in de samenwerking expliciet aandacht zijn voor de volgende aspecten:
de juiste ketenpartners rondom het kind en gezin, een gemeenschappelijke visie en
een heldere probleemanalyse, doelgroep en doel, stroomlijnen van werkprocessen en
aanbod, evaluatie en monitoring.
Wat vinden ouders en jeugd over de samenwerking?
Een ouder noemt dat mediators meer moeten gaan samenwerken met kinderpsychologen
en orthopedagogen, die zich richten op het belang van kinderen. Dit zou een standaard
onderdeel moeten zijn bij advocaten en mediators. Hij vindt dat de focus van de hulp nu
teveel gericht is op financiële afspraken en financiële rechtvaardigheid:
‘Dit geeft zoveel strijd over geld, want wat voor de ene ouder is rechtvaardig voelt, is voor de
andere ouder volstrekt onrechtvaardig. Hierdoor is het kind nog meer de dupe. De focus ligt
verkeerd, er wordt gedaan alsof financiën het belangrijkste zijn, maar dat is het niet. Het zou
meer moeten gaan om conflicthantering. Ook in het belang van de kinderen.’
Een ander ouder vindt dat professionals minder concurrentie gericht zouden moeten
zijn. Ze zouden samen meer voor hetzelfde doel moeten gaan, namelijk het beste voor de
ouders en kinderen.
Een jeugdige geeft aan:
‘Hulpverleners moeten meer samenwerken om ook jongeren in deze situatie die niet
assertief zijn en niet gelijk willen toch te blijven betrekken en niet uit het oog te verliezen.
Benader jongeren vanuit verschillende hoeken en vergeet niet dat hulpverlening voor veel
jongeren een vies woord is’.
Een andere jongere stelt:
‘Men moet meer informatie geven aan ouders vanuit advocaten en mediators. Het is ook
belangrijk HOE je dingen communiceert: of je alleen het theoretische verhaal vertelt of juist
het vanuit het kind laat verwoorden (zoals de brief ‘aan alle ouders’ van Villa Pinedo), dit
komt veel beter bij ouders aan. Ze zullen hierdoor sneller tot actie overgaan’.
Bron: Veldconsultatie
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
116
Uitgangsvraag 3.7: Wat is nodig in de ketensamenwerking rondom de jeugdige en zijn
ouders?
Een veelgehoord dilemma in ketensamenwerking is de onduidelijkheid over welke informatie
met welke personen mag worden gedeeld. Als de scheiding een gezamenlijke aanpak
noodzakelijk maakt is er sprake van een samenwerkingsverband waarin informatie kan worden
uitgewisseld. Samenwerken en informatie delen kan alleen als alle betrokken instanties het
willen en bevoegd zijn om aan de oplossing van het probleem mee te werken.
Als er informatie gedeeld moet worden binnen het samenwerkingsverband, moet steeds
worden beoordeeld of het doel waarvoor de informatie wordt gedeeld, verenigbaar is met het
doel waarvoor de gegevens oorspronkelijk zijn verzameld.
Goede ondersteuning gaat uit van het principe: zo snel, zo licht, zo kort en zo dichtbij mogelijk.
Hierbij is een goede aansluiting en samenwerking noodzakelijk tussen het aanbod in het
preventieve domein en de jeugdhulp en jeugdbescherming (Van Dijk & Prinsen, 2009). Om
ketenpartners met elkaar te verbinden is het volgende minimaal nodig (Prinsen e.a., 2006):
-ontmoetingen en persoonlijke contacten (elkaar kennen);
-concrete afspraken maken met elkaar (elkaar vertrouwen);
-leren en kennisuitwisseling (elkaar begrijpen);
-goede onderlinge communicatie en informatie-uitwisseling (elkaar verstaan);
-beleid en aansturing verbinden met uitvoering (elkaar stimuleren).
In het kader van vroeg signalering van echtscheidingsproblemen en afstemming van hulp tussen
verschillende professionals en instellingen is het een vereiste dat professionals informatie
uitwisselen.
Zijn de problemen echter complexer en is het nodig om de hulp en zorg vanuit verschillende
voorzieningen goed af te stemmen, dan moet gewerkt worden volgens het principe ‘Eén gezin,
één plan’.
Altijd moet duidelijk zijn wie de functie van zorgcoördinator vervult – de verantwoordelijkheid
van de gemeente - en daarmee belast is met het goed verlopen van de samenhangende
ondersteuning van het gezin.
Verder moeten duidelijke lokale/regionale afspraken gemaakt worden over de terugkoppeling
van informatie tussen ketenpartners. Betrokken professionals dienen standaard geïnformeerd
te worden:
-op het moment dat Bureau Jeugdzorg een indicatiebesluit afgeeft;
-op het moment dat de geïndiceerde zorg start en eindigt;
-bij de start en afsluiting van kinderbeschermingsmaatregelen;
-op het moment dat er een onderzoek door Veilig Thuis of de Raad voor de
Kinderbescherming wordt uitgevoerd en bij afsluiting van dat onderzoek.
Omgekeerd informeren professionals in de CJG’s en het ZAT (Zorg- en adviesteams) ook
standaard diegenen die naar hen verwijzen. Uiteraard gelden de gebruikelijke privacyregelingen
en wettelijke kaders voor de jeugdhulp en jeugdbescherming en CJG-werkers.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
117
In veel gemeenten start men op basis van de wil om de zorg en ondersteuning van jeugdigen
te verbeteren, de ervaren noodzaak om ‘elkaars kwaliteiten’ te benutten en een houding en
cultuur die ruimte laat en een beroep doet op ieders expertise en inzet. Verantwoordelijkheden
en afspraken zijn globaal vastgelegd en worden werkende weg verder ontwikkeld.
In de praktijk van de zich ontwikkelende samenwerking dienen zich vaak drie elkaar
overlappende processen aan, te weten:
-Goedwerkende incidentele oplossingen worden gaandeweg structureel.
-Werkbare structurele oplossingen komen (gaandeweg) onder gezamenlijke sturing.
-Onder gezamenlijke sturing komen gezamenlijke visie en beleid tot stand vertaald in een plan
van aanpak. De lopende praktijk wordt ingepast en men voegt ontbrekende elementen toe
(Ministerie van Justitie & Ministerie van Binnenlandse Zaken, 2009; NJi, 2009).
In situaties waarin er strijd is tussen ex-partners of (een van) ouders niet wil(en), dienen
professionals outreachend en met enige drang ouders motiveren tot hulp. In zware, complexe
gevallen – bijvoorbeeld als er sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van
betrokken kinderen- kan verwijzing naar Bureau Jeugdzorg noodzakelijk zijn.
Als het gaat om bemoeizorg is het doel van het delen van informatie de cliënten geleiden
naar de reguliere hulpverlening, bijvoorbeeld als er psychosociale problemen bij een van
de ouders worden geconstateerd. Voortvloeiend uit dit doel blijkt wie aan tafel mogen
zitten en gegevens mogen krijgen. De kernpartners die deelnemen aan deze overleggen
kunnen zijn: verslavingszorg, GGZ, GGD, maatschappelijke opvang, thuiszorg, huisartsen en
maatschappelijk werk. De schilpartners kunnen zijn: politie, woningcorporaties, reclassering,
gemeenten, buurthuiswerk, nutsbedrijven en andere hulpverleners. De schilpartners nemen
afhankelijk van de casus deel aan het overleg. Met het vaststellen van de agenda zal hier zoveel
mogelijk rekening mee moeten worden gehouden. Het is raadzaam de schilpartners een
geheimhoudingsverklaring te laten tekenen.
Betrekken van ouders en jeugdigen
Professionals moeten transparant zijn en de regie – indien mogelijk – bij ouders leggen. Zij moeten
samen met ouders en jeugdigen doelen vaststellen en kijken hoe de ondersteuning wordt opgezet
en welke partners eventueel betrokken zijn/ moeten worden bij de hulpverlening. Uitgangspunt is
dat ouders en jeugdigen indien mogelijk aanwezig zijn bij bespreking van hun cases.
Het instrument ‘Samenwerking in de jeugdketen’ (VWS, 2011) biedt samen met bijvoorbeeld de
Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (Ministerie van VWS, 2011) een handreiking
bij de afwegingen van privacyaspecten.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
118
Concluderend: Het is van belang dat ouders en jeugdigen meer betrokken worden bij de
(keuze voor) hulp. Professionals moeten transparant zijn en de regie – indien mogelijk – bij
ouders leggen. Zij moeten samen met ouders en jeugdigen doelen vaststellen en kijken
hoe de ondersteuning wordt opgezet en welke partners eventueel betrokken zijn / moeten
worden bij de hulpverlening.
In het kader van vroegsignalering van scheidingsproblemen en afstemming van hulp tussen
verschillende professionals en instellingen is het een vereiste dat professionals informatie
uitwisselen.
Zijn de problemen echter complex en is het nodig om de hulp en zorg vanuit verschillende
voorzieningen goed af te stemmen, dan moet gewerkt worden volgens het principe ‘Eén
gezin, één plan’.
Altijd moet duidelijk zijn wie de functie van zorgcoördinator vervult en daarmee belast is
met het goed verlopen van de samenhangende ondersteuning van het gezin. Verder moeten
duidelijke lokale/regionale afspraken gemaakt worden over hoe de terugkoppeling van
informatie tussen ketenpartners plaatsvindt.
5.5 Conclusies met betrekking tot de vragen over samenwerking
met ouders en met het netwerk
Op basis van bovenstaande tekst trekt de werkgroep een aantal conclusies. Deze conclusies zijn
gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, theorie en consensus onder experts:
Jeugdprofessionals krijgen rond scheiding te maken met een dubbele doelgroep: zowel met
de jeugdigen in een scheidingssituatie als met de scheidende/gescheiden ouders. Ouders met
wie jeugdprofessionals te maken krijgen zijn vaak verwikkeld in een vechtscheiding. In eerste
instantie zijn de ouders dan de oorzaak van de problemen bij scheidingskinderen.
Van de professional wordt meerzijdige partijdigheid verlangd: afwisselend de verschillende
partijen erkennen om zo de dialoog tussen partijen in gang te zetten. De communicatie tussen
de ouders moet worden hersteld of verbeterd. Na een scheiding moet er altijd aandacht zijn
voor ouderschapsreorganisatie. Dit vraagt van jeugdprofessionals dat zij ook oudergericht
kunnen werken. Het zijn zaken die veel energie kosten en extra ondersteuning vanuit de
organisatie is nodig.
Na de scheiding ontstaan de rollen van inwonende ouder en uitwonende ouder. Kinderen
krijgen te maken met twee huishoudens, die van moeder en die van vader. De meeste kinderen
wonen vooral bij de moeder, een minderheid woont bij de vader. Steeds meer kinderen wonen
afwisselend bij moeder en bij vader (co-ouderschap). Bovendien komen vaak nieuwe partners
op het toneel: stiefvaders en stiefmoeders. Dit alles brengt een ouderschapsreorganisatie met
zich mee en de noodzaak voor de hulpverlener om in het hulpverleningsproces rekening te
houden met al deze ouderrollen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
119
Om goed met ouders en kinderen in een scheidingssituatie om te gaan en hen te kunnen
ondersteunen, is het van belang dat professionals vanuit de volgende aandachtspunten om
kunnen gaan met verschillende aspecten die een rol spelen in echtscheidingssituaties. In
navolging van het position paper van het Algemeen Maatschappelijk werk (2010) zijn dit de
volgende aspecten:
-Juridische aspecten;
-relationele aspecten;
-ouderschapsaspecten;
-veiligheidsaspecten.
Het is van belang dat professionals zicht hebben op relevante juridische kaders bij
echtscheiding. Per echtscheidingssituatie is het van belang om inzicht te krijgen op de inhoud
van het ouderschapsplan en hoe het gezag en de zorg en omgang geregeld zijn. Met het
ouderschapsplan krijgt de jeugdprofessional kennis en informatie over hoe de opvoeding
van het kind is geregeld. Vanuit de invulling van gezag en omgang krijgt de jeugdprofessional
handvatten over wie van de betrokkenen welke informatie dient te ontvangen en wie bevoegd is
tot het nemen van besluiten.
In de omgang met kinderen in echtscheidingssituaties is het belangrijk om als jeugdprofessional
ook rekening te houden met de relatieproblemen die er tussen de ex-partners kunnen spelen.
Door hier actief aandacht voor te hebben is de hulpverlener in staat om ouders bewust
te maken van de invloed van hun negatieve gevoelens tegenover hun ex-partner op de
ontwikkeling van het kind. Tevens is het hiermee mogelijk om ouders te ondersteunen of door
te verwijzen naar andere hulpverlening zodat zij hun eigen emoties (jaloezie, verdriet) kunnen
verwerken.
Het is belangrijk dat jeugdprofessionals zich ervan bewust zijn dat met een echtscheiding ook
de opvoedvaardigheden van beide ouders in een ander licht komen te staan. De bestaande
patronen worden doorbroken waardoor elke individuele ouder wordt gedwongen een nieuw
patroon te ontwikkelen. Jeugdprofessionals kunnen ouders helpen dit nieuwe patroon vorm te
geven door informatie en voorlichting te geven over het ouderschap na scheiding en over het
stiefouderschap. Belangrijk is om ouders door te verwijzen naar relevante opvoedcursussen.
Belangrijk aandachtspunt hierbij is een nieuwe partner, al dan niet met eigen kinderen.
De jeugdprofessional moet beseffen dat hierdoor de gezinsverhoudingen nog complexer
worden.
In conflictueuze echtscheidingssituaties is er een grotere kans is op kindermishandeling en
huiselijk geweld. Jeugdprofessionals moeten in deze situaties de noodzakelijke competenties
hebben en extra alert zijn op signalen hierop.
Het is voor de eenduidigheid en samenhang aan te raden informatie, advies en hulp
rondom echtscheiding te ordenen en in te bedden in het totale aanbod van opvoed- en
opgroeiondersteuning. Er moeten ook verbindingen worden gelegd met het Centrum voor
Jeugd en Gezin, het welzijnswerk en de zorgstructuur van het onderwijs. Daarnaast moet in
de samenwerking expliciet aandacht zijn voor de volgende aspecten: de juiste ketenpartners
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
120
rondom het kind en gezin, een gemeenschappelijke visie en een heldere probleemanalyse,
doelgroep en doel, stroomlijnen van werkprocessen en aanbod, evaluatie en monitoring.
Het is van belang dat ouders en jeugdigen meer betrokken worden bij de (keuze voor) hulp.
Professionals moeten transparant zijn en de regie – indien mogelijk – bij ouders leggen. Zij
moeten samen met ouders en jeugdigen doelen vaststellen en kijken hoe de ondersteuning
wordt opgezet en welke partners eventueel betrokken zijn/ moeten worden bij de hulpverlening
In het kader van vroeg signalering van echtscheidingsproblemen en afstemming van hulp tussen
verschillende professionals en instellingen is het een vereiste dat professionals informatie
uitwisselen.
Zijn de problemen echter complexer en is het nodig om de hulp en zorg vanuit verschillende
voorzieningen goed af te stemmen, dan moet gewerkt worden volgens het principe ‘Eén gezin,
één plan’.
Altijd moet duidelijk zijn wie de functie van zorgcoördinator vervult en daarmee belast is met het
goed verlopen van de samenhangende ondersteuning van het gezin. Verder moeten duidelijke
lokale/ regionale afspraken gemaakt worden over hoe de terugkoppeling van informatie tussen
ketenpartners plaatsvindt.
5.6 Overige overwegingen
In aanvulling op de literatuur zijn er vanuit de praktijk een aantal belangrijke overwegingen
genoemd.
Bureau Jeugdzorg krijgt vragen over echtscheiding die niet bij jeugdhulp thuis horen. Sommige
vragen kunnen beter door het CJG worden beantwoord. Onvoldoende is bij professionals en
ouders bekend wie in de ketensamenwerking welke ondersteuning biedt op het gebied van
echtscheiding. Maak inzichtelijk en transparant wat de mogelijkheden zijn voor ondersteuning
bij echtscheiding door CJG’s en andere samenwerkingspartners. Stimuleer dat organisaties
elkaar op dit thema ontmoeten en kennis met elkaar delen en uitwisselen.
Professionals moeten zich bewust zijn van hun eigen grenzen en mogelijkheden. In de
samenwerking met ouders moet de kracht zijn het verbinden. Bijvoorbeeld door de kwaliteiten
van het kind bespreekbaar te maken en hoe zij ouders bereid kunnen krijgen om het belang van
het kind voorop te stellen. Erkenning van de situatie en de positie van de ouder is een eerste
stap naar contact en bereidheid om mee te doen. Motiveren kan pas als ouders zich gehoord
en gezien voelen. Professionals moeten een relatie durven aangaan met de ouders. Expertise in
gespreksvoering en oudergericht werken is een voorwaarde. Jeugdprofessionals bereiken meer
wanneer ze het verlenen van hulp kunnen loslaten. Hun taak is om het kind centraal te stellen in
de communicatie rondom het ouderschap. Zij moeten leren te focussen op het begeleiden van
het proces in plaats van op het verlenen van hulp. Training en deskundigheidsbevordering is van
belang (uitgangsvragen 3.6 en 3.7).
Onderzoek in een zo vroeg mogelijk stadium of er hulp dan wel begeleiding moet worden
ingezet. Zet zo laagdrempelig mogelijk ondersteuning in. In de hele richtlijn wordt de bijzonder
curator niet genoemd maar bedenk dat die bij (vecht)scheidingen wel een rol kan hebben om
specifiek de belangen van het ‘kind’ te monitoren.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
121
Bied meerdere vormen van hulp onder één dak. Neem echtscheiding op in de verwijsindex.
Binnen het gedwongen kader kan ook het inzetten van Eigen Kracht de verhoudingen
verbeteren en vastgelopen casussen weer een opening bieden om het proces weer op gang te
krijgen.
De jeugdprofessional is een generalist met kennis van zaken. Een goed netwerk met relevante
ketenpartners kan ervoor zorgen dat je de juiste mensen spreekt om rondom ouders en kind de
zaken op te pakken.
De jeugdprofessional heeft kennis nodig om ouders te kunnen adviseren over het hulpaanbod
en moet weten hoe de sociale kaart zowel in de regio als landelijk in elkaar zit rondom
echtscheiding en relatieversterking.
Welke professionals zijn er in de regio, zoals mediators, kind en jeugdpsychologen, (school)
maatschappelijk werk, systeemtherapeuten, scholen, specialistische zorginstellingen,
programma’s, opleidingen, bij- en nascholingstrajecten, congressen, online mogelijkheden etc.
5.7 Aanbevelingen
-Stel je op de hoogte van de complexiteit van een ouderlijke scheiding en eventuele volgende
wisselende gezinssituaties door de richtlijn te lezen en kennis te nemen van de verschillende
literatuurverwijzingen. Weet dat een veranderende gezinssituatie betekent dat de ouders
nieuwe rollen gaan vervullen en dat een jeugdige met stiefouders te maken kan krijgen. Deze
volwassenen samen moeten goede afspraken en regelingen maken over de opvoeding. Houd
in de omgang met jeugdigen in scheidingssituaties rekening met de relatieproblemen die er
tussen de ex-partners kunnen spelen.
-Stimuleer ouders door hen altijd allebei uit te nodigen voor een gezamenlijk gesprek in het
belang van hun kind, en door hen te betrekken bij de (keuze voor) hulp.
Dit doe je door:
-ouders te informeren over wat scheiding of langdurige ruzie voor gevolgen kan hebben voor
hun kinderen;
-oplossingsgericht te werken en de regie zo veel mogelijk bij de ouders te leggen;
-met ouders en jeugdige samen doelen te stellen en te besluiten hoe de begeleiding het
beste aansluit bij wat zij nodig hebben;
-ouders te wijzen op hulpverlening voor hun eigen (mentale) problemen.
-Communiceer in je begeleiding aan ouders:
-de noodzaak en de mogelijkheden om te leren ruzies en conflicten te beheersen;
-de wijze waarop informatie wordt gedeeld en wie welke besluiten mag nemen in de
hulpverlening.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
122
-Leg ook uit dat het voor jeugdigen belangrijk is dat ouders niet in hun bijzijn ruzie maken. Wijs
de ouders er verder op dat het belangrijk is om gezamenlijke afspraken te maken. Attendeer
ouders op de verschillende interventies, verwijs hen daar eventueel naar, en geef informatie en
voorlichting over ouderschap na scheiding. Belangrijk aandachtspunt hierbij is een (eventuele)
nieuwe partner, al dan niet met eigen kinderen. Leg daarnaast uit dat de hulpverlening zich
primair richt op de jeugdige en dat alle inzet vanuit dat uitgangspunt plaatsvindt.
-Wees bij conflictueuze scheidingssituaties extra alert op signalen van kindermishandeling
en huiselijk geweld. Jeugdprofessionals moeten goed met zulke signalen om kunnen gaan.
Passende maatregelen, zoals OTS, uithuisplaatsing of het benoemen van een bijzondere
curator, kunnen noodzakelijk zijn.
-Zorg dat je ouders en jeugdigen in scheidingssituaties goed begeleidt door:
-zowel vanuit het perspectief van de jeugdige als dat van de ouders te werken;
-een houding van meerzijdige betrokkenheid aan te nemen, waarbij je rekening houdt met
zowel de belangen van de jeugdige als met die van de moeder en van de vader;
-een oplossingsgerichte aanpak te hanteren;
-kennis te nemen van de juridische kaders bij een scheiding en de ouders te informeren over
(juridische) verplichtingen;
-de jeugdige centraal te stellen en de ouders te motiveren om hun conflicten aan te pakken;
-samen met de ouders de nieuwe rollen inhoud en vorm te geven.
-Zorg voor afstemming en samenwerking met verschillende professionals (zoals scholen,
hulpverleners van ouders, advocaten, mediators, rechters et cetera). Zo kun je samen
(vroegtijdig) scheidingsproblemen signaleren en de juiste begeleiding inzetten. Ook kun je zo
kind gerelateerde en scheiding gerelateerde problemen onderscheiden.
-Zorg voor terugkoppeling van informatie, zodat voor alle betrokkenen helder is wie wat in het
gezin doet.
-Deel kennis en ervaring over scheidingsgezinnen met andere jeugdprofessionals en
organisaties. Creëer ontmoetingsmomenten, bijvoorbeeld door een kenniscafé te organiseren.
-Zorg ervoor dat je de sociale kaart in je regio kent en weet wat het landelijk aanbod is.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
123
-Geef ouders altijd de volgende adviezen:
-houd je kind altijd buiten je ruzie met de andere ouder;
-laat je kind duidelijk merken dat het geen schuld heeft aan de scheiding;
-geef je kind de ruimte om ook van de andere ouder te houden;
-spreek niet negatief over de andere ouder in het bijzijn van je kind;
-maak wel duidelijk dat de scheiding definitief is;
-stimuleer contact van je kind met andere scheidingskinderen (professionals kunnen
eventueel verwijzen naar een van de beschikbare interventies);
-zoek een geschikte vorm om informatie over je kind met je ex-partner uit te wisselen
(professionals kunnen hierbij helpen door het AMW of een mediator in te schakelen).
-Raad eventuele stiefouders aan niet te snel de ouderrol op zich te nemen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
124
Hoofdstuk 6
Aandacht voor diversiteit
en specifieke doelgroepen
Richtlijn
RichtlijnScheiding
Scheidingen
enproblemen
problemenvan
vanjeugdigen
jeugdigenvoor
voorjeugdhulp
jeugdhulpen
enjeugdbescherming
jeugdbescherming//onderbouwing
onderbouwing//pagina
pagina 125
125
Scheiden is altijd een moeilijke en pijnlijke beslissing, zeker als er kinderen in het spel zijn. Bij
een aantal groepen ouders en kinderen zijn er extra belemmeringen vanwege diversiteit in
achtergronden. Het is belangrijk aandacht te hebben voor deze diversiteit, om zoveel mogelijk
gezinnen laagdrempelig te helpen. In de handreiking voor gemeenten ‘Scheiding en de zorg voor
de kinderen’ (2010) is informatie opgenomen over diversiteit.
Om een goede behandelrelatie te kunnen opbouwen, is goed contact met de ouders van belang.
Nu vinden niet alle ouders het even makkelijk hulpverleners te vertrouwen. Neem daarom
voldoende tijd om dit vertrouwen te winnen. Houd er rekening mee dat ouders een ander
referentiekader kunnen hebben dan jijzelf. Ze denken bijvoorbeeld dat de ziekte van hun kind
een andere oorzaak heeft dan jij denkt, of ze kijken anders tegen opvoeden aan. Onderzoek
met welke verwachtingen de ouders komen en wees je bewust van de verwachtingen die jij van
de ouders hebt. Ouders kunnen ook weerstand hebben tegen de bemoeienis van (overheid)
instanties bij de opvoeding van hun kind. In zulke situaties heb je meer tijd nodig om het
vertrouwen te winnen.
Er zijn ook ouders die niet goed met het gangbare schriftelijke materiaal uit de voeten kunnen,
bijvoorbeeld doordat ze de taal niet goed machtig zijn of lager zijn opgeleid. Zij kunnen ook
moeite hebben met bepaalde interventies, omdat deze uitgaan van een taalvaardigheid en
een abstractievermogen dat bij deze groep niet voldoende aanwezig is. Zorg daarom voor
begrijpelijk en ook visueel voorlichtingsmateriaal, en kies voor een interventie die aansluit bij de
capaciteiten van de ouders.
6.1 Diversiteit
Allochtone ouders zitten, net als autochtone ouders, vaak met veel vragen als zij een scheiding
overwegen of al te maken hebben met een scheiding. Zij hebben bovendien vragen die te maken
hebben met hun etniciteit. De druk van de familie om niet te scheiden kan in diverse culturen
hoog zijn, zeker als er kinderen in het spel zijn. Vrouwen en mannen zitten vast in rolpatronen
en schamen zich om over relatieproblemen te praten. Zij kunnen er dan voor kiezen te berusten
in de slechte situatie en hopen dat het in de toekomst weer beter zal gaan. Soms zelfs als er
sprake is van huiselijk geweld.
Ook is er een groep allochtone vrouwen (en soms ook mannen) die niet of nauwelijks
Nederlands spreekt, vaak laag opgeleid is, geen werk heeft en weinig contacten in de omgeving
of met de familie heeft. Ze nemen vaak slechts zeer beperkt deel aan het maatschappelijk leven
en kennen (letterlijk) de weg naar hulpverlenende instanties niet. Voor deze vrouwen zijn hun
gezin en hun kinderen alles waar het om draait. Ze vinden het dan ook vaak moeilijk om dit
gezinsleven op te geven, zelfs als er sprake is van een langdurig slechte thuissituatie.
Wat zijn specifieke vragen en wat is de ondersteuningsbehoefte van allochtone ouders?
-Behoefte aan juridische en financiële informatie over rechten en plichten na scheiding.
Over: verschillen in wet- en regelgeving met het land van herkomst, omgang met kinderen
na de scheiding, verblijfsvergunning, wonen en uitkering. Belangrijk is dat de onzekerheden
worden weggenomen en dat er geen onterechte fabels in de lucht blijven hangen. Informatie
en gesprekken moeten vrijblijvend en vertrouwelijk zijn. Goede informatie geeft kracht om
een slechte situatie te veranderen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
126
-Langdurige praktische ondersteuning van iemand die hun taal spreekt, ook na de scheiding
(met name de groep vrouwen in een sociaal isolement). Bijvoorbeeld hulp bij het invullen van
papieren voor verblijfsvergunning , inkomen, huisvesting of het regelen van echtscheiding in
het land van herkomst.
-De allochtone vrouwen en mannen met een bredere maatschappelijke scope zijn vaker hoger
opgeleid, spreken goed Nederlands, werken en hebben een sociaal netwerk. Zij halen veel
informatie van internet en vinden indien nodig hun weg naar hulpverlenende instellingen. Ze
vinden het echter wel prettig als daar iemand zit met kennis van hun cultuur en de specifieke
vragen/problemen die dat met zich mee kan brengen. Zij praten doorgaans ook meer
met hun kinderen en leggen minder de verantwoordelijkheid voor problemen bij andere
instellingen (zoals de school).
-Extra aandacht over opvoeden en omgaan met de kinderen tijdens een scheidingsprocedure.
Allochtone ouders vinden opvoeden na de scheiding vaak moeilijker dan autochtonen. Er is
vaak ook minder aandacht voor de kinderen.
-Soms is er ook behoefte aan hulp bij eergerelateerd geweld.
6.1.1 Bereiken van allochtone ouders
-Via instellingen die al actief zijn binnen het gezin: ouders komen in eerste instantie vaak
binnen met een ander probleem. Zo ziet het algemeen maatschappelijk werk veel allochtone
moeders van gezinnen met meervoudige problematiek - waaronder relatieproblemen. Maar
ook het buurtwerk of de huisarts zijn ingangen. Juridisch onderlegde mensen (bijvoorbeeld
sociale raadslieden en allochtone advocaten) hebben voor deze groep ook vaak een rol als
hulpverlener. Zij moeten de weg naar het CJG dan ook goed weten te vinden.
-Ingangen via reguliere ketenpartners kunnen benut worden. Zo kan een contactmoment
bij het consultatiebureau een goed aangrijpingspunt zijn om relatieproblemen ter sprake
te brengen: eerst vragen naar kinderen, dan naar thuissituatie, etc. Dit betekent dat de
ketenpartners kennis moeten hebben van omgaan met relatie – en scheidingsproblematiek
binnen specifieke culturen.
-Informatie over opvoeden en aanverwante zaken kan verspreid worden tijdens
koffieochtenden op scholen, tijdens de taalles of naailes, bij centra voor buitenlandse
vrouwen, maar ook bij het buurtwerk of de moskee, waar mannen bereikt kunnen worden.
Noem scheiden daarbij niet direct, maar laat het later ter sprake komen.
-Scholen spelen vaak een belangrijke rol als het niet goed gaat met de kinderen. Binnen het
primair onderwijs via een oplettende leerkracht, en binnen het voortgezet onderwijs ook
als kinderen zelf hun verhaal doen. Kinderen hebben vaak de voorkeur voor individuele
gesprekken die vervolg kunnen krijgen in een groepsgesprek. Dan kunnen verschillende
groepen worden gemixt om te laten zien dat ook autochtone kinderen met deze problemen
worstelen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
127
-Informele netwerken spelen in mindere mate een rol. Het is voor ouders vaak lastig bij
familie te rade te gaan, bijvoorbeeld vanwege het taboe dat op relatieproblemen en
scheiding rust.
Het literatuuronderzoek van het Verwey Jonker instituut, Ouderschap Versterken (Distelbrink
en Pels, 2012), beschrijft dat een negatieve, conflictueuze relatie tussen ouders en adolescenten
vaak samengaat met een problematische ontwikkeling bij kinderen, bijvoorbeeld vanwege een
verschil in acculturatietempo tussen de generaties. Ouders kunnen uit angst voor respectverlies
en culturele vervreemding van hun kinderen verstarren in de opvoeding. De combinatie van
gebrek aan steun en (soms harde) repressie of juist afzijdigheid vormt een belangrijke factor in
de marginalisering van jongens.
Ook geweld in het gezin vormt een ernstige risicofactor, die de ontwikkeling van kinderen
kan bedreigen. De negatieve impact op de opvoeding is dan groot. Het geweld, en het
zwijgen daarover, brengt kinderen die dit meemaken – toch al kwetsbaar door het
ontbreken van de nodige zorg en aandacht - in een geïsoleerde positie. Dit geldt overigens
evenzeer voor autochtone kinderen die opgroeien in de context van geweld. Wat betreft
kindermishandeling blijken migrantenkinderen uit de verschillende groepen extra risico te
lopen. Een migratieachtergrond blijkt extra gewicht in de schaal te leggen, naast gezinsgrootte,
alleenstaand of stiefouderschap en sociaal- economische status van het gezin.
6.1.2 Alleenstaand ouderschap
Alleenstaand ouderschap vormt doorgaans een risicofactor, al lijkt dat wat minder voor
Caraïbische groepen op te gaan vanwege de steun uit het vrouwennetwerk, de relatief geringe
stigmatisering van het eenoudergezin in deze kringen en de voorbereiding van meisjes op
alleenstaand moederschap. Een punt van zorg vormt de toename van een-ouderschap
in groeperingen waar dit gezinstype van oudsher minder gangbaar is, zoals in Turkse,
Marokkaanse, Hindoestaans-Surinaamse en vluchtelingengezinnen. Scheiding, en het sociale
isolement als gevolg daarvan, kan voor deze moeders een aanzienlijke verzwaring van de
opvoedingstaken betekenen. Somalische gezinnen vallen op door een zeer hoog aandeel
alleenstaande ouders. Dit aandeel ligt nog hoger dan onder Caraïbische gezinnen: tegen de 60
procent (Gijsberts & Dagevos, 2009). Het hoge aandeel heeft deels te maken met scheidingen
in Nederland, maar ook met scheidingen in het land van herkomst (Bouwmeester e.a., 1998;
Dourleijn & Dagevos, 2011; Pels & De Gruijter, 2005), constateren dat Somalische ouders evenals
sommige andere migrantenouders hun kinderen wel veel warmte en steun geven. Zij zijn echter
minder responsief dan autochtone ouders. Het (islamitische) geloof is een belangrijke leidraad
in de opvoeding. Evenals Turkse en Marokkaanse ouders hebben Somalische ouders moeite zich
te verhouden tot de vrije Nederlandse omgeving. Onder andere de communicatie met kinderen
over onderwerpen als relaties en seksualiteit is niet gemakkelijk en vaak met schaamte omgeven
(Pels & De Gruijter, 2005).
In de literatuur wordt een-ouderschap vaak in verband gebracht met minder gunstige
ontwikkelingsuitkomsten voor kinderen, hoewel de grootte van de effecten varieert per
ontwikkelingsdomein (Spruijt, 2007). In studies naar probleemgedrag wordt met name voor
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
128
Antilliaanse jongeren een verband gesuggereerd met de afwezigheid van de vader in het gezin.
Vader afwezigheid zou onder meer tot gezag problemen leiden. Armoede en het niet kunnen
delen van opvoedingsvragen met een partner kunnen de opvoeding in eenoudergezinnen
voorts verzwaren. Tot slot ontbreekt het aan een rolvoorbeeld voor jongens (Distelbrink,
2000; Van San, 1998). Uit algemeen onderzoek is bekend dat conflicten rond de scheiding veel
problemen voor kinderen kunnen veroorzaken (Spruijt & Kormos, 2010). Grootschalig onderzoek
waarbij daadwerkelijk een verband met negatieve ontwikkelingsuitkomsten wordt aangetoond
in migrantengroepen ontbreekt echter. Er zijn aanwijzingen dat een-ouderschap in Caraïbische
groepen minder tot negatieve uitkomsten leidt dan in autochtone gezinnen (Distelbrink, 2000;
Hofman, 1993). Verklarende factoren daarbij vormen het netwerk waarop (vooral Surinaamse)
moeders kunnen terugvallen voor emotionele steun, de relatief geringe stigmatisering van
het eenoudergezin in eigen kring en de voorbereiding op alleenstaand moederschap in de
opvoeding. Wel blijkt uit onderzoek onder Afro-Surinaamse moeders dat het een-ouderschap
lang niet iedereen goed afgaat en dat het kan leiden tot een verminderd welbevinden bij
sommige jongeren (Distelbrink, 2000). Niet zelden geldt voor jongeren die zonder hun
ouders naar Nederland komen dat zij in het herkomstland al opgroeiden in problematische
omstandigheden in hun leefomgeving en/of gezin (Steketee e.a., 2003). Antilliaanse jongeren die
met justitie in aanraking komen in Nederland zijn vaak al op de Antillen hun criminele loopbaan
gestart (Bovenkerk, 2000).
Een punt van zorg vormt de toename van een-ouderschap in groeperingen waar dit gezinstype
van oudsher minder gangbaar is, zoals de Turkse en de Marokkaanse (Van Egten e.a., 2008), de
Hindoestaans-Surinaamse (Van Niekerk, 2000) en ook vluchtelingengezinnen (Bouwmeester
e.a., 1998; Pels & De Gruijter, 2005). Scheiding kan voor deze moeders, die vaak een netwerk
ontberen en bij wie alleenstaand moederschap deels leidt tot sociaal isolement, een aanzienlijke
verzwaring van opvoedingstaken met zich meebrengen (Eldering & Borm, 1996a, 1996b;
Bouwmeester e.a., 1998; Pels & De Gruijter, 2005). Er is nog geen onderzoek dat inzicht geeft in
de gevolgen voor de kinderen.
Volgens het rapport Kindermishandeling (Alink, e.a., 2010) vormen alleenstaand ouderschap
en stiefgezinnen weliswaar een risico voor kindermishandeling maar het risico van een lage
opleiding is veel groter. In de groep nieuwe allochtonen is wel een duidelijk meetbaar verhoogd
risico op kindermishandeling maar dat is volgens het rapport mogelijk te wijten aan de
voorgeschiedenis als vluchteling van een deel van deze groep.
6.1.3 Steun vinden in het informele netwerk
Niet-westerse ouders in Nederland vallen vergeleken met autochtone ouders voor
opvoedingsondersteuning terug op een kleinere en dan vooral informele kring (Bouwmeester
e.a., 1998; Distelbrink & Pels, 2000; Pels & De Gruijter, 2005). Deze kring is doorgaans ook
beperkter wat betreft aanwezig cultureel en informatiekapitaal. In geval van scheiding kan dit
opvoeders extra kwetsbaar maken, zo laten Eldering en Borm (1996a, 1996b) in onderzoek
onder alleenstaande Marokkaanse en Hindoestaanse moeders zien. Dit komt niet zozeer
omdat de man wegvalt als bron van ondersteuning – zijn inbreng was ook voorafgaand aan de
scheiding vaak al gering. Het taboe op scheiding in deze groepen brengt mee dat het informele
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
129
netwerk rond de moeders goeddeels wegvalt, en daarmee haar belangrijkste bron van sociale
steun. Dit is extra bezwarend omdat deze moeders vaak niet geleerd hebben om zelfstandig op
te treden.
6.2 Hulpverlening aan mensen met een licht verstandelijke
beperking
Mensen met een licht verstandelijke beperking (LVB) kampen vaak met complexe problemen
die het dagelijks functioneren vaak negatief beïnvloeden. Daar waar de problematiek zich heeft
opgestapeld, spreken we van multiprobleemgezinnen. Deze gezinnen hebben ook problemen
met de hulpverlening. In multiprobleemgezinnen kunnen zich moeilijkheden voordoen op een
aantal gebieden zoals bijvoorbeeld de opvoeding, relatieproblemen en echtscheiding. Het
verwerken van rouw, het omgaan met tegenslag en verlies, het leren omgaan met de situatie
en allerlei andere zaken die bij echtscheiding spelen kunnen gelet op hun beperking extra
problemen opleveren voor deze doelgroep.
Wanneer hulp nodig is, kan het nodig zijn dat de hulpvraag door een professional achterhaald
moet worden. Wanneer de hulpvraag is opgepakt door de professional zal de hulp moeten
aansluiten bij de specifieke ondersteunings- en zorgbehoefte van deze doelgroep. Professionals
die werken met deze doelgroep hebben specifieke kennis en deskundigheid nodig op het gebied
van:
-beperkingen;
-bijkomende problematiek;
-acceptatieproblematiek;
-samenwerking en communiceren met mensen met een LVB;
-samenhang tussen een LVB (bij kind en/of ouder) en opvoeding;
-de sociale kaart voor deze doelgroep (De Beer, 2011).
6.3 Conclusies
Scheiding en alleenstaand ouderschap spelen een grote rol in diverse allochtone groepen. Veel
van deze ouders hebben veel vragen als zij in aanraking komen met een scheiding. Vergeleken
met autochtone ouders zijn allochtone ouders vaak laag opgeleid. Zij hebben bovendien vragen
die te maken hebben met hun etniciteit. De druk van de familie om niet te scheiden kan in
diverse culturen hoog zijn, zeker als er kinderen in het spel zijn. Vrouwen en mannen zitten vast
in rolpatronen en schamen zich om over relatieproblemen te praten.
Er is een groep allochtone vrouwen (en soms ook mannen) die niet of nauwelijks Nederlands
spreekt, vaak laag opgeleid is, geen werk heeft en weinig contacten in de omgeving of met de
familie. Zij zullen minder snel problemen naar buiten kenbaar maken en zij kennen vaak de weg
niet naar een hulpverlenende instantie.
De ondersteuningsbehoefte van allochtone ouders bij echtscheiding bestaat vooral uit:
juridische en financiële informatie, praktische ondersteuning door iemand die hun taal spreekt
en hun cultuur kent. Ouders hebben behoefte aan tips over opvoeden en omgaan met hun
kinderen na een echtscheidingsprocedure. Soms is er ook behoefte aan hulp bij eergerelateerd
geweld.
Het een-ouderschap na scheiding blijkt een extra risicofactoren bij allochtone gezinnen
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
130
te zijn. Migrantenkinderen uit verschillende groepen blijken een extra risico te lopen op
kindermishandeling. Opvoeders kunnen extra kwetsbaar zijn omdat zij als zij steun nodig
hebben vaak slechts kunnen beschikken over een relatief kleine en dan vooral informele kring.
Wanneer ouders van kinderen met een licht verstandelijke beperking scheiden, is dat voor deze
kinderen (en hun ouders) vaak nog ingewikkelder dan voor andere gezinnen. Jeugdprofessionals
die te maken krijgen met deze doelgroep hebben extra kennis en deskundigheid nodig op het
gebied van relatieproblematiek en de gevolgen daarvan voor jeugdigen voor gezinnen met
complexe problemen.
6.4 Aanbevelingen
-Neem kennis van de (spaarzame) literatuur over allochtone gezinnen en scheiding.
-Neem kennis van de (spaarzame) literatuur over ouders met een licht verstandelijke
beperking en echtscheiding. Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
131
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
132
Literatuur
Richtlijn
RichtlijnScheiding
Scheidingen
enproblemen
problemenvan
vanjeugdigen
jeugdigenvoor
voorjeugdhulp
jeugdhulpen
enjeugdbescherming
jeugdbescherming//onderbouwing
onderbouwing//pagina
pagina 133
133
Aelen, F., Beuvens, D., Veggel, M. van, Ormondt, E. van, & Samson, B. (2013). Van oorlog naar vrede.
Bevrijding van scheidingstrauma met EMDR. Kind en Adolescent, 12(4), 168-176.
Algemeen Maatschappelijk werk (2010). Relatie, scheiding en omgang. Position Paper MO groep.
Alink, L., IJzendoorn, R. van, Bakermans-Kranenburg, M., Pannebakker, F., Vogels, T., & Euser, S. (2010).
Kindermishandeling 2010. Leiden: TNO
Alpert-Gillis, L. J., Pedro-Carroll, J. L., & Cowen, E. L. (1989). The Children of Divorce Intervention Program:
Development, implementation and evaluation of a program for young urban children. Journal of Consulting
and Clinical Psychology, 57, 583-589.
Amato, P. R. (2001). Children of Divorce in the 1990s: An Update of the Amato and Keith (1991) MetaAnalysis. Journal of Family Psychology, 15(3), 355-370.
Amato, P. R. (2006). Marital Discord, Divorce, and Children’s Well-Being: Results from a 20-year
Longitudinal Study of Two Generations. In Clarke-Stewart, A., & Dunn, J. (Eds.), Families Count, Effects on
Child and Adolescent Development. New York: Cambridge University Press.
Amato, P. R. (2010). Research on Divorce: Continuing trends and New Developments. Journal of Marriage
and Family, 72, 650-666.
Amato, P. R., & Cheadle, J. E. (2008). Parental Divorce, Marital Conflict, and Children’s Behavior Problems: A
Comparison of Adopted and Biological Children. Social Forces, 86(3), 1139-1162.
Amato, P. R., & Keith, B. (1991). Parental Divorce and the Well-being of Children: A Meta-Analyses.
Psychological Bulletin, 110, 26-46.
Antokolskaia, M. V., & Coenraad, L. M. (red.) (2010). Het nieuwe scheidingsrecht. Ouderschapsplan, positie van
het kind, regierechter en collaborative divorce. Den Haag: Boom Juridische uitgevers.
Anthonijsz, I., Chênevert, C., Geffen, L. van, Goorden, O., & Lange, M. de (2012). Ouderschap blijft.
Nederlands Jeugdinstituut: Utrecht.
Anthonijsz, I., Dries, H., Berg-le Clercq, T., & Chênevert, C. (2010). Verkennende studie Relatieondersteunend
aanbod Centra Jeugd en Gezin. Nederlands Jeugdinstituut: Utrecht.
Baker, A. J. L., & Ben-Ami, N. (2011). To turn a child against a parent is to turn a child against himself: The
direct and indirect effects of exposure to parental alienation strategies on self-esteem and well-being.
Journal of Divorce and Remarriage, 52(7), 472-490.
Bartelink, C., Berge, I. J. ten, Bosch, H. van den, Kamphuis, M., Koning, R., Meijer, J. P., Meuwissen, I.,
Oosteren, M. van, Rosenbrand, K., Vianen, R. T. van, & Zandberg, T. (2015b). Richtlijn Uithuisplaatsing voor
jeugdhulp en jeugdbescherming. Utrecht: Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers, Nederlands
Instituut van Psychologen, Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen.
Bartelink, C., Eijgenraam, K., & Meuwissen, I. (concept in ontwikkeling). Richtlijn Samen beslissen over
passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut, Nederlandse
Vereniging van Maatschappelijk Werkers, Nederlands Instituut van Psychologen, Nederlandse vereniging
van pedagogen en onderwijskundigen.
Berben, E. (2014). Methodiek bij de aanpak van complexe scheidingen. Utrecht: Jeugdzorg Nederland.
Beer, de. Y. (2011). De kleine gids. Mensen met een verstandelijke beperking 2011. Kluwer: Deventer.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
134
Boendermaker, L. & Ince, D.(2010). Wat werkt bij jeugdigen met gedragsstoornissen? Utrecht: Nederlands
Jeugdinstituut. Zie www.nji.nl/wat werkt.
Bolt, A. (2006). Het gezin centraal. Handboek voor ambulante hulpverleners. SWP: Amsterdam.
Boszormenyi Nagy I., Spark G. (1973) Invisible loyalties : Reciprocity in intergenerational family therapy. New
York: Brunner Mazel.
Booth, A., Scott, M., King, V., & Johnson, D. R. (2006). Post-Divorce Father-Adolescent Relationship Quality.
Paper presented at the International Conference on Children and Divorce, 24-27 July 2006, University of
East Anglia, Norwich, UK.
Bouwmeester, M., Deković, M., & Groenendaal, H. (1998). Opvoeding in Somalische vluchtelingengezinnen in
Nederland. Assen: Van Gorcum.
Bovenkerk, F. (2000). Over de Antilliaanse criminaliteit in Nederland en haar bestrijding. Delikt en delinkwent,
30 (6), 557-582.
Bremmer, P. (Red.) (2008). Kernrapport haalbaarheid (ketenbrede) informatie uitwisseling binnen de
Jeugdsector. BMC.
Buchanan, C. M., Maccoby, E., & Dornbusch, S. M. (1996). Adolescents after Divorce. London: Harvard
University Press.
Bucx, F. (Red.). (2011). Gezinsrapport 2011: Een portret van het gezinsleven in Nederland. Den Haag: SCP.
Caldwell, B. E., Woolley, S. R., & Caldwell, C. J. (2007). Preliminary estimates of cost-effectiveness for
marital therapy. Journal of Marital and Family Therapy, 33, 392-405.
Carr, A. (2006). The handbook of child and adolescent clinical psychology. Hove: Routledge. CBS (2008, 2013).
statline.cbs.nl.
Chin-A-Fat, B.E.S. (2009). Nieuw (echt)scheidingsrecht: de kloof tussen wet en praktijk. Tijdschrift FJR, 9,
217-222.
Chin-A-Fat, B.E.S. & Steketee, M. (2001). Bemiddeling in uitvoering. Evaluatie experimenten scheidings- en
omgangsbemiddeling. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Cottyn, L. (2009). Een ongewoon gezin: samen partners en niet samen ouders –hoe doe je dat? Ouderschap
& Ouderbegeleiding, 12(1), 7-17.
Cottyn, L. (2009). Conflicten tussen ouders na scheiding. Systeemtheoretische Bulletin, 27, 131-161.
Cottyn, L. (2011a). Wat heet (nog) ouderbegeleiding? Falend ouderschap en ouderbegeleiding – aandacht
voor eigen blokkades. Ouderschapskennis, 14(2), 133-154.
Cottyn, L. (2011b). Leven met andermans kind als stiefouder. Ouderschapskennis, 14(3), 205-217.
Dale, D. van, Zwikker, M., Dunnik, T., Biseling, R., & Rensen, P. (2013). Erkenningstraject interventies criteria
voor gezamenlijke kwaliteitsbeoordeling 2012-2018. Utrecht: MOVISIE, NCJ, NISB, NJi, RIVM.
Dawson-McClure, S. R., Sandler, T. N., Wolchick, S. A., & Millsap, R. A. (2004). Risk as a Moderator of the
effects of prevention programs for children from divorced families: A six year longitudinal study. Journal of
Abnormal Psychology, 32, 175-190.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
135
Decraemer, K. (2005). Werken met de dader-slachtoffer verbinding: creëren van een creatieve
therapeutische ruimte. Systeemtheoretisch Bulletin. Uitgave : 2005, XXIII:3-4, pag. 165 - 184
De Garmo, D. S., & Forgatch, M. S. (2005). Early development of delinquency within divorced families.
Evaluating a randomized preventive intervention trial. Developmental Science, 8, 229-239.
Diekmann, A., & Schmidheiny, K. (2004). Do Parents of Girls have a Higher Risk of Divorce? An Eighteen
Country Study. Journal of Marriage and the Family, 66, 651-660.
Dijk, M. van, & Prinsen, B. (2009). Opvoedingsondersteuning in het Centrum voor Jeugd en Gezin: Handreiking.
Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.
Distelbrink, M. (2000). Opvoeden zonder man: De opvoeding en ontwikkeling in Creools-Surinaamse een- en
tweeoudergezinnen in Nederland. Assen: Van Gorcum.
Distelbrink, M., & Pels, T. (2000). Opvoeding en integratie in het onderwijs. In T. Pels (red.), Opvoeding en
integratie: Een vergelijkende studie van recente onderzoeken naar gezinsopvoeding en pedagogische afstemming
tussen gezin en school (pp. 114-139). Assen: Van Gorcum.
Distelbrink, M., & Pels, T. (2012). Ouderschap versterken. Literatuurstudie over opvoeding in migrantengezinnen
en de relatie met preventieve voorzieningen. Utrecht: Verweij-Jonker Instituut.
Douglas, E. M. (2006). Mending Broken Families. Maryland: Rowman & Littlefield Publishers.
Dourleijn, E., & Dagevos, J. (red.) (2011). Vluchtelingengroepen in Nederland: Over de integratie van Afghaanse,
Iraakse, Iraanse en Somalische migranten. Den Haag: Sociaal en Cultureel planbureau (SCP).
Doek, J., & Chin-A-Fat, B. (2002). Kostenbesparing van scheidingsbemiddeling, deel II Nederland. Tijdschrift
voor Familie- en Jeugdrecht, 24, 79-84.
Dronkers, J., & Harkonen, J. (2008). The intergenerational transmission of divorce in cross-national
perspective: Results from the Fertility and Family Surveys. Population Studies, 62(3), 273-288.
Duijvestijn, P., & Noordink, T. (2013). Kinderen van gescheiden ouders in de klinische praktijk. GZPsychologie, 1, 10-16.
Dykstra, P. A. (2000). Diversiteit in gezinsvormen en levenskansen van kinderen op langere termijn.
Bevolking en Gezin, 29(2), 109-140.
Eerenbeemt, E. M. (2003). De liefdesladder. Over familie en nieuwe liefdes. Amsterdam – Antwerpen:
Archipel.
Egten, C. Van, Zeijl, E., Hoog, S. de, Nankoe, C., & Petronia, E. (2008). Gezinnen van de toekomst. Opvoeding
en opvoedingsondersteuning. Den Haag: E-Quality.
Eijk, D. van (2004). Omgang zonder verlies. Een methodiek voor omgangsbegeleiding na scheiding. Amsterdam:
Uitgeverij SWP.
Eldering, L., & Borm, J. A. (1996a). Alleenstaande Marokkaanse moeders. Utrecht: Jan van Arkel.
Eldering, L., & Borm, J. A. (1996b). Alleenstaande Hindostaanse moeders. Utrecht: Jan van Arkel.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
136
Emery, R. E. (2006). Divorcing emotions: Children’s pain, parents’ grief, and the result of a randomized trial
mediation or litigation 12 years later. Paper presented at the International Conference on Children and
Divorce, 24-27 July 2006, University of East Anglia, Norwich, UK.
Emery, R.E., Kitzmann K.M., & Waldron, M. (1999). Psychological interventions for sperated and divorced
families. In E. M. Hetherington (ed.). Coping with divorce, single parenting, and remarriage: A risk and
resiliency perspective (pp. 323-344). Mahwah, N.J.: Erlbaum.
Federatie van diensten voor geestelijke gezondheidszorg & Verbond der verzorgingsinstellingen (2007).
Kinderen als wapen en prooi in vechtscheidingssituaties. De behandeling van de ernstige psychische problemen
bij deze kinderen. Gent, Brussel: VVI-FDGG Stuurgroep Kindermishandeling.
Forgatch, M., De Garmo, D. S., & Beldavs, Z. G. (2005). An Efficacious Theory-Based Intervention for
Stepfamilies. Behavior Therapy, 36, 357-365.
Fosco, G. M., DeBoard, R. L., & Grych, J. H. (2007). Making Sense of Family Violence. European Psychologist,
12, 6-16.
Gardner, R. A. (1998). The parental alienation syndrome: A guide for mental health and legal professionals (2nd
ed.). Creskill, New Jersey: Creative Therapeutics, Inc.
Gelatt, V. A., Adler-Baeder, F., & Seeley, J. R. (2010). An Interactive Web-Based Program for Stepfamilies:
Development and Evaluation of Efficacy. Family Relations, 59, 572-586.
Geurts, E. (2009). Omgaan met signalen van ex-partners over kindermishandeling. Jeugd en CO/Kennis, 39(2),
8-18.
Geurts, E., Chênevert, C., & Anthonijsz, I. (2009). Te weinig gespecialiseerde hulp bij moeizame
hulpverlening. Inventarisatie hulpaanbod bij scheidingsproblemen. Jeugd en Co/Kennis, 3, 30-43.
Geurts, E. (2009). Omgaan met signalen van ex-partners over kindermishandeling: beoordelen en
beslissen in het heetst van de strijd. Jeugd en Co Kennis, 3 (2), 8-18.
Gijsberts, M., & Dagevos, J. (red.) (2009). Jaarrapport integratie 2009. Den Haag: Sociaal- en cultureel
planbureau.
Gilman, S. E., Kawachi, I., Fitsmaurice, G. M., & Buka, S. L. (2003). Family Disruption in Childhood and Risk
of Adult Depression. American Journal of Psychiatry, 160(5), 939-946.
Glasl, F. (2001). Help! Conflicten. Heb ik een conflict of heeft het conflict mij? Zeist: Christofoor.
Graaf, A. de (2001a). Ervaringen van kinderen met het ouderlijk gezin. Maandstatistiek van de bevolking, 49,
4, 12-15. Voorburg/Heerlen: CBS.
Graaf, A. de (2001b). Onder moeders paraplu. Ervaringen van kinderen met relaties na echtscheiding.
Demos, 17, 33-37.
Groenhujjsen, L. A. (2006). Ouderschapsplan; de vele gezichten van het belang van het kind. Amsterdam:
Uitgeverij SWP.
Grych, J. H., & Fincham, F. D. (1992). Interventions for children of divorce: Toward greater integration of
research and action. Psychological Bulletin, 111(3), 434-454.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
137
Gun, F. van der, & Jong, L. de (2006). Echtscheiding: kiezen voor het kind. In gesprek met kinderen over hun
ervaringen na de scheiding van hun ouders. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
Haterd, J. van de, Zwikker, N., Hens, H., & Uijttenboogaart, A. (2009). Gedragswetenschapper in de jeugdzorg.
Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.
Haverkort , C., Kooistra-Populier, M., & Hendrikse-Voogt (2012). Hoe maak je een succes van je nieuwe gezin?
Huizen: Uitgeverij Pica.
Haverkort, C., & Spruijt, E. (2012). Kinderen uit nieuwe gezinnen. Handboek voor school en begeleiding.
Houten: LannooCampus.
Hendriks, J. A. M. (2012). Passende contactregelingen? Maatwerk! Tijdschrift relatierecht en praktijk, 6, 255259.
Heybroek-Hessels, I., & Overgaauw, B. (2004). Samen gesteld. De dynamiek van het stiefgezin. Amsterdam:
Uitgeverij SWP.
Hofman, W. H. A. (1993). Effectief onderwijs aan allochtone leerlingen: Een empirische studie naar de invloed
van school- en klasfactoren op de loopbaan van allochtone en autochtone leerlingen in het voortgezet onderwijs.
Delft: Eburon (proefschrift Rotterdam).
Holt, S., Buckley, H., & Whelan, S. (2008). The impact of exposure to domestic violence on children and
young people: A review of the literature. Child Abuse & Neglect, 32, 797-810.
Huurre, T., Junkkari, H., & Aro, H. (2006). Long-term Psychosocial effects of parental divorce. A follow-up
study from adolescence to adulthood. European Archives of Psychiatry and Clinical Neuroscience, 256, 256263.
IJzendoorn, M. H. van, Prinzie, P., Euser, E. M., Groeneveld, M. G., Brilleslijper-Kater, S. N., Van Noortvan der Linden, A. M. T., Bakermans-Kranenburg, M. J., Juffer, F., Mesman, J., Klein- Velderman, M., &
San Martin Beuk, M. (2007). Kindermishandeling in Nederland anno 2005: De Nationale prevalentiestudie
mishandeling van kinderen en jeugdigen (NPM-2005). Leiden: Universiteit Leiden.
Ince, D. (2012). Wat werkt bij scheiding? Utrecht: Nederlands Jeugd Instituut.
Integraal Toezicht Jeugdzaken (2005). Ketens laten werken. Integraal toezichtkader jeugdzaken 0-23. Concept
toezichtkader 2006-2010. Utrecht: Inspectie Jeugdzorg.
Johnston, J. R. (2006). The psychological functioning of alienated children and their parents in custody disputing
families: a program of research. Paper presented at the International Conference on Children and Divorce,
24-27 July 2006, University of East Anglia, Norwich, UK.
Kalmijn, M. (2007). Gender Differences in the Effects of Divorce, Widowhood and Remarriage on
Intergenerational Support: Does Marriage Protect Fathers? Social Forces, 85(3), 1079-1105.
Kalmijn, M., & Dykstra, P. (2004). Onder vier ogen, contacten tussen ouders en volwassen kinderen.
Demos, 20, 80-84.
Kalmijn, M., & Graaf, P. M. de, (2000). Gescheiden vaders en hun kinderen: een empirische analyse van
voogdij en bezoekfrequentie. Bevolking en Gezin, 29, 59-84.
Kelly, J. B. (2006). Children’s Living Arrangements Following Separation and Divorce: Insights From
Empirical and Clinical Research. Family Process, 46, 35-53.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
138
Kelly, J. B., & Johnston, J. R. (2001). The alienated child. A reformulation of Parental Alienation Syndrome.
Family and Conciliation Courts Review, 39(3), 249-266.
Kinet, M. (Red.) (2010) Parentificatie. Als het kind te snel ouder wordt. Reeks Psychoanalytisch Actueel nr 13.
Antwerpen/Apeldoorn: Garant.
Kim, H. S. (2011). Consequences of Parental Divorce for Child Development. American Sociological Review,
76, 487-511.
Kinderombudsman (2014). Vechtende ouders, het kind in de knel. Adviesrapport over het verbeteren van de
positie van kinderen in vechtscheidingen. www.dekinderombudsman.nl
King, V. (2002). Parental Divorce and Interpersonal Trust in Adult Offspring. Journal of Marriage and Family,
64, 642-656.
King, V., & Heard, H. E. (1999). Nonresident Father Visitation, Parental Conflict, and Mother’s Satisfaction:
What’s Best for Child Well-being? Journal of Marriage and the Family, 61, 385-396.
King, V., & Sobolewski, J. M. (2006). Nonresidential fathers’ contributions to adolescent well-being. Journal
of Marriage and Family, 68, 537-557.
Klein Velderman, M., Pannebakker, F.D., Wolff, M.S. de, Pedro-Caroll, J.A., Kuiper, R.M., Vlasblom, E., &
Reijneveld, S.A. (2011). Child adjustment in divorced families: Can we succesfully intervene with Dutch 6- to
8-year-olds? Leiden: TNO report.
Knipscheer, J. W. & Kleber, R. J. (2004). Een interculturele entree in Altrecht. Inhoud en resultaat van een
interculturele werkwijze bij kortdurende behandeling. Utrecht: Universiteit Utrecht, Klinische Psychologie.
Kunst, A. E., Meerding, W. J., Varenik, N., Polder, J. J., & Mackenbach, J. P. (2007). Sociale verschillen in
zorggebruik en zorgkosten in Nederland 2003. Rotterdam: Erasmus MC en Bilthoven: RIVM.
LAGO (2011). Leuvens Adolescenten en Gezins Onderzoek. www.soc.kuleuven.be.
Lamers – Winkelman, F., Slot, N. W., Bijl, B., & Vijlbrief, A. C. (2007). Scholieren over Mishandeling. Den Haag:
VU Amsterdam & PiResearch, WODC, Ministerie van Justitie.
Lansford, J. E. (2009). Parental Divorce and Children’s Adjustment. Perspectives on Psychological Science, 4,
140-153.
Lawick, J. van (2012). Vechtscheidende ouders en hun kinderen. Systeemtherapie, 24 (3), 129-150
Lawick, J. van, & Visser, M. (2014). Kinderen uit de knel. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
Leon, K. (2003). Risk and protective factors in young children’s adjustment to parental divorce: A review of
the research. Family Relations, 52, 258-270.
Madden-Derdich, D. A., & Leonard, S. A. (2002). Shared Experiences, Unique Relations: Formerly Married
Mothers and Fathers’ Perceptions of Parenting and Custody After Divorce. Family Relations, 51, 37-45.
Metz, E. A., & Schulze, H. J. (2007). Relatie gescheiden ouders en hun kinderen; invloed wetswijziging 1998
onderzocht. Demos, 23, 6-9.
Ministerie van Justitie (2009). Gezag, omgang en informatie. Den Haag: Ministerie van Justitie.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
139
Ministerie van VWS (2010). Scheiding en de zorg voor de kinderen. Handreiking voor gemeenten.
Den Haag: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Ministerie van VWS (2011). Samenwerken in je de jeugdketen. Een instrument voor gegevensuitwisseling.
Den Haag: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
MO-groep Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening (2010). Algemeen Maatschappelijk Werk bij Relatie,
Scheiding en Omgang.
Molen, H. van der, S. Perreijn & M. van den Hout (2007). Klinische psychologie: theorieën en psychopathologie.
Groningen, Wolters-Noordhoff.
Monnich, H. de (2004). De gereedschapskist van de maatschappelijk werker. Handboek multimethodisch
maatschappelijk werk. Maarsen: Elsevier.
Mortelmans, D., Pasteels, I., Bracke, P., Matthijs, K., Bavel, J. van, & Van Peer C. (Eds.) (2011). Scheiding in
Vlaanderen. Leuven / Den Haag: Acco.
Mosely, D., & Mosely, N. (1998). Making your second marriage a first class succes. New York: Three Rivers
Press.
Movisie, NCJ, NISB, NJi, & RIVM (2013). Erkenningstraject interventies. Criteria voor gezamenlijke
kwaliteitsbeoordeling 2013-2018.
Nederhof, E., Belsky, J., Ormel, J., & Oldehinkel, A. (2012). Effects of divorce on Dutch boys’ and girls’
externalizing behaviour in Gene X Environment perspective: Diathesis stress or differential susceptibility
in the Dutch Tracking Adolescents’ Individual Lives Survey Study? Development and Psychopathology, 24,
929-939.
Nederlands Jeugdinstituut (2009). CAP-J, Classificatiesysteem voor de aard van de problematiek van cliënten in
de jeugdzorg. Utrecht: NJi.
Nederlands Jeugdinstituut (2009). Berichten van ex-partners over kindermishandeling. Verslag Kenniskring
kindermishandeling. Utrecht: NJi.
Nederlands Jeugdinstituut (2011). Ouderschap blijft. Utrecht: NJi.
Niekerk, M. van. (2000). De krekel en de mier: Fabels en feiten over maatschappelijke stijging van Creoolse en
Hindoestaanse Surinamers in Nederland. Amsterdam: Spinhuis.
Okma, K. (2009). Abstract Triple P module, Partnersteun.
http://www.nji.nl/nl/AbstractTriplePmodulePartnersteunOOkmaart2009.pdf
Pas, A. van der (2003). A serious case of neglect: The parental experience of childrearing. Delft: Eburon.
Pedro-Carroll, Alpert-Gillis, L. J., & Cowen, E. L. (1992). An evaluation of the efficacy of a preventive
intervention for 4th-6th grade urban children of divorce. Journal of Primary Prevention, 13, 115-130.
Pedro-Carroll, J. L., & Cowen, E. (1985). The Children of Divorce Intervention Program: An investigation of
the efficacy of a school-based intervention program. Journal of Consulting and Clinical Psychology, vol. 53(5),
603-611.
Pedro-Carroll, J. L., Sutton, S. E., & Wyman, P. A. (1999). A two-year follow-up evaluation of a preventive
intervention for young children of divorce. School Psychology review, 28, 467-476.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
140
Pels, T., Distelbrink, M., & Tan, S. (2009). Meetladder diversiteit interventies. Verhoging van bereik en
effectiviteit van interventies voor verschillende (etnische) doelgroepen. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Pels, T., & De Gruijter, M. (red.) (2005). Vluchtelingengezinnen: Opvoeding en integratie: Opvoeding en
ondersteuning in gezinnen uit Iran, Irak, Somalië en Afghanistan in Nederland. Assen: Van Gorcum.
Peris, T. S., Goeke-Morey, M.C., Cummings, E. M., & Emery, R. E. (2008). Marital conflict and support
seeking by parents in adolescence: Empirical support for the parentification construct. Journal of Family
Psychology, 22(4), 633-642.
Pinedo, M., & Vollinga, P. (2013). Aan alle gescheiden ouders. Leer kijken door de ogen van je kind. Utrecht:
A.W. Bruna Uitgevers B.V.
PON (2008). Onderzoeksinventaristie Jeugd en Gezin. Tilburg: PON (Instituut voor advies, onderzoek en
ontwikkeling in Noord-Brabant).
Prinsen, B., L’Hoir, M. P., Ruiter, M. de, Oudhof, M., Kamphuis, M., Wolff, M. de, & Alpay, L. (2013). Richtlijn
opvoedingsondersteuning voor opvoedingsvragen en lichte opvoedproblemen in de jeugdgezondheidszorg.
Utrecht / Leiden: Nederlands Jeugdinstituut / TNO.
Prinsen, B., Roelofse, E., Schuimer, I., & Mes, W. (2006). De kracht van verbinden. Coördineren van zorg op
lokaal niveau. Utrecht / Arnhem / Den Bosch / Gouda: NIZW Jeugd, Spectrum , K2 en JSO.
Programmaministerie voor Jeugd en Gezin (2007). Alle kansen voor kinderen. Programma voor jeugd en gezin
2007-2011. Den Haag: Ministerie voor Jeugd en Gezin.
Programmaministerie voor Jeugd en Gezin (2008). De kracht van het gezin. Nota Gezinsbeleid 2008. Den
Haag: Ministerie voor Jeugd en Gezin.
Programmaministerie voor Jeugd en Gezin (2009). Uit elkaar ... En de kinderen dan? http://www.
rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/brochures/2009/03/10/uit-elkaar-en-de-kinderen-dan.html
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (2012). Ontzorgen en normaliseren. Naar een sterke eerstelijns
jeugd- en gezinszorg. Den Haag: geen uitgever.
Robbers, S., Oort, F. van, Huizink, A., Verhulst, F., Beijsterveldt, C. van, Boomsma, D., & Bartels, M. (2012).
Childhood problem behaviour and parental divorce: Evidence for gene-environment interaction. Soc.
Psychiatry Psychiatr Epidemiol, 47(10), 1539-1548.
Rose, S.R. (2009). A review of effectiveness of group work with children of divorce. Social work with groups,
32:222-229, 2009.
San, M. van (1998). Stelen & steken: Delinquent gedrag van Curaçaose jongens in Nederland. Amsterdam: Het
Spinhuis.
Sandler, I., Miles, J., Cookston, J., & Braver, S. (2008). Effects of father and mother parenting on children’s
mental health in high and low conflict divorces. Family Court review, 46, 282-296.
Scholieren & Gezinnen 2014 (2014). Onderzoek door de Universiteit Utrecht onder 7703 scholieren van
9 tot en met 16 jaar. In: E.Spruijt & H. Kormos, (2014). Handboek scheiden en de kinderen. Houten: Bohn
Stafleu Van loghum.
Shaw, L. A. (2010). Divorce Mediation Outcome Research: A Meta-Analysis. Conflict Resolution Quarterly,
27(4), 447-467.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
141
Sigal, A., Sandler, I., Wolchik, S., & Braver, S. (2011). Do parent education programs promote healthy
postdivorce parenting? Critical distinctions and a review of the evidence. Family Court Review, 49, 120-139.
Spruijt, E. (2007). Scheidingskinderen. Overzicht van recent sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar de
gevolgen van ouderlijke scheiding voor kinderen en jongeren. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
Spruijt, E. (2009). Kinderen en echtscheiding. State-of-the-art. www.nwo.nl
Spruijt, E., Bredewold, J., Breunese, A., Chênevert, C., Feringa, D., Hardenberg, A., Harterink, R., Hemminga,
Y., Hindriks, E., Hoenderdos, L., Okkerse, F., Thomas, C., Wong, T., & Spruijt, S. (2005). Effecten van het volgen
van KIES: Kinderen in Echtscheiding Situatie. Utrecht, Kinder- en Jeugdstudies (www.klassenwerk.com).
Spruijt, E., & Duindam, V. (2011). Scheidingskinderen in co-oudergezinnen. Orthopedagogiek: Onderzoek en
Praktijk, 50, 379-392.
Spruijt, E., & Kormos, H. (2010). Handboek scheiden en de kinderen. Voor de beroepskracht die met
scheidingskinderen te maken heeft. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
Spruijt, E. & Kormos, H. (2014). Handboek scheiden en de kinderen. Voor de beroepskracht die met
scheidingskinderen te maken heeft, tweede, geheel herziene druk. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
Spruijt, E., Kormos, H., Burggraaf, C., & Steenweg, A. (2002). Het verdeelde kind. Utrecht: Kinder- en
jeugdstudies (www.kinderbescherming.nl).
Stathakos, P. & Roehrle, B. (2003). The effectiveness of intervention programmes for children of divorce: A
meta- analysis. International Journal of Mental health Promotion. Vol. 5 issue 1, February 2003.
Steenhof, L. (2007). Schatting van het aantal stiefgezinnen. Bevolkingstrends 55(4), 19-23. Voorburg/
Heerlen: CBS.
Steketee, M., Ex, C., Tan, S., & Kromontono, E. (2003). Jonge Antilliaanse immigranten en hun voogden:
De leefsituatie van Antilliaanse jongeren die met en zonder wettelijk gezag in Nederland verblijven. Utrecht:
Verwey-Jonker Instituut.
Stolberg, A. L., & Mahler, J. (1994). Enhancing treatment gains in a school-based intervention for childrenof
divorce through skill-training, parental involvement, and transfer procedures. Journal of Consulting and
Clinical Psychology, 62(1), 147-156.
Strous, M. (2011). Overnights and overkill: post-divorce contact for infants and toddlers. South Africa
Journal of Psychology, 41, 196-206.
Teubert, A., & Pinquart, M. (2010). The Association Between Coparenting and Child Adjustment: A MetaAnalysis. Parenting: Science and Practice, 10, 286-307.
Treffers, P. D. A., Goedhart, A. W. & Koudijs, E. (1999). Kinderen van gescheiden ouders in een kinder- en
jeugdpsychiatrische populatie. Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 54(3), 229-244.
Vanassche, S., Sodermans, A.K., & Matthijs, K. (2011). Onderzoeksrapport Adolescenten en Gezinnen 20092010. http://soc.kuleuven.be/lago.
Vanassche, S., Sodermans, A. K., & Matthijs, K. (2008). Divorce, delinquent behaviour and substance use
among adolescents: the role of parental characteristics. Paper presented at the European Divorce Network
Meeting, 18-19 September 2008, Oslo, Norway.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
142
Valk, I. van der (2013). KIES voor het kind. Effectonderzoek naar het preventieve interventieprogramma Kinderen
In Echtscheiding Situatie. Utrecht: Utrecht University.
Valk, I. van der, & Spruijt, E. (2013). Het ouderschapsplan en de effecten voor de kinderen. www.wodc.nl
Vermeij, A., Wal, J. van der, & Krooneman, P. (2005). Inventarisatie hulpaanbod bij (echt)scheiding en omgang.
Amsterdam: Regioplan.
Vink, R. M., Wolff, M. S. de, Broerse, A., & Kamphuis, M. (concept in ontwikkeling). Richtlijn
Kindermishandeling voor jeugdhulp en jeugdbescherming. Leiden: TNO/ Utrecht: Nederlandse Vereniging van
Maatschappelijk Werkers, Nederlands Instituut van Psychologen, Nederlandse vereniging van pedagogen
en onderwijskundigen.
Wallerstein, J. S., Lewis, J. M., & Blakeslee, S. (2000). The unexpected legacy of divorce: A 25 year landmark
study. New York: Hyperion.
Willems, J. (2010). Een nieuw gezin: een nieuwe kans. Gent: Witsand Uitgevers.
Winslow, E. B., Wolchick, S. A., & Sander, I. (2004). Preventive interventions for children of divorce.
Psychiatric Times, 21(2).
Wit, M. de, Moonen, X., & Douma, J. (2011). Richtlijn Effectieve Interventies LVB: Aanbevelingen voor het
ontwikkelen, aanpassen en uitvoeren van gedragsveranderende interventies voor jeugdigen met een licht
verstandelijke beperking. Utrecht: Landelijk Kenniscentrum LVG.
Wolchick, S. A., West, S. G., & Sandler, I. N. (2000). An experimental evaluation of theory-based mother and
mother-child programs for children of divorce. Journal of Consulting and Clinical Psychology , 68 (5): 843-856.
Wolchick, S. A., Sandler, I., Millsap, R., Plummer, B., Greene, S., Anderson, E., Dawson-McClure, S., Hipke, K.,
& Haine, R. (2002). Six-year follow-up of preventive interventions for children of divorce. The Journal of the
American Medical Association (JAMBA), 288 (15):1874-1881.
Yperen, T. van & van Bommel, M. (2009), Erkenning Interventies: criteria 2009-2010, Erkenningscommissie
(Jeugd) interventies.Utrecht: NJi/RIVM.
Yperen, T. van, & Dronkers, F. (2010). Programma Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming. Utrecht /
Amsterdam: NVMW, Phorza, NIP, NVO.
Yperen, T. van, Steege, M. van der, Addink, A., & Boendermaker, L. (2010). Algemeen en specifiek werkzame
factoren in de jeugdzorg: stand van de discussie. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.
Zoon, M. (2012). Wat werkt bij jeugdigen met een licht verstandelijke beperking? Utrecht: Nederlands
Jeugdinstituut. Zie www.nji.nl/watwerkt Zwikker, N., Haterd, J. van de, Hens, H., & Uijttenboogaart, A. (2009). Jeugdzorgwerker. Utrecht: Nederlands
Jeugdinstituut. Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
143
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
144
Bijlage 1
Interventies bij de
Richtlijn Scheiding en
problemen van jeugdigen
voor jeugdhulp en
jeugdbescherming
Richtlijn
RichtlijnScheiding
Scheidingen
enproblemen
problemenvan
vanjeugdigen
jeugdigenvoor
voorjeugdhulp
jeugdhulpen
enjeugdbescherming
jeugdbescherming//onderbouwing
onderbouwing//pagina
pagina 145
145
Overzicht interventies voor jeugdigen
Tabel A. Bekendste interventies in Nederland gericht op jeugdigen
Naam
Effectiviteit
Leeftijd
Ouders
jeugdige
betrokken
KIES (Kinderen in Echtscheiding Situatie)
1
8 tot 12
1
KIES (Kinderen in Echtscheiding Situatie)
-
8- en 12+
1
!JES het brugproject (Jij En Scheiding)
1
8 tot 12
2
Dappere Dino’s
1
6 tot 8
1
Zandkastelen!
1
6 tot 17
1
Begeleide Omgangs Regeling BOR
-
tot 12 jaar
3
Jonge Helden, Kameleonprogramma
-
7 tot 12
1
Kind en Echtscheiding
-
hele gezin
3
OKEE-begeleidingstraject
-
tot 17 jaar
3
Omgangshuizen
-
Tot 12 jaar
3
Kinderen scheiden ook!
-
tot 12 jaar
2
Ouderschap Blijft:
1
5+
3
Ouderschap Blijft: CJG module
-
tot 18 jaar
3
Lorentzhuis –behandeling
-
(kind- en
3
Humanitas
Samen de Zorg
Methodiekbeschrijving geïndiceerd
aanbod
partnerproblematiek (vechtscheiding)
oudergroepen)
in groepsverband
Villa Pinedo De plek voor jongeren met
-
12+
1
alle leeftijden
3
gescheiden ouders
Individueel aanbod
- Bijvoorbeeld enkele ondersteunende
gesprekken met een kindertherapeut
of het schoolmaatschappelijk werk
- Ook maatregelen zoals OTS,
uithuisplaatsing en de bijzondere
curator.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
146
Toelichting niveaus:
C. Effectiviteitsniveau Databank Effectieve Interventies:
1. Goed onderbouwd
2. Eerste aanwijzingen voor effectiviteit
3. Goede aanwijzingen voor effectiviteit
4. Sterke aanwijzingen voor effectiviteit
D. Niveau van betrekken van ouders:
1. Gedeeltelijke betrokkenheid
2. Traject voor ouders
3. Gezinsinterventie
Overzicht interventies voor ouders en gezinnen
Tabel B. Bekendste interventies in Nederland gericht op ouders en gezinnen
Naam
Effectiviteit
Cursussen voor samengestelde gezinnen (stiefgezinnen)
-
Opleiding tot Stiefplan-coach
-
Triple P Family Transitions
Onderzocht in Australië, pilotstudie
(ook voor LVB-ouders)
in Nederland uitgevoerd door het
Trimbos instituut
Ouderschap Blijft
Erkend als goed onderbouwd in de
- geïndiceerd aanbod
Databank Effectieve Interventies
- CJG-module
(DEI).
BOR-Humanitas
-
Complexe Scheidingen (OTS)
-
Ouderschap Na Scheiding (ONS)
-
Wijzer bij scheiden
-
Eigen Kracht Conferentie
-
Omgangsbemiddeling/mediation
-
Overleg scheiden (collaborative divorce)
-
EMDR (Eye Movement Desensitization and
-
Reprocessing)
Individuele gesprekken
-
(voor ex-partners samen of voor inwonende en
uitwonende ouder apart)
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
147
Overzicht relatie-ondersteunend aanbod
Tabel C. Bekendst relatie-ondersteunend aanbod in Nederland
Naam
Effectiviteit
Family Factory: De Tijd van je Leven
-
Family Life
-
Helemaal jezelf in relatie met de andere
-
partner (Gordoncursus)
Marriage Encounter (katholiek)
-
Marriage Encounter (protestants)
-
Basisweekend Protestants Marriage Encounter
Marriage Course Nederland
-
Partnersteun (Triple P-module)
-
(ook voor LVB-ouders)
EFT (Emotionally Focused Therapy)
Onderzocht in het buitenland, erkend in
internationale reviews als meest effectieve
methodiek bij relatieproblemen
EFT- Houd me vast programma
Wordt momenteel op effectiviteit onderzocht;
gebaseerd op EFT
Bron: Verkennende studie Relatie ondersteunend aanbod Centra Jeugd en Gezin (Anthonijsz, Dries,
Berg-le Clercq & Chênevert, 2010).
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
148
Beschrijving interventies gericht op jeugdigen
KIES (Kinderen In Echtscheiding Situatie; Expertise Centrum Kind en Scheiding)
Doelgroep
Kinderen van 4 tot 18 jaar en hun ouders.
Doelen
-Problemen rondom echtscheidingssituatie voorkomen en vroegtijdig signaleren door middel
van spel- en praatgroepen, en door individuele begeleiding. Jeugdigen worden geholpen om
greep op hun situatie te krijgen.
-Normaliseren van begeleiding bij scheiding voor kind en ouder d.m.v. laagdrempelig
hulpaanbod.
-Het voorkomen van problemen voor kinderen die een echtscheiding van hun ouders
meemaken en leren omgaan met de voor hen zo veranderde situatie.
-Het vroegtijdig signaleren van problemen.
-Ondersteuning in de opvoeding voor ouder en kind ten tijde van scheiding en waar scheiding
langer geleden is.
-Kennisoverdracht van scheiding op kinderen aan ouders en school.
-Begeleiding in het tot stand komen van het ouderschapsplan: kinderen hierin een stem geven.
-Coping en communicatie.
Vorm
Verschillende vormen. Het bekendst zijn de praatgroepen voor kinderen van 8 – 12 jaar: Acht
bijeenkomsten van zestig tot negentig minuten, afhankelijk van de leeftijd voor kinderen, en een
informatie- en een evaluatiebijeenkomst voor ouders. De kinderen leren de scheiding beter te
begrijpen en hun gevoelens onder woorden te brengen. Hierbij worden creatieve werkvormen
ingezet (bijvoorbeeld een rollenspel, gesprekken en opdrachten waarbij wordt gewerkt aan het
vinden van herkenning, probleemverkenning, en het zelf oplossend vermogen, grip op je eigen
leven krijgen, verwerken van de scheiding, beter communiceren met je ouders.
Beschikbaarheid
De interventie wordt in alle provincies in diverse plaatsen in Nederland uitgevoerd door speciaal
daartoe getrainde KIES-coaches bij voorkeur op scholen voor basis- en voortgezet onderwijs.
Contra-indicatie
Geen meerdere vormen van begeleiding of therapieën tegelijk. En/of indicatie dat begeleiding
voor kind en/of groep onmogelijk maakt. Mits toestemming van beide ouders.
Intensiteit en duur
Basisprogramma: Spel en praatgroep KIES voor kinderen onder leiding van 2 gecertificeerde
KIES- coaches (groepsgrootte: 7 tot 10). 8 bijeenkomsten van gemiddeld één uur.
Daarnaast is er een Informatie en evaluatie bijeenkomst voor ouders.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
149
Competenties professionals
Relevante vooropleiding en werkervaring op HBO niveau, aangevuld met KIES-Coach training.
KIES-begeleiding altijd door gecertificeerde KIES-Coach.
Opleiding en kwaliteitsbewaking: programma is vanaf 2005 overgedragen aan professionals,
met minimale voorkennis en ervaring, middels intensieve 2,5 daagse KIES-Coachtraining.
Geen train-de-trainer concept; training en certificering altijd door het Expertisecentrum Kind en
Scheiding: huiswerkopdracht, toetsing theorie en opdrachten, rollenspel.
Bij voldoende bekwaamheid certificaat.
Gecertificeerde KIES-Coach vermeld op KIES website.
KIES-groep begeleid door 2 gecertificeerde KIES-Coaches.
Meerdere nascholingen te volgen. Advies: minimaal 1x per 2 jaar.
Intervisie: Expertisecentrum Kind en Scheiding, KIES-Coaches regionaal, per mail, nascholingen.
KIES platform (netwerk); via persoonlijke inlog code relevante informatie beschikbaar voor de
KIES-Coach.
Vooraf huiswerkopdracht.
Twee en een halve dag basistraining.
Totale studiebelasting afhankelijk van reeds bestaande kennis en ervaring ± 24 uur.
Nascholingen: 1 dag.
Bij de ontwikkeling en overdracht van de programma’s wordt gebruik gemaakt van de nodige
specialisten, zoals: juristen, orthopedagogen, sociologen en trainingsacteurs.
Bijzonderheden
KIES kent naast de groepen voor 8 – 12 jarigen, ook programma’s voor 12 – 16 jarigen, en een
aantal varianten voor bijzondere groepen en voor individuele begeleiding.
Andere varianten zijn bijvoorbeeld:
-Kinderen en ouders ten tijde van de scheiding in de advocaat/scheidingsbemiddelingspraktijk
(KIES-Coach + certificaat omgangsbegeleiding)
-Individuele begeleiding van kinderen met meer specialistische zorgvragen.(KIES-Coach +
certificaat KIES Voor MIJ!)
-Het programma is ook speciaal aangepast op niveau en geschikt voor risico/zorgleerlingen
regulier onderwijs en leerlingen speciaal onderwijs (KIES-coach + certificaat bijzondere
kinderen in het regulier en speciaal onderwijs)
Laagdrempelig; op school; voor alle kinderen mogelijk, kosteloos voor ouders.
KIES individuele begeleiding en omgangsbegeleiding vergoed door zorgverzekeraar AGIS.
Meer dan 500 KIES-Coaches verspreid door heel Nederland, in alle provincies.
Onderzoek
In 2005 en 2007 vonden kleinschalige onderzoekingen plaats naar de effecten van KIES.
Daarbij werden positieve effecten vastgesteld. De interventie is opgenomen in de databank
Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut met het oordeel ‘theoretisch
goed onderbouwd’. In 2013 heeft Van der Valk de resultaten gepubliceerd van een RCT naar
de effecten van KIES voor kinderen van 8 tot en met 12 jaar. Daaruit blijkt dat het programma
sterke aanwijzingen voor effectiviteit heeft. Voor meer informatie: www.kiesvoorhetkind.nl;
www.nji.nl > Databanken > Effectieve Jeugdinterventies.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
150
!JES het brugproject (Jij En Scheiding)
Doelgroep
Kinderen van 8 tot 12 jaar, van gescheiden ouders of ouders die gaan scheiden.
Er wordt gewerkt aan een training !JES voor jongeren 12-15 jaar en 15-17 jaar.
Doelen
Nadelige effecten van echtscheiding voorkomen door ervaringen uit te wisselen en kinderen
sterker te maken door het vergroten van hun kennis en vaardigheden. Kinderen worden
handreikingen aangeboden voor het verwerken van de (vele emoties ) scheiding en het
leren omgaan met de (vele veranderingen) nieuwe situatie na de scheiding. Ouders krijgen
handvatten aangereikt, onder andere in de vorm van advies, oefening en training, waardoor zij
zich competent blijven voelen in de opvoeding van hun kinderen.
Aanleren communicatieve vaardigheden. Er wordt oplossingsgericht gewerkt: uitgaan wat al als
competentie aanwezig is, versterken wat nodig is.
Ouders: bewustwording effect scheiding op kinderen en ouderschapsreorganisatie.
Vorm
Groepsbijeenkomsten voor kinderen en voor ouders.
Beschikbaarheid
De interventie wordt onder meer aangeboden door bemiddelingsbureau Hoving & Wilbrink
en PRO, Praktijk voor Remedial teaching en Orthopedagogisch advies, beide gevestigd in
Zwolle. Verder wordt !JES het brugproject aangeboden door verschillende instellingen voor
preventief jeugdbeleid, jeugdhulpinstellingen, kinderopvanginstellingen, organisaties voor
maatschappelijke dienstverlening en Centra voor Jeugd en Gezin.
Contra-indicatie
Als kinderen en/of ouders ernstige of meervoudige problematiek ervaren is deze cursus niet
geschikt. Te denken valt aan mishandeling, verwaarlozing of aan een ernstig conflictueuze scheiding.
Indien bij kinderen sprake is van een ontwikkelingsstoornis, zoals A.S.S. of A.D.H.D. is het
in principe ook af te raden de training te volgen. Een andere contra-indicatie is als er geen
toestemming is van de verzorgende ouder.
Intensiteit en duur
Voor de kinderen 7 bijeenkomsten van anderhalf uur en een terugkommiddag.
Voor de ouders 3 bijeenkomsten.
Competenties professionals
HBO niveau en hoger.
Opleiding en kwaliteitsbewaking:
In ontwikkeling: kwaliteitscriteria worden vastgesteld gekoppeld aan uitvoering van de training/
train de trainers aanbod (NJi/Trimbos).
Evaluatie.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
151
Bijzonderheden
Toepassing op andere leeftijdsgroepen: de training voor ouders kan worden aangepast voor
kinderen die ouder zijn. Hiervoor is kennis en ervaring nodig in het omgaan met pubers en hun
ouders. Ouders van pubers of jonge adolescenten hebben andere vragen en jeugdigen reageren
anders dan jonge kinderen.
Onderzoek
De training is ontwikkeld op basis van ervaring, literatuur en onderzoek en is nog niet op
effectiviteit onderzocht. De interventie staat in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van
het Nederlands Jeugdinstituut met het oordeel ’theoretisch goed onderbouwd’. Het Trimbosinstituut doet een kleinschalig onderzoek naar de effectiviteit van de nieuw ontwikkelde training
van 2012.
Voor meer informatie:
www.wilbrinkmediation.nl; www.nji.nl > Databanken > Effectieve Jeugdinterventies.
Dappere Dino’s (Children of Divorce Intervention Program (CODIP))
Doelgroep
Dappere Dino’s is een preventieve groepstraining voor kinderen in groep 3 & 4 (6-8 jaar) van
het basisonderwijs van wie de ouders gescheiden zijn.
Doelen
De twee meest belangrijke doelstellingen van Dappere Dino’s zijn:
-Het ervaren van steun van leeftijdgenootjes die hetzelfde meemaken om zo de spanning van
de scheiding te verminderen.
-Het leren van vaardigheden in probleem oplossen zodat kinderen beter om kunnen gaan met
gevoelens na de scheiding.
Vorm
Het zijn twaalf groepssessies.
Beschikbaarheid
Dappere Dino’s wordt gegeven door een gecertificeerde Dappere Dino-trainer en een co-trainer.
De co-trainer is meestal werkzaam op een school, zoals een leerkracht, intern begeleider of
schoolmaatschappelijk werker.
Contra-indicatie
Ernstige gedragsproblemen (sterk oppositioneel, agressief of destructief gedrag) en/of ernstige
emotionele problemen die intensieve behandeling vergen (bijvoorbeeld sterk depressief of in
zichzelf gekeerd gedrag).
Een kind moet zich kunnen aanpassen aan de groepsstructuur en deel kunnen uitmaken van
de uitwisseling binnen de groep. Dit stelt eisen aan aanpassingsgedrag, impulsbeheersing en
leerbaarheid.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
152
Intensiteit en duur
12 wekelijkse sessies a 45 minuten voor een groep van 4-7 kinderen. Hoewel Dappere Dino’s
voornamelijk gericht is op kinderen worden ouders wel betrokken bij de interventie, door
middel van een intakegesprek, nieuwsbrieven, een facultatieve ouderbijeenkomst en een
eindgesprek.
Competenties professionals
Relevante vooropleiding en werkervaring op HBO niveau. Dappere Dino’s wordt gegeven door
een opgeleide trainer en een co-trainer. De co-trainer is meestal werkzaam op een school, zoals
een leerkracht, intern begeleider of schoolmaatschappelijk werk. Zo verzorgt de afdeling School
Maatschappelijk Werk van Stichting Jeugdformaat Dappere Dino’s groepen op basisscholen in de
regio Den Haag.
Opleiding en kwaliteitsbewaking
Voor het monitoren van het programma wordt standaard voorafgaand aan en na afloop van
Dappere Dino’s door ouders en trainers een vragenlijst ingevuld. Daarnaast houden trainers een
iedere bijeenkomst een logboekje bij.
Om de kwaliteit van Dappere Dino’s te borgen volgen trainers een opleiding (verzorgd door PI
Research) die bestaat uit:
-3,5 dagen scholing inclusief een terugkommiddag.
-Individuele telefonische coaching.
-Schriftelijke feedback op een DVD opname van een trainingsbijeenkomst Dappere Dino’s.
Daarnaast is er een supervisie programma voor jaarlijkse verlenging van het trainerscertificaat.
Certificaat bij 100% aanwezigheid.
-3,5 dagen scholing inclusief een terugkommiddag.
-Individuele telefonische coaching.
-Schriftelijke feedback op een DVD opname van een trainingsbijeenkomst Dappere Dino’s.
Daarnaast is er een supervisie programma voor jaarlijkse verlening van het trainerscertificaat.
Bijzonderheden
Er bestaan vier CODIP (Children of Divorce Intervention Program) modules specifiek ontwikkeld
voor kinderen van verschillende leeftijdsgroepen, totaal van vier of vijf jaar tot en met veertien
jaar. Hoewel de doelstellingen van deze CODIP leeftijdsmodules min of meer hetzelfde zijn voor
de verschillende leeftijdsgroepen, zijn de inhoud en de gebruikte interventietechnieken naar
leeftijd aangepast aan de capaciteiten van de kinderen van betreffende leeftijd.
Dappere Dino’s is een vertaling en aanpassing van CODIP voor 6-8 jarige kinderen.
De Invent groep (2005) selecteerde CODIP als een veelbelovende vroegtijdige interventie.
Het programma is in internationaal onderzoek effectief gebleken, gebaseerd op zelf-, ouderen leerkracht rapportage met betrekking tot zowel internaliserende als externaliserende
problematiek.
Onderzoek in Nederland is gedaan door TNO in een pilot bij 4 interventiegroepen met totaal 23
deelnemende kinderen (Klein Velderman e.a., 2011).
Procesevaluatie van Dappere Dino’s in Nederland laat zien dat Dappere Dino’s op een
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
153
succesvolle manier geïmplementeerd kan worden volgens groepsleiders, ouders en kinderen.
Effectonderzoek toont ook een positief beeld.
De uitkomsten van het onderzoek wezen uit dat:
-Kinderen Dappere Dino’s leuk vinden. Ze vonden het een veilige plek om over gevoelens te
praten. Ze hebben vriendjes gemaakt en/of nieuwe manieren geleerd om problemen op te
lossen.
-Ouders enthousiast zijn over Dappere Dino’s. Moeders zagen een positieve reactie bij hun
kind en vonden dat hun kind positief veranderd was na Dappere Dino’s.
-Trainers graag werken met het programma. Bovendien waren in hun vragenlijsten
sterke effecten van Dappere Dino’s te zien op het positief functioneren van de kinderen
(toegenomen) en op totale problemen van de kinderen (afgenomen).
Onderzoek
In Nederland is veranderingsonderzoek uitgevoerd in een pilot bij 4 interventiegroepen met
totaal 23 deelnemende kinderen. Procesevaluatie binnen dit onderzoek liet zien dat Dappere
Dino’s volgens groepsleiders, ouders en kinderen op een succesvolle manier geïmplementeerd
kan worden. De effectevaluatie toonde ook een positief beeld: er is een sterk effect op
positief functioneren van dekinderen en op vermindering van totaal probleemgedrag.. De
haalbaarheidsstudie is beschreven in een TNO-rapport door Klein Velderman en collega’s (2011;
TNO/CH 2011.031). Dit is te downloaden via www.tno.nl/codip.
Meer informatie: www.dapperedino.nl.
In 2015-2017 vindt een toegepast effectonderzoek plaats naar Dappere Dino’s.
Zandkastelen
Doelgroep
Primaire doelgroep: kinderen van 6 t/m 17 jaar waarvan de ouders gaan scheiden of net
gescheiden zijn. Er wordt met vier leeftijdsgroepen gewerkt: 6 en 7 jaar, 8 tot en met 10 jaar, 11
tot en met 13 jaar en 14 tot en met 17 jaar.
Secundaire doelgroep: de ouders van de deelnemende kinderen.
Doelen
Kinderen beter leren omgaan met de scheiding door in een veilige groep emoties te uiten en te
leren dat hun gevoelens niet raar zijn maar normaal. In het laatste gedeelte van de bijeenkomst
komen ouders en kinderen samen en vertellen elkaar over hun gevoelens. De volgende doelen worden nagestreefd:
-Het voorkomen of verminderen van problemen voortvloeiend uit de scheiding. De
verwerking van de scheiding op gang brengen.
-Miscommunicatie tussen ouders en kinderen zoveel mogelijk voorkomen.
-Voor ouders: voorkomen of verminderen van miscommunicatie en conflicten tussen ouders
en kinderen.
Vorm
Een eenmalige groepsbijeenkomst van een dagdeel, waarin ouders het laatste half uur
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
154
aanschuiven. Er wordt gewerkt met een werkboekje om in te schrijven en te tekenen, en met
rollenspelen.
Beschikbaarheid
Het programma wordt uitgevoerd door speciaal daartoe opgeleide coaches, verspreid over het
land. Het programma is erkend door het Nederlands Mediation Instituut.
Contra-indicatie
Problematische reacties op de scheiding of probleemgedrag veroorzaakt door de
scheiding. Indien bij kinderen sprake is van een ontwikkelingsstoornis, zoals PDD-NOS, een
gedragsstoornis, zoals ADHD, of een emotionele stoornis, is het in principe af te raden de
cursus te volgen. Er is een Zandkastelen PLUS traject in ontwikkeling, dat toegespitst is op
scheidingskinderen met een diagnose en/of scheidingskinderen uit zogenaamde Multi-problem
gezinnen.
Als één van de gezaghebbende ouders geen toestemming geeft aan het kind om deel te nemen
aan Zandkastelen.
Als geen van beide ouders bereid is actief deel te nemen aan Zandkastelen.
Intensiteit en duur
Een workshop van drie en een half uur voor de kinderen, met daaraan voorafgaand een
ouderbijeenkomst van anderhalf uur. Tijdens de laatste dertig minuten van de workshop zijn
de kinderen en ouders samen aanwezig. De kinderen krijgen de ruimte om hun boodschappen
over de scheiding te presenteren aan de ouders.
Competenties professionals
HBO werk/ denkniveau. Interesse hebben in het werken met groepen, ouders en kinderen is
een vereiste.
Opleiding en kwaliteitsbewaking
Tweedaagse training, vaste werkboekjes voor de kinderen / jongeren. Vaste ouderinformatie.
Na afloop van de training schriftelijke toets. Bij goed gevolg registratie bij de Stichting
certificering Scheidingsbegeleiding.
Deze registratie heeft een geldigheidsduur van een jaar en blijft alleen gehandhaafd wanneer de
Zandkasteelcoach de jaarlijkse netwerkbijeenkomst bijwoont, die één dagdeel in beslag neemt.
Daarnaast moet de Zandkasteelcoach kunnen aantonen dat hij/zij daadwerkelijk workshops
heeft verzorgd in het afgelopen jaar. Indien dit niet het geval is wordt de certificering
ingetrokken.
Er wordt sinds kort gebruik gemaakt van vragenlijsten, die voorafgaand aan de interventie
worden ingevuld door zowel ouders als kinderen.
Enkele weken na afloop van de interventie worden opnieuw vragenlijsten toegezonden, die
door het Scheidingsinstituut worden verwerkt en overhandigd aan de Stichting certificering
Scheidings-begeleiding.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
155
Bijzonderheden
Zandkastelen is het enige kortdurende, preventieve aanbod in Nederland.
Zandkastelen zal door haar kortdurende preventieve ondersteuning vroeg in de
scheidingsperiode ook het ontstaan van wachtlijsten bij de jeugdhulpverlening en de rechterlijke
macht kunnen verminderen.
Erkend door het NMI en ScS.
Onderzoek
In Nederland is geen onderzoek beschikbaar.
Voor meer informatie: www.zandkastelen.nl
BOR Humanitas
Doelgroep
Gescheiden ouders en een of meer kinderen tussen 0 en 12 jaar die hulp nodig hebben bij het
weer opbouwen van contact tussen kind en uitwonende ouder.
Ouders die steun kunnen gebruiken bij het maken en in stand houden van een
omgangsregeling.
Ouders die zich vrijwillig melden bij BOR Humanitas.
Ouders die gemotiveerd zijn, meewerken en afspraken nakomen.
Doel
BOR Humanitas richt zich op het begeleiden van gescheiden ouders bij het tot stand komen
van een omgangsregeling met hun kind(eren). Het belang van het kind staat daarbij voorop:
hoe sneller een goed werkende omgangsregeling tot stand komt, hoe sneller kinderen een plek
tussen hun gescheiden ouders kunnen vinden.
Het herstel van de omgang betekent een beter sociaal-emotioneel evenwicht van het kind. Uit
divers onderzoek is gebleken dat de gevolgen van geen of slecht verlopende omgang merkbaar
is in welzijn, gezondheid en leerprestaties van kinderen. Daarnaast kan een tijdige interventie
in de verstoorde omgang veel ernstiger problematiek voorkomen. Een Begeleide Omgangs
Regeling kan wegens het preventieve karakter bijdragen aan het voorkomen van criminaliteit.
Vorm
Individueel
Gescreende en goed getrainde vrijwilligers begeleiden de omgang van een ouder die geen
omgang meer heeft met zijn/haar kind na echtscheiding. De omgangsbegeleiding duurt 3
tot maximaal 6 maanden en wordt door een professional begeleid en gevolgd. De vrijwilliger
volgt een gedegen training en wordt bijgeschoold via intervisie en themabijeenkomsten. De
vrijwilligers ondersteunen vervolgens ouder en kind voorafgaand, tijdens en na een bezoek, zij
helpen de kinderen bij de overgang tussen de ouders en zij halen/brengen eventueel het kind.
Beschikbaarheid
In verschillende gemeenten in Nederland wordt BOR uitgevoerd.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
156
Onderzoek
Er is nog geen uniforme beschrijving en nog geen effectiviteitsonderzoek.
Informatie: www.borhumanitas.nl
Jonge Helden, Kameleonprogramma
Doelgroep
Het kameleonprogramma is voor kinderen van gescheiden ouders van 8 t/m 18 jaar. Vanaf
groep 5 t/m 8 basisonderwijs en voortgezet onderwijs.
Doelen
-Het voorkomen of beperken van problemen bij scheidingskinderen.
-Aanleren van coping strategieën.
-Het signaleren van problemen en adequaat doorverwijzen.
-Empoweren van scheidingskinderen en hun ouders.
-Kennisoverdracht ten aanzien van scheiding en kinderen aan ouders en school.
Vorm
Het Kameleonprogramma wordt gevolgd op school. Ze komen zes keer bij elkaar met negen of
tien kinderen die ook gescheiden ouders hebben. Dat noem je de Kameleongroep. Ze gaan er
tekenen, knutselen, praten en luisteren. Ze doen ook spelletjes en soms gaan ze naar buiten.
Meestal komen ze elke week met de Kameleongroep bij elkaar. Soms zitten er twee weken
tussen. Bijvoorbeeld als het vakantie is. Het is altijd tijdens schooltijd.
De laatste keer komen ze ook met hun vader of hun moeder erbij of allebei. Met elkaar wordt
het programma dan op een leuke manier afgesloten.
Beschikbaarheid
Het Kameleonprogramma wordt aangeboden op meerdere scholen in diverse provincies in
Nederland.
Contra-indicatie
ASS, ADHD (zonder medicatie), ernstige gedragsproblemen, zware problematiek als gevolg van
de scheiding (voor deze kinderen/jongeren is andere begeleiding nodig).
Intensiteit en duur
-Ouderavond (2 uur).
-Individuele intakes kinderen/jongeren (circa 20 minuten).
-6 bijeenkomsten van anderhalf uur. De laatste bijeenkomst op het BO sluiten ouders aan
voor een gezamenlijke afsluiting.
-Individuele eindgesprekken ouders (circa 20 minuten).
Competenties professionals
Relevante vooropleiding en werkervaring op minimaal HBO niveau, aangevuld met
gespecialiseerde trainingen/opleiding op het gebied van jeugd, rouw en scheiding.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
157
Opleiding en kwaliteitsbewaking
Alle Jonge Heldencoaches hebben een relevante vooropleiding en werkervaring op minimaal
HBO niveau, aangevuld met gespecialiseerde trainingen/opleiding op het gebied van jeugd,
rouw en scheiding.
Jaarlijks bezoeken alle coaches de intervisie dag die altijd gecombineerd wordt met een
relevante workshop in het kader van nascholing.
Startende Jonge Heldencoaches werken altijd eerst onder supervisie van een ervaren Jonge
Heldencoach.
Na afloop van een Kameleonprogramma volgt een uitgebreide evaluatie. Schriftelijk met ouders,
contactpersoon van de betreffende school, VO-deelnemers. Mondeling met circa 60% van alle
BO-deelnemers. De evaluaties meten de tevredenheid over het programma en de begeleiding
en expertise van de coaches. Daarnaast worden de veranderingen gemeten die deelnemers en
hun ouders bemerken na het volgen van het Kameleonprogramma.
Alle evaluatie-uitkomsten worden online verwerkt. Op basis van de uitkomsten worden waar
nodig programma of coaching bijgestuurd.
Bijzonderheden
Kameleonprogramma is onderdeel van een geïntegreerd project: Jonge Helden Scholenproject.
Vast onderdeel van een scholenproject is een workshop (4 uur)of interactieve lezing (2 tot
2,5 uur) ‘Omgaan met verlies’ voor het team. Een uitgebreide Jonge Helden Verdrietkoffer is
uitgangspunt van de workshop/lezing en blijft ook achter op de betreffende school.
Daarnaast kunnen scholen de volgende lotgenotenprogramma’s aanbieden: Kameleon
programma (voor scheidingskinderen) en/of Sterprogramma (voor kinderen/jongeren die een
gezinslid verloren door de dood)
Daarnaast kunnen basisscholen optioneel de ouderthema-avond Klein verdriet groot verdriet
aanbieden aan alle ouders van een school. Thema: kinderen en verlies. Het thema scheiding
neemt een prominente plek in op deze avond.
Onderzoek
Alle kinderen die hebben meegedaan met een Kameleonprogramma op school, vonden het heel
erg leuk. Ze geven het programma het cijfer 8,8, bijna een 9 dus.
Kinderen die hebben meegedaan voelen zich daarna vrolijker, minder verdrietig en minder boos.
Het werken op school gaat vaak beter en ze hebben minder ruzie met andere kinderen.
www.stichtingjongehelden.nl.
Kind en Echtscheiding: Samen de Zorg
Doelgroep
Het programma Samen de Zorg van de Alera Groep is bedoeld om het gehele gezin in de
scheidingsituatie te begeleiden. Doelgroep zijn gezinnen in scheidingssituaties.
Doel
De beleving van het kind in de scheidingssituatie onderzoeken en komen tot een goede
verdeling van de zorg voor en opvoeding van het kind.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
158
Vorm
Ouders worden door een mediator – een advocaat of een scheidingsbemiddelaar – verwezen
naar de interventie. De ‘familiedeskundige’, een door de Alera Groep getrainde hulpverlener,
verzamelt informatie over het kind via de school en heeft diverse gesprekken met het kind
en de ouders. De familiedeskundige kan gedurende de scheiding een rol blijven spelen in de
ondersteuning van het ouderschapsplan.
Beschikbaarheid
De interventie is beschikbaar in verschillende regio’s waar mediators samenwerken met door de
Alera Groep getrainde familiedeskundigen.
Onderzoek
Geen onderzoek beschikbaar.
Meer informatie:
www.kindenechtscheiding.nl.
OKEE-begeleidingstrajecten: Ouders Kinderen En (Echt-)scheiding
Doelgroep
Primaire doelgroep: kinderen van 4 t/m 17 jaar van wie de ouders gaan scheiden of net
gescheiden zijn. Er wordt met vijf leeftijdsgroepen gewerkt: 4 en 5 jaar, 6 en 7 jaar, 8 tot en met
10 jaar, 11 tot en met 13 jaar en 14 tot en met 17 jaar.
Secundaire doelgroep: de ouders van de deelnemende kinderen.
Doelen
Doel voor kinderen:
Het hoofddoel van het OKEE-begeleidingstraject is om kinderen en hun ouders te leren omgaan
met de scheiding en de nieuwe (thuis)situatie na de scheiding. Om dit doel te concretiseren, zijn
een aantal subdoelen opgesteld. Bijvoorbeeld acceptatie en effect van de scheiding, emoties
uiten, weerbaarheid, eigen en ouderlijke verantwoordelijkheden kennen, toekomstvisie, zicht op
eigen relaties.
Doel voor ouders:
Zicht op hun eigen aandeel en ouderlijke mogelijkheden in relatie tot de scheiding. Kennen
gevolgen van scheiding voor hun kinderen en kunnen daarmee omgaan in het belang van de
kinderen. Veilige omgeving voor de kinderen creëren, samen met de andere ouder.
Vorm
De eerste bijeenkomst is een ouderbijeenkomst. Met uitleg wat het OKEE-begeleidingstraject
inhoudt en informatie over de mogelijke gevolgen van een scheiding voor kinderen, en wat
de ouders voor hun kinderen kunnen doen. De zes kinderbijeenkomsten hebben een vaste
opbouw. Alle bijeenkomsten hebben een thema. De thema’s zijn voor alle leeftijden ongeveer
hetzelfde. De accenten worden in sommige gevallen wel anders gelegd. Thema’s zijn o.a.:
kennismaking, uitleg over scheiding, zicht op en omgaan met emoties, Gedachten Gevoelens
Gedrag-model, vriendschapsrelaties, liefdesrelaties, zelfbeeld, verantwoordelijkheden,
empowerment.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
159
De achtste bijeenkomst is voor de kinderen en hun ouders samen. Er wordt verbinding gemaakt
tussen de beleving van de kinderen en hun ouders.
Beschikbaarheid
Ontwikkeld en uitgevoerd door het Scheidingsinstituut.
Contra-indicatie
Er sprake is van ernstig agressief, sterk impulsief of sterk sociaal angstig gedrag. Ernstige of
meervoudige problematiek. Er bij kinderen sprake is van een ontwikkelingsstoornis, zoals P.D.D.NOS, een gedragsstoornis, zoals A.D.H.D. of een emotionele stoornis.
Momenteel is een OKEE PLUS traject in ontwikkeling, dat toegespitst is op scheidingskinderen
met een diagnose en/of scheidingskinderen uit zogenaamde Multi-probleem gezinnen.
Eén van de gezaghebbende ouders geen toestemming geeft aan het kind om deel te nemen aan
het begeleidingstraject.
Geen van de beide ouders actief wil deelnemen aan het begeleidingstraject.
Competenties professionals
HBO werk/ denkniveau. Relevante werkervaring op het gebied van scheidingsproblematiek.
Kennis van de basis ontwikkelingspsychologie.
Opleiding en kwaliteitsbewaking
Vierdaagse training, vaste werkbladen voor de kinderen / jongeren. Vaste ouderinformatie.
Tijdens training opbouw port folio.
Na afloop van de training schriftelijke kennistoets en presentatie van port folio.
Bij goed gevolg registratie bij de Stichting certificering Scheidingsbegeleiding.
De registratie heeft een geldigheidsduur van een jaar en blijft alleen gehandhaafd wanneer de
OKEE-coach de jaarlijkse netwerkbijeenkomst bijwoont, die één dagdeel in beslag neemt.
Daarnaast moet de OKEE-coach kunnen aantonen dat hij/zij daadwerkelijk OKEEbegeleidingstrajecten heeft verzorgd in het afgelopen jaar. Indien dit niet het geval is wordt de
certificering ingetrokken.
Er wordt sinds kort gebruik gemaakt van vragenlijsten, die voorafgaand aan de interventie
worden ingevuld door zowel ouders als kinderen.
Enkele weken na afloop van de interventie worden opnieuw vragenlijsten toegezonden, die
door het Scheidingsinstituut worden verwerkt en overhandigd aan de Stichting certificering
Scheidingsbegeleiding.
Bijzonderheden
Er wordt gewerkt met kinderen van 4 t/m 17 jaar. OKEE-begeleidingstraject wordt bij enkele
instanties op indicatie aangeboden. Erkend door het NMI en ScS.
Op de drempel van het NJi, databank effectieve jeugdinterventies.
Onderzoek
OKEE-begeleidingstraject wordt bij enkele instanties op indicatie aangeboden. Erkend door het
NMI en ScS.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
160
Op de drempel van het NJI, databank effectieve jeugdinterventies.
Meer informatie:
www.okeebegeleidingstrajecten.nl. Momenteel is een OKEE PLUS traject in ontwikkeling, dat
toegespitst is op scheidingskinderen met een probleemdiagnose en/of scheidingskinderen uit
zogenaamde Multi-probleem gezinnen.
Omganghuizen
Doelgroep
Gescheiden ouders en kinderen tot 10 jaar, soms tot 12 jaar die hulp nodig hebben bij het weer
opbouwen van contact tussen kind en uitwonende ouder.
Doel
Toewerken naar onbegeleid contact via het bieden van een veilige en neutrale plek waar kind en
uitwonende ouder elkaar onder begeleiding kunnen ontmoeten.
Vorm
Kind en ouder krijgen ondersteuning en begeleiding tijdens het weer opbouwen van de
contacten (waarbij meestal ook andere ouders en kinderen aanwezig zijn).
Bezoek onder begeleiding, waarbij het kind samen is met de uitwonende ouder. Dat kan
een omgangshuis zijn, maar ook een andere samen afgesproken locatie. Het kind wordt
geholpen bij de overgang van de ene naar de andere ouder waarbij het wordt gehaald en
gebracht. Een medewerker van de zorginstantie kan aanwezig blijven. Tevens worden er
bemiddelingsgesprekken tussen de ouders gevoerd.
Parallel hieraan kan mediation tussen de ouders plaatsvinden om hen te helpen samen een
oplossing voor hun omgangsconflict te vinden. Soms spelen ook vrijwilligers een rol bij de
begeleiding. Bezoek kan geadviseerd worden door de Raad van de Kinderbescherming of de
rechtbank.
Acht of negen ontmoetingen met een zekere regelmaat. Soms wordt de mogelijkheid van
verlenging van de hulp geboden.
Beschikbaarheid
In verschillende provincies in Nederland zijn inmiddels een of meer omgangshuizen.
Omgangshuizen zijn meestal onderdeel van of verbonden aan instellingen voor jeugdhulp en
jeugdbescherming. Daarnaast is er het omgangshuis Noord-Holland, een non-profit organisatie
dat in 2003 is ontstaan op verzoek van ouders.
Onderzoek
De moeilijke doelgroep in aanmerking genomen, laten omgangshuizen in de praktijk redelijke
resultaten zien, blijkens divers kleinschalig onderzoek. Er is nog geen uniforme beschrijving en
nog geen grootschalig effectiviteitsonderzoek.
www.echtscheiding-wijzer.nl
www.omgangskk.nl
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
161
Kinderen scheiden ook!
Doelgroep
Kinderen vanaf 5 jaar en hun ouders.
Doelen
Cognities, emoties en gedragingen van kinderen positief bijstellen door draagkracht en begrip te
vergroten, emoties te leren uiten en problemen tijdig te signaleren. Ouders krijgen steun bij de
opvoeding, gerelateerd aan aspecten rondom scheiding en mogelijkheden om hun kinderen te
ondersteunen.
Vorm
Groepsbijeenkomsten voor kinderen, met eventueel individuele begeleiding. Ouders krijgen
een groepsprogramma en oudersessies aangeboden en kunnen een scheidingsoriëntatiecursus
volgen als zij gaan scheiden of dat overwegen.
Beschikbaarheid
De interventie wordt aangeboden door de Praktijk voor opvoedondersteuning en (echt)
scheidingsbemiddeling van Gerda de Boer te Alkmaar.
Onderzoek
Het programma is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten, maar is niet op effectiviteit
onderzocht.
Voor meer informatie:
www.kinderen-echtscheiding.nl
Ouderschap Blijft: methodiekbeschrijving geïndiceerd aanbod
Doelgroep
De interventie is bedoeld voor kinderen in de leeftijd van tot 12 jaar en hun scheidende of
gescheiden ouders waarbij omgang met de uitwonende ouder niet plaatsvindt of problematisch
verloopt en dit het gevolg is van (chronische) conflicten tussen de ouders.
Doelen
Het einddoel van Ouderschap Blijft is dat het kind op regelmatige basis omgang heeft met de
uitwonende ouder, volgens door ouders overeengekomen afspraken. Onder omgang wordt
face-to-face contact tussen de uitwonende ouder en het kind verstaan.
Hierin komen de volgende subdoelen naar voren:
-Ouders communiceren in aanwezigheid van en met het kind op een niet belastende manier.
-Ouders communiceren en handelen vanuit hun positie als ouder van het kind en kunnen
hun conflicten als ex-partners beheersen. De inhoud van de communicatie is gericht op de
uitvoering en verdeling van zorg- en opvoedingstaken.
-Ouders zijn geïnformeerd over de gevolgen van ouderlijke conflicten op de ontwikkeling van
de kinderen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
162
Vorm
De structuur en opbouw van de interventie bestaat uit drie fasen:
-Fase 1: Startfase
In de eerste fase ligt de nadruk op het verkrijgen van commitment van beide ouders, het
maken van concrete afspraken en vaststellen van doelen.
-Fase 2: Omgangs- en bemiddelingsfase
Deze fase bevat twee trajecten die parallel lopen, namelijk enerzijds het op gang brengen
van de omgang en anderzijds het inzetten van de bemiddeling. De contacten tussen kind en
uitwonende ouder en de bemiddelingsgesprekken met ouders vinden om en om plaats.
-Fase 3: Afrondende fase
In deze fase kunnen ouders al meer zelfstandig richting geven aan de omgangsregeling en
wordt er toegewerkt naar een afronding. Indien ouders nog professionele begeleiding nodig
hebben, wordt doorverwezen naar een centrum voor jeugd en gezin/lokaal jeugdveld.
De totale interventie bestaat uit tweeëntwintig contacten en duurt negen maanden.
Drie maanden na het laatste begeleidingscontact vindt met ouders gezamenlijk een follow-up
gesprek plaats.
Beschikbaarheid
Naast de organisaties die Ouderschap Blijft hebben ontwikkeld Juzt, Lindenhout, Horizon,
Jeugdformaat, en Bureau Jeugdzorg Overijssel wordt de methodiek ook uitgevoerd door andere
jeugdhulpaanbieders.
Contra-indicatie
Contra-indicaties zijn:
-Ouders zijn niet bereid om gezamenlijk de bemiddelingsgesprekken te doorlopen, ondanks
dwang of drang.
-Er is een geschat risico op blijvende en/of niet hanteerbaar onveiligheid voor het kind en/of
hulpverleners, onder andere op grond van risicotaxatie.
-Onvermogen van de ouders om tot gedragsverandering te komen (voor zover dit blijkt
tijdens de screening of in de loop van de contacten) bijvoorbeeld op grond van ernstige
psychiatrische beperkingen, persoonlijkheidsproblemen, cognitieve beperkingen of door
verslavingsproblematiek.
-Tijdens de begeleide omgang kan er tussen ouder en kind niet in dezelfde taal
gecommuniceerd worden als die van de omgangsbegeleiders.
Opleiding en kwaliteitsbewaking
Ouderschap Blijft werkt met eigen trainers van de aangesloten instellingen. Trainingen kunnen
op maat geboden worden. De basistraining is zes dagdelen. In principe worden er geen
individuele hulpverleners opgeleid, maar combi’s van hulpverleners uit één of meer instellingen.
Organisaties worden daarnaast gevraagd om deel te nemen aan een Kennisnetwerk/kenniskring
(om gezamenlijk inhoudelijk kennis te delen, de methodiek door te ontwikkelen , onderzoek naar
effectiviteit en de implementatie van Ouderschap Blijft op te pakken).
,
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
163
Meer informatie
In Ouderschap Blijft wordt gebruik gemaakt van technieken uit de mediation, motiverende
gespreksvoering en oplossingsgerichte therapie om te werken aan de gebrekkige communicatie
tussen ouders en het beperkte zicht wat ouders hebben op de gevolgen van de ouderlijke
conflicten en hun ondermijnende houding naar de andere ouder op de ontwikkeling van hun
kind. Ouders leren om te handelen en communiceren vanuit hun positie als ouder en hun
conflicten als ex-partner te beheersen. Handelen in het belang van het kind wordt als centraal
thema gehanteerd. Inzet van de Session Rating Scale en netwerk analyse worden eveneens
gebruikt.
Daarnaast krijgen ouders psycho-educatie over de ontwikkeling van hun kind, over de gevolgen
van ouderconflicten en echtscheiding en over het belang van omgang. Elementen uit de
ontwikkelingspsychologie en resultaten van wetenschappelijk onderzoek vormen de basis voor
de psycho-educatie. De ontwikkelingspsychologie wordt tevens gebruikt als uitgangspunt voor
de gespreksvoering van de kinderen.
Voor meer informatie zie www.nji.nl.
De interventie is opgenomen in de Databank effectieve interventies (NJi) en is door de
Erkenningscommissie Interventies beoordeeld als goed onderbouwd.
Ouderschap Blijft, CJG module
Doelgroep
Deze methodiek is bedoeld voor:
Ouders die gaan scheiden en verwachten of ervaren dat emotionele schade op het gebied van
de partnerrelatie tot problemen kan leiden op gebied van de ouderrelatie.
Ouders die in het belang van het kind bereid en in staat zijn aan de ouderrelatie te werken.
Ouders die gaan scheiden en hulp willen bij het opstellen en uitvoeren van een
ouderschapsplan.
Ouders die bij de scheiding gekozen hebben voor co-ouderschap, maar in de praktijk merken
dat het niet soepel verloopt; het geeft conflicten en spanningen.
Ouders die regelmatig conflicten hebben door een verschil in opvoedgedrag naar hun kinderen.
Ouders die zien dat de ontwikkeling van hun kind schade ondervindt van de scheiding maar er
niet in slagen te communiceren over oplossingen.
Van kinderen in de leeftijd van 0-23 jaar. (NB in de praktijk blijkt dat jongeren tot maximaal 16
jaar bij de bemiddeling betrokken zijn.)
Doelen
Ouderschap Blijft is gericht op het verbeteren van de communicatie tussen ouders bij
echtscheiding en het komen tot goede afspraken over de zorg en opvoeding, waarbij het belang
van het kind centraal staat. Specifieke doelen:
Kunnen op eigen wijze invulling geven aan besef verantwoordelijk te zijn voor hun kind.
Kunnen elkaar erkenning geven voor wederzijdse opvoedingsdoelen.
Hebben meer zicht op het effect van hun conflicten op de ontwikkeling van kinderen.
Kunnen onderscheid maken tussen partner en ouderrelatie.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
164
Staan met elkaar stil bij de kwaliteit van de relatie.
Hebben afspraken gemaakt voor de toekomst.
Contra-indicatie
Ouders:
willen spreken over de beëindiging van hun partnerrelatie, waarbij hun focus ligt op juridisch en
financieel vlak;
met zeer ernstige psychiatrische of verslavingsproblematiek (zijn niet in staat om te reflecteren
en niet aanspreekbaar op hun denken en handelen);
die zich in een langdurende vechtscheiding bevinden, met hevig escalerende conflicten en waar
de Rechtbank bij betrokken is;
waarbij sprake is van onvermogen om tot gedragsverandering te komen;
waarbij in het gezin sprake is van actuele, blijvend en/of niet hanteerbare onveiligheid voor het
kind (dreigende geweldsituaties);
zijn niet bereid en in staat om met elkaar onder begeleiding samen een gesprek te voeren.
Opleiding en kwaliteitsbewaking
Ouderschap Blijft werkt met eigen trainers van de aangesloten instellingen. Trainingen kunnen
op maat geboden worden. De basistraining is zes dagdelen. In principe worden er geen
individuele hulpverleners opgeleid, maar combi’s van hulpverleners uit één of meer instellingen.
Organisaties worden daarnaast gevraagd om deel te nemen aan een Kennisnetwerk/kenniskring
(om gezamenlijk inhoudelijk kennis te delen, de methodiek door te ontwikkelen , onderzoek naar
effectiviteit en de implementatie van Ouderschap Blijft op te pakken).
Meer informatie
De CJG module is gebaseerd op de geïndiceerde interventie Ouderschap Blijft.
Villa Pinedo
Villa Pinedo is het eerste online platform voor jongeren met gescheiden ouders. Hier vind je info
over scheiden: verhalen van anderen, blogs, filmpjes, , foto’s en nog veel meer. Ook jij kunt hier
je verhaal kwijt. Op het forum en via de chat kun je ervaringen uitwisselen met andere jongeren
van gescheiden ouders. Buiten dat is VillaPinedo.nl dé plek waar jongeren ouders adviseren hoe
om te gaan met hun eigen kinderen tijdens de scheiding.
Stichting Villa Pinedo is een jongerenorganisatie die jongeren met gescheiden ouders een plek
biedt waar zij centraal staan.
De Stichting organiseert activiteiten voor jongeren met gescheiden ouders. Door deze
activiteiten kunnen jongeren met anderen in contact kunt komen, ervaringen uitwisselen en
elkaar advies geven. Door te praten over wat er in hun hoofd en hart omgaat, kunnen jongeren
beter leren begrijpen wat er aan de hand is en hoe zij zich voelen. Zo wil de stichting voorkomen
dat jongeren nu of later last krijgen van de actie van hun ouders.
Lees meer op www.villapinedo.nl
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
165
Individueel aanbod
Individueel aanbod
- Bijvoorbeeld enkele ondersteunende gesprekken met een kindertherapeut of het
schoolmaatschappelijk werk.
- Ook maatregelen zoals OTS, uithuisplaatsing en de bijzondere curator.
Overal in Nederland is individueel aanbod om jeugdigen met problemen voor, tijdens of na
ouderlijke scheiding te ondersteunen. Raadpleeg hiervoor het internet, het plaatselijke Centrum
voor Jeugd en Gezin of de site van de Rijksoverheid, bijvoorbeeld de brochure “Uit elkaar .... en
de kinderen dan?”
Beschrijving interventies gericht op ouders en gezinnen
Cursus voor samengestelde gezinnen (stiefgezinnen)
Doelgroep
Ouders die (gaan) samenwonen en kinderen meebrengen uit een vorige relatie
Doel
Ouders voorlichten over de relationele en pedagogische aspecten van ‘nieuwe gezinnen’.
Vorm
Een cursus voor ouders, die gedeeltelijk gaat over het opvoeden na een scheiding. De
‘gespreksgroepen’ worden door het hele land aangeboden en begeleid door professionals.
Beschikbaarheid
De cursus wordt door verschillende ggz-instellingen gegeven.
Meer informatie
www.nieuwgezin.info
Nieuw Gezin Nederland en Opleiding tot Stiefplan-Coach
Nieuw Gezin Nederland, Stichting voor Stiefgezinnen, geeft voorlichting en ondersteuning aan
ouders, kinderen en organisaties die beroepsmatig met kinderen uit nieuwe gezinnen te maken
krijgen. Voor scholen verzorgt de stichting trainingen op maat. Onder begeleiding van een
pedagoog, docent of coach worden de kenmerken en dynamiek van samengestelde gezinnen
belicht.
Er wordt ingegaan op praktijkvragen van leerkrachten. Centraal staat de vraag: welke
lesprogramma’s en didactische werkvormen kunnen aangeboden en ontwikkeld worden? Het
gaat daarbij om werkvormen waar in zowel kinderen uit nieuwe gezinnen, als kinderen uit
kerngezinnen zich kunnen herkennen. Daarbij wordt het blikveld van alle leerlingen verruimd.
Ook worden lezingen voor ouderavonden of lerarenteams aangeboden. De inhoud van een
training of lezing kan afgestemd worden op de verschillende scholen en/of samenstellingen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
166
In 2013 is Nieuw Gezin Nederland gestart met de Opleiding tot Stiefplan-Coach.
Dit programma is ontwikkeld om preventief te werken met samengestelde gezinnen of met
ouders die een samengesteld gezin gaan vormen. Het opstellen van Het Stiefplan helpt het
aantal tweede scheidingen te verminderen en door het maken van heldere afspraken wordt het
welzijn van kind en ouder bevordert.
Meer informatie:
www.stiefplan.nl
www.nieuwgezin.info
Cursus voor samengestelde gezinnen (Stiefgezinnen)
Doelgroep
Deze cursus is geschikt voor hulpverleners, werkzaam in verschillende instellingen op het gebied
van jeugdhulpverlening, het onderwijs en de GGD. Bijvoorbeeld pedagogen, psychologen,
verpleegkundigen, gezinswerkers, intensieve thuis-of gezinsbegeleiders, orthopedagogisch
medewerkers en maatschappelijk werkers.
Doel
De Noordelijke Hogeschool Leeuwarden verzorgt een tweedaagse cursus voor hulpverlening
aan nieuw samengestelde gezinnen. Er wordt ingegaan op specifieke kenmerken van nieuw
samengestelde kinderen. De onderwerpen die tijdens de cursus aanbod komen, zijn onder
andere: loyaliteit, rouw, angst, parentificatie en het gedrag dat daarvan het gevolg is.
Meer informatie
www.samengesteldegezinnen.com
Triple P Family Transitions
Doelgroep
Gericht op ouders in echtscheiding situaties die kinderen hebben in de leeftijd van 0 – 16 jaar die
milde of matige gedragsproblemen ervaren en ondersteuning bij de opvoeding nodig hebben.
Family Transitions richt zich op het herstel van de (opvoed)balans en het versterken van de
veerkracht van ouders en kinderen tijdens of na echtscheiding, door het versterken van de
competenties van de ouder.
Doelgroep:
Ouders in echtscheidingssituaties (ook voor LVB-ouders)
Van kinderen in de leeftijd van 0 – 16 jaar.
Waarbij het kind milde tot matige gedragsproblemen heeft.
Resulterend in een actuele opvoedingsvraag bij de ouder.
Doelen
Opvoedvaardigheden worden versterkt. Een positief overgangsproces en het hervinden
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
167
van de balans tussen ouders en kinderen bevorderen, door de competentie van ouders en
de veerkracht van kinderen te versterken. In gemengde groepen – ex-partners zitten niet
in dezelfde groep – werken ouders onder andere aan het verbeteren van hun opvoed- en
communicatievaardigheden en aan het omgaan met stressvolle en conflictsituaties. Specifieke
doelen:
Bevorderen dat ouders hun handelen afstemmen op het belang van hun kinderen.
Stimuleren dat ouders effectief kunnen samenwerken in de opvoeding.
Verbetering van coping vaardigheden om conflictueuze en stressvolle situaties te hanteren.
Versterking van de opvoedingsvaardigheden van ouders.
Uiteindelijk beoogt Transitions hiermee het vergroten van competenties van kinderen op
het gebied van sociale vaardigheden en taal, reguleren van emoties, vaardigheden voor het
bevorderen van onafhankelijkheid en probleemoplossingsvaardigheden.
Vorm
Een intensieve oudertraining, als uitbreiding op het kernprogramma Triple P. Triple P Transitions
is een twaalf weken durende groepsinterventie (waar alleen 1 van de ouders aan deelneemt)
op Triple-P-niveau 4 en 5, die een algemene training in opvoedstrategieën combineert met
modules gericht op communicatie, stressmanagement en conflicthantering (5 groepssessies en
3 telefonische sessies).
Triple P Family Transitions bestaat uit vijf groepssessies van circa 2 uur per sessie:
Kennis over de impact van ingrijpende gebeurtenissen als een echtscheiding.
Emotieregulatie: leren hanteren van eigen emoties en die van de kinderen.
Emotieregulatie: leren hanteren van eigen emoties en die van de kinderen.
Conflicthantering en assertief communiceren tussen ex-partners.
Goede balans tussen werk, gezin en ontspanning.
Gevolgd door Triple P niveau 4 groep:
1. Wat is positief opvoeden.
2. Gewenst gedrag stimuleren.
3. Ongewenst gedrag hanteren.
4. Risicogedrag hanteren.
Tel. sessie 5-7: Stappenplannen voor opvoeden toepassen.
8. Afsluiting programma.
In de oudercursus wordt gewerkt aan generalisatie van vaardigheden naar risicovolle situaties
met zelfregulatie van ouders als leidend principe.
Beschikbaarheid
Vanwege de positieve resultaten is de interventie onlangs vrijgegeven voor implementatie
buiten Australië. In het najaar van 2012 volgt er een pilot van dit programma in Nederland.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
168
Contra-indicatie
Er kan in overleg met de hulpverlener kijken of Transitions een geschikt aanbod voor de ouder
is en past bij zijn of haar situatie (lukt het bijvoorbeeld om 13 weken lang een programma te
volgen ?).
Intensiteit en duur
Het programma bestaat uit 13 bijeenkomsten, die wekelijks plaatsvinden. Elke bijeenkomst
duurt2 uur, met uitzondering van de telefonische gesprekken die 20 minuten per keer duren.
Competenties professionals
HBO werk/ denk niveau.
Triple P niveau 4 groep getraind.
Minimaal een Hbo-opleiding met pedagogische achtergrond:
Basiskennis op het gebied van opvoeding en ontwikkeling van kinderen.
Basisvaardigheden op het gebied van communicatie en gespreksvoering.
Basisvaardigheden in het organiseren en begeleiden van groepen.
Overige voorwaarden:
Professionals hebben in hun werk veelvuldig te maken met opvoedingsproblematiek van ouders
van kinderen van 0-16 jaar.
Binnen de werksituatie is het mogelijk om een intensieve interventie aan ouders uit te voeren
bestaande uit een reeks contactmomenten.
Opleiding en kwaliteitsbewaking
2 dagen training en halve dag accreditatie. Intervisie na training.
Bijzonderheden
Buitenlands onderzoek heeft laten zien dat Transitions positieve resultaten oplevert bij ouders
en de programmadoelen bereikt.
In Nederland is in de periode 2012-2014 een pilotstudie uitgevoerd door het Trimbos instituut.
Onderzoek
De interventie is in Australië op effectiviteit onderzocht. Onderzoek laat onder andere een
significante afname zien op het gebied van ouderlijke stress, gedragsproblemen van kinderen
en conflicten tussen partners. Positieve resultaten, hoewel minder significant, zijn ook
waarneembaar in de afname van disfunctionele opvoedingspatronen en woederegulatie van
ouders. De resultaten zijn bij de follow-up-meting nog sterker geworden.
Voor meer informatie: www.triplep-nederland.nl > Achtergronden > Speciale versies van Triple P.
BOR Humanitas
Voor beschrijving zie hiervoor ‘Interventies gericht op jeugdigen’
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
169
Complexe scheidingen
Doelgroep
De methodiek is primair gericht op de begeleiding van en ondersteuning aan onder toezicht
gestelde kinderen van wie de ontwikkeling ernstig wordt bedreigd door de strijd tussen hun
scheidende ouders. Verder kunnen personen uit het sociale netwerk (zoals stiefouders,
vriendjes, grootouders, oom, tantes, buurvrouw, schooljuf) een belangrijke steun vormen voor
de kinderen. Zij maken deel uit van de secundaire doelgroep.
Doelen
Primair doel van OTS bij complexe scheiding is om de focus weer op de jeugdige te richten en
ontwikkelingscondities voor jeugdigen voor wie de complexe scheiding van hun ouders tot een
bedreigde ontwikkeling leidt of kan leiden.
Vorm
In de methodiek handleiding en het theoretisch fundament is de doelgroep, het doel, visie, de
methodische uitgangspunten en de stappen van het werkproces in de praktijk beschreven.
Ook is beschreven wat het vraag aan randvoorwaarden (onder andere tijd en deskundigheid
professionals, omgaan met informatie). De methodiek bevat kennis, extra handvatten voor
interventies en begeleidingsmogelijkheden om succesvol deze problematiek aan te pakken.
Beschikbaarheid
De methode complexe scheidingen bestaat uit vier onderdelen: een theoretisch fundament, de
methodiekbeschrijving, bijlagen bestaande uit hulpmiddelen en instrumenten en een concept
scholingsprogramma. Via de website www.jeugdzorgnederland.nl kunnen de documenten worden
gedownload of worden besteld. Het is ontwikkeld door Jeugdzorg Nederland in samenwerking
met acht Bureaus Jeugdzorg en de William Schrikker Groep.
Competenties professionals
HBO werk/ denk niveau.
Opleiding en kwaliteitsbewaking
Er is een concept scholingsprogramma ontwikkeld.
Onderzoek
In het theoretisch fundament zijn de meest recente onderzoeksresultaten en de kennis die over
dit onderwerp bekend zijn beschreven.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
170
Ouderschap Na Scheiding
Doelgroep
Kinderen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar wiens ouders gescheiden zijn, en waarbij de ouders in
een vechtscheiding verwikkeld zijn, waardoor zij verminderd in staat zijn zorg te dragen voor het
kind, en het belang van het kind niet goed voor ogen houden. De interventie richt zich primair
op de ouders, waarbij de kinderen van 7 jaar en ouder actief betrokken worden.
Doelen
Kinderen kunnen onbelast en regelmatig contact hebben met beide ouders.
Vorm
Het traject kent een gestructureerde gefaseerde opbouw.
Er worden maximaal 10 gesprekken gevoerd. Gesprekken vinden in de regel 1 keer per twee
weken plaats. Een traject duurt gemiddeld 4 tot 6 maanden.
Het kan parallel lopen met een begeleide omgang in het omgangscentrum of een KIES-traject.
Ouderschap Na Scheiding bestaat uit drie fases: de crisisfase, de aanpassingsfase en de
groeifase.
Beschikbaarheid
De interventie wordt op dit moment uitgevoerd bij Elker Jeugd- en Opvoedhulp.
Contra-indicatie
Er kan niet gestart worden indien:
-de veiligheid van het kind en/of (één van) de ouders is onvoldoende gewaarborgd;
-de veiligheid van de bemiddelaar van Ouderschap Na Scheiding is onvoldoende
gewaarborgd;
-er sprake is van ernstige psychiatrische problemen bij (één van) de ouders, waardoor niet aan
de doelstelling van Ouderschap Na Scheiding gewerkt kan worden;
-er sprake is van ernstige verslavingsproblematiek bij (één van) de ouders, waardoor niet aan
de doelstelling van Ouderschap Na Scheiding gewerkt kan worden;
-er sprake is van ernstige verstandelijke beperking bij (één van) de ouders, waardoor niet aan
de doelen gewerkt kan worden;
-er sprake is van lopende (niet aangehouden) rechtszaken over omgang of gezag;
-er sprake is van een lopend onderzoek bij de zedenpolitie.
Intensiteit en duur
Er worden maximaal 10 gesprekken gevoerd. Gesprekken vinden in de regel 1 keer per twee
weken plaats. Een traject duurt gemiddeld 4 tot 6 maanden.
Competenties professionals
HBO werk/ denk niveau.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
171
Opleiding en kwaliteitsbewaking
Met intervisie en praktijkbegeleiding wordt de kwaliteit van de uitvoering bewaakt
Onderzoek
Er is nog geen effectonderzoek gedaan in Nederland naar deze vorm van
scheidingsbemiddeling.
In september 2014 start een effectonderzoek naar Ouderschap Na Scheiding
Wijzer bij scheiden
Doelgroep
Ouders en kinderen
Doelen
Het signaleren van scheidingsproblematiek om vervolgens ouders en kinderen succesvol te
kunnen verwijzen naar een passend aanbod . Met de komst van het gelijkwaardig ouderschap
na scheiding zijn de conflicten tussen scheidende ouders over hun kinderen toegenomen. Hun
kinderen zijn middelen in de strijd. Wat te doen als professional die met deze gezinnen te maken
heeft?
Het woord “vechtscheiding” is inmiddels een bekend (container)begrip in Nederland. Een
vechtscheiding bevat de volgende componenten:
-als de ouders ernstige conflicten voeren in de (ex)partnerposities;
-als de ouders hun ouderposities niet meer innemen;
-als de ouders het kind-perspectief niet meer vertegenwoordigen;
-als de ouders hun kind inzetten in hun onderlinge strijd met als resultaat dat dit een
negatieve invloed uitoefent op de geestelijke gezondheid van hun kind.
Vorm
Met de kennis van Wijzer bij scheiden kan je als professional voorkomen dat ouders en kinderen
in een vechtscheidingssituatie belanden. Zelfs al willen alle ouders het beste voor hun kinderen,
toch lukt het niet altijd om kinderen uit de ouderlijke strijd te houden. Wanneer kinderen
dermate klem zitten in een ouderlijke strijd kan er een in een aantal gezinnen gesproken worden
van kindermishandeling. Als professional moet je hier (voor)tijdig op in kunnen spelen. De
professional wordt door de Wijzer bij scheiden geleid door een stroomschema, het handelen en
de valkuilen in het werken met deze gezinssystemen. De training is onder andere gericht op de
gevolgen van scheiding voor kinderen, het inschatten van conflictescalatie en gespreksvoering
met conflicterende ouders.
Beschikbaarheid
De training Wijzer bij scheiden is voor professionals, die in hun praktijk (echt)scheidingsen omgangsproblematiek tegenkomen. Te denken valt aan: sociale wijkteams, jeugd- en
gezinsteams, zorgteams, medewerkers Centra Jeugd en Gezin, huisartsen, leerkrachten in het
primair en secundair onderwijs, zelfstandig gevestigde hulpverleners, tweede lijns jeugdhulp en
geestelijke gezondheidsinstellingen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
172
Voor meer informatie over de trainingen: www.logavak.nl of www.medling.nl
Onderzoek
Niet van toepassing.
Eigen Kracht-Conferentie
Een Eigen Kracht-conferentie (EK-c) biedt een gezin de gelegenheid om samen met familie en
vrienden een plan van aanpak te maken voor problemen die in een gezin spelen. De Eigen
Kracht-conferentie is een besluitvormingsproces dat uitmondt in een plan. Een onafhankelijke
coördinator van de Eigen Kracht-conferentie brengt iemands sociale netwerk bijeen – zelfs als
dat er niet meer lijkt te zijn – en organiseert de conferentie. Tijdens zo’n conferentie maakt een
coördinator samen met familie en bekenden een plan voor de toekomst.
Het idee erachter is: als je een probleem hebt in je leven dat je niet zo gemakkelijk kunt
oplossen, vraag je je sociale netwerk om met je mee te denken. Uitgangspunt is dat iedereen
een sociaal netwerk heeft. Tijdens of na een echtscheiding kunnen ouders en kinderen samen
met grootouders, andere familieleden en belangrijke personen een plan maken bijvoorbeeld
voor de verzorging en opvoeding van de kinderen.
www.eigen-kracht.nl
Omgangsbemiddeling/Mediation/overleg scheiden
Doelgroep
Ouders in scheidingssituaties of in de periode na de scheiding.
Doel
Partijen tot afspraken laten komen, op basis van respect voor elkaars wensen en mogelijkheden.
Vorm
Gesprekken tussen ouders en een mediator, vaak een advocaat of psycholoog. De interventie
kan binnen de advocatuur op eigen initiatief worden aangeboden of door de rechtbank worden
opgelegd. Bij overleg scheiden treed je in overleg om de scheiding te regelen zonder rechtszaak.
Beide partners hebben een eigen advocaat aan tafel.
Beschikbaarheid
Omgangsbemiddeling/mediation is op veel plaatsen beschikbaar bij onafhankelijke mediators/
mediation bureaus. Voor meer informatie over overleg scheiden www.overlegscheiden.com
Opleiding en kwaliteitsbewaking
Onderzoek
Er is weinig tot geen Nederlands Onderzoek naar de effecten van Mediation. In internationaal
onderzoek naar deze vorm van hulpverlening (met name gebaseerd op onderzoek in de
VS) blijken de effecten niet eenduidig door verschillen in onderzoek voor wat betreft opzet
en meetmethoden. Enkele regelmatig terugkerende uitkomsten zijn dat ouders die hebben
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
173
deelgenomen aan mediation over het algemeen meer tevreden zijn met het proces van scheiden
(Kelly, 1989 in Douglas, 2006) en er zijn voorzichtige aanwijzingen dat mediation een verbeterde
communicatie tussen scheidende ouders tot stand kan brengen (Dillon, 1996, in Douglas, 2006).
Tot slot wijst onderzoek uit dat het zeer waarschijnlijk is dat mediation een positief effect heeft
op het contact tussen kinderen en hun gescheiden vader (Emery, 2001 in Douglas, 2006).
Voor meer informatie: www.echtscheidingswijzer.nl > De wet > Mediation;
EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing)
EMDR is in 1989 door Francine Shapiro ontwikkeld om traumatische gebeurtenissen te
verwerken. Inmiddels is er steeds meer wetenschappelijke ondersteuning dat EMDR ook goed
ingezet kan worden bij andere problemen en klachten, zoals bijvoorbeeld angststoornissen, de
gevolgen van meervoudige traumatisering en chronische pijn. Ook wanneer iemand last heeft
van een negatief zelfbeeld kan EMDR als onderdeel van een behandeling worden toegepast.
www.emdr.nl
Individuele gesprekken
Individuele gesprekken
(voor ex-partners samen of voor inwonende en uitwonende ouder apart)
Beschrijving interventies gericht op relatie-ondersteuning
Family Factory: De Tijd van je Leven
Doelgroep
Ouders, met kinderen in de basisschoolleeftijd.
Doel
Inspireren en coachen bij het vormgeven aan het gezin. Bespreken van thema’s als gezinsmissie,
gezinswaarden, verbondenheid, communicatie, timemanagement, opvoed tool box, investeren
in relatie en gezin.
Vorm
Omvang programma 5 workshops (om de 2/3 weken); eventuele terugkombijeenkomst, +
extra gezinsactiviteit. Werkwijzen interactief, belevingsgericht, discussie, visieontwikkeling,
ervaringsuitwisseling, onderlinge steun en advies. Vanaf het najaar 2013 zijn de workshops niet
alleen als serie, maar ook los te organiseren.
Beschikbaarheid
In het najaar 2009 zijn er pilots gestart op CJG’s en op (brede)scholen; verder wordt er een
variant ontwikkeld voor gezinnen met een Antilliaanse achtergrond: ‘Famia Felis’.
Uitvoerder Stichting The Family Factory
Postbus 159
4100AD Culemborg
site www.familyfactory.nu
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
174
Covey, Webster Stratton, ouder coaching (zie naam De Tijd van je Leven
www.theparentcoachingacademy.com).
Onderzoek
Gereformeerde Hogeschool Zwolle is begonnen met effectonderzoek; voor verdere pilot
onderzoeken is subsidie gehonoreerd door ZonMw.
Family Life
Doelgroep
(Huwelijks)partners helpen om ‘aan de praat ’ te raken over de diverse aspecten van hun relatie;
ouders en kinderen helpen in hun communicatie en relatie met elkaar. thema’s communicatie,
conflictoplossing, seksualiteit, de plek van God.
Vorm
Weekendbijeenkomsten (o.a. Huwelijksvoorbereidingsconferentie, Love-seks-marriage
weekend). Na een korte inleiding gaan de stellen hierover met elkaar in gesprek; verder
gelegenheid voor persoonlijke gesprekken.
Deelnemers worden 6 weken na ’t weekend gebeld voor persoonlijk gesprek.
Beschikbaarheid
uitvoerder Agape FamilyLife
Postbus 271
3940AA Doorn
sites www.agape.nl
Helemaal jezelf in relatie met de andere partner (Gordon communicatietraining)
Doelgroep
Beoogde doelgroep van ouders / partners wordt nog onvoldoende bereikt; deelnemers bestaan
nu uit: vrouwen (70%) en mannen (30%) die interesse hebben in een betere omgang met
zichzelf, de ander en de kinderen; economische status vanaf MBO+ niveau; sterke motivatie om
door middel van een betere communicatie tot zelfinzicht te komen.
Doel
Inzicht in de effecten van effectief communiceren Kennis van de elementen van de Gordon
Methode. Vooraf beoogde leereffecten voor de deelnemer na afloop van de training zijn
beschreven (versie 01-10-09, 5 p.).
Vorm
10 dagdelen van 2 ½ uur, plus huiswerkopdrachten; follow up kan zijn: terugkombijeenkomst,
verdiepingsbijeenkomsten, coaching en intervisie. Thema’s zijn zelfbeeld, acceptatielijn, actief
luisteren, ik boodschappen, van wie is het probleem, overlegmethode, behoefte en waarde
botsingen. In de casuïstiek wordt geoefend met eigen ervaringen.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
175
Beschikbaarheid
Uitvoerder Stichting NET
Postbus 220, 3980 CE Bunnik
site www.gordontraining.nl
Marriage Encounter (katholiek)
Doel
Echtparen meer liefdes bekwaam maken; bewust maken van wat een man – vrouw relatie in zich
heeft aan kracht, energie en inspiratie en daardoor meer evenwichtige stabiele relaties.
Thema’s: gevoelens en hoe deze communiceren; wie ben ik?; trouwen vandaag de dag; luisteren;
verschillend zijn, hoe ga je daar mee om, tederheid, seksualiteit. Werkwijzen: 13 presentaties
met vaste thema’s; persoonlijke en gezamenlijke verwerking binnen de eigen relatie; plus
handreikingen voor thuis.
Vorm
Weekendbijeenkomsten, mogelijkheid van themagroepsvervolgbijeenkomsten.
Beschikbaarheid
Uitvoerder Stichting Marriage Encounter Nederland
p/a Eikstraat 4, 1623 LS Hoorn
site www.encounter.nl
Meer informatie
Powell, J. Liefde kan je leren. Helmond: Uitgeverij Helmond
Encounter Vlaanderen. Brieven aan jou.
Vansteenwegen, A. Liefde is een werkwoord.
Bij het 30-jarig bestaan van M.E. is een jubileumboek uitgekomen: Leliefeld, L. e. a (red.). (2006).
30 jaar RK Marriage Encounter Nederland. In eigenbeheer uitgegeven.
Marriage Encounter (protestants)/ Basis weekend Protestants Marriage Encounter
Doelen
Relatieverdieping door d.m.v. dialoog: uitwisselen van gevoelens en belevingen.
Vorm
Weekenden of midweek, met vervolg- en verdiepingsmogelijkheden.
Thema’s:
Wie ben ik?; wie zijn wij als paar?; welke invloed heeft de omgeving op onze relatie en hoe gaan
we als partners daarmee om?; hoe luister ik?; welke plaats heeft God in mijn/ons leven?; wat kan
onze liefde voor anderen betekenen?
Werkwijzen:
Twaalf presentaties: ‘theorie’, tips en persoonlijke ervaringen; -individuele schrijftijd n.a.v.
werkvragen; - uitwisseling van het geschrevene binnen het koppel. De vier echtparen/koppels
bespreken telkens de thema’s.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
176
Beschikbaarheid
Protestants Marriage Encounter p/a Dorpslaan 3, 2957 XA Nieuw Lekkerland
site www.eenwegvoorsamen.nl
Meer informatie
Oosthoek, L. Achtergrond en samenhang in het Marriage Encounter weekend.
Een weg voor samen. Mariage Encounter, z.j.
Onderzoek: Oosthoek, L. Marriage Encounter. Pastorale psychologische overwegingen.
Doctoraalscriptie.
Marriage Course Nederland
Doel
Versteviging relatie; sterkte/zwakte analyse binnen relatie
Vorm
8 groepsbijeenkomsten, met vervolg ‘APK’-avonden.
Thema’s:
Herkennen en waarderen verschillen; communiceren, conflict oplossen, vergeven/
verontschuldigen, ouders/schoonouders, goede seks, liefde in actie.
Werkwijzen:
Inleidingen, bespreken tips en opdrachten, meningsvorming, uitwisselen als stel, huiswerk.
Meer informatie
Lee, N. & S. (2004). Ik ook van jouw. Handboek bij een huwelijk. Amsterdam: Buiten en
Schipperhein.
Partnersteun (Triple P-module)
Doelgroep
De module is in beginsel ontwikkeld voor tweeouder gezinnen met relatie, aanpassings- of
communicatieproblemen (ook voor LVB-ouders).
Doelen
De module heeft als doel de onderlinge samenwerking en communicatie rond de opvoeding te
bevorderen. Nadat ouders de module hebben afgerond moeten zij in staat zijn tot:
-Het herkennen van positieve en negatieve manieren van communiceren.
-Het toepassen van positieve communicatievaardigheden.
-Het geven en ontvangen van constructieve feedback rond praktische opvoedsituaties.
-Het voeren van informele dagelijkse gesprekken om op de hoogte te blijven van wat er in het
gezin gebeurt.
-Het ondersteunen van hun opvoedpartner wanneer die het probleemgedrag van de kinderen
aanpakt.
-Het rustig bespreken van problemen en conflicten binnen het gezin en het komen tot
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
177
oplossingen waarover beide ouders tevreden zijn
-En, indien van toepassing: Het tonen van inzet tonen om hun relatie als koppel te verbeteren
(bij tweeoudergezinnen).
Vorm
3 sessies; module kan gevolgd worden na volgen Triple P, niveau 4 van 10 sessies. De module
partnersteun wordt altijd ingezet na een Triple P interventie op niveau 4: een programma
bestaande uit 10 face to face sessies waarbinnen ouders 17 opvoedvaardigheden leren die zij
kunnen toepassen om positief, prosociaal gedrag bij hun kind te bevorderen en probleemgedrag
te doen afnemen.
Thema’s:
Herkennen positieve en negatieve manieren van communiceren, toepassen
communicatievaardigheden,
geven en ontvangen constructieve feedback, ondersteunen opvoedpartner.
Werkwijzen:
Aan de veranderingsdoelen wordt gewerkt tijdens een drietal sessies. De eerste sessie richt
zich op het bevorderen van een constructieve en positieve communicatie aan de hand van een
drietal vaardigheden:
1. positieve spreek en luistergewoontes;
2. elkaar feedback geven op een opbouwende en niet veroordelende manier; en
3. b
elangstellend informeren hoe ieders dag is verlopen en hoe de kinderen zich hebben
gedragen.
De tweede sessie richt zich op het oplossen van problemen aan de hand van twee belangrijke
aspecten:
1. je partner steunen in zijn aanpak in plaats van elkaar af te vallen als het gedrag van kinderen
om correctie vraagt en
2. g
ebruik maken van probleemoplossende vaardigheden om meningsverschillen over de
opvoeding op te lossen.
In de laatste sessie wordt nogmaals aandacht besteed aan het bespreken en oplossen van
gezinsproblemen en kan ook, indien van toepassing, gewerkt worden aan het benoemen en
plannen van zorgzaam gedrag en activiteiten om de partnerrelatie te verbeteren. Afhankelijk
van de behoeften van het gezin kan meer of minder aandacht worden besteed aan de
verschillende onderdelen. De hulpverlener bepaalt wanneer de ouders voldoende vaardigheden
hebben ontwikkeld om door te gaan naar een volgend deel.
Bij voorkeur wonen beide ouders de sessies bij. Als slechts een van de ouders de sessies kan
bijwonen is het van belang dat deze ouder tijdens de eerste sessie leert hoe hij/zij het materiaal
kan delen met de opvoedpartner die niet kan deelnemen. Als slechts een partner instemt deel
te nemen aan de module, moeten de doelen aangepast worden aan de deelnemende partner
om diens eigen communicatie- en partner ondersteunende vaardigheden te ontwikkelen. In één
ouder gezinnen kan een vriend of familielid welke in nauw contact staat met de ouder en deze
ondersteunt, deelnemen aan de sessie.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
178
Beschikbaarheid
Uitvoerder Nederlands Jeugdinstituut
Triple P Nederland
PB 19221
3501DE Utrecht
sites www.triplep-nederland.nl
Onderzoek
Triple P is een evidence based methodiek gebaseerd op uitvoerig onderzoek in binnen en
buitenland (o.a. Breukelen van, 2007; Graaf de en Bohlmeijer, 2006; Sanders e.a., 2003; Sanders,
1997). Het programma levert een positieve bijdrage aan:
-Competenter opvoedingsgedrag van ouders bij het omgaan met faseproblemen en
gedragsmoeilijkheden van kinderen;
-Een positieve opvoedingsstijl die kinderen stimuleert om de vaardigheden te ontwikkelen die
zij nodig hebben om goed te kunnen functioneren;
-Een adequate disciplinering die niet schadelijk is voor kinderen en vermindering van
dwingende en negatieve opvoedingspatronen;
-Een betere communicatie tussen ouders en kinderen in alledaagse opvoedingssituaties en
een betere samenwerking tussen ouders onderling;
-Het bewerkstelligen dat ouders meer plezier beleven aan de omgang met hun kinderen en
afname van opvoedingsstress.
Bij gezinnen waar zowel opvoed als relatieproblematiek een rol speelt toont onderzoek aan
dat de inzet van de module partnersteun - na het reguliere programma Triple P niveau 4 - leidt
tot een afname in het probleemgedrag van het kind en het vijandig gedrag tussen ouders en
een toename van het probleemoplossend vermogen (Dadds e.a., 1987, Sanders et. al., 2000).
Ouders, met name moeders, voelen zich na deelname aan de module competenter in hun
opvoedrol en de positieve effecten van het programma op het probleemgedrag van het kind
houden langer stand. Een belangrijke voorwaarde is wel dat de wens tot samenwerking bij beide
ouders aanwezig is: de module partnersteun biedt geen relatietherapie maar richt zich op het
bevorderen van de communicatie in de opvoedcontext.
(Dadds e.a., 1987; Sanders e.a., 2000) geeft aan dat volgen van module leidt tot afname
probleemgedrag kind, vijandig gedrag tussen de ouders, en een toename van het
probleemoplossend vermogen; ouders, met name moeders, voelen zich na deelname
competenter in hun opvoedrol (Okma, 2009).
Bronnen
Dadds, M., e.a. (1987). Marital discord and treatment outcome in behavioral treatment of child
conduct disorders. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 55, 296-403.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
179
EFT-relatietherapie
Doel
Versteviging relatie; vermindering conflicten; vergroten van de emotionele verbondenheid in de
relatie; verbeteren van de onderlinge communicatie
Vorm
relatietherapie en gesprekken bij relatietherapeut. Verminderen van ruzies door herkennen en
stoppen van negatieve patronen; bespreken van wederzijdse onderliggende gevoelens en wensen.
Beschikbaarheid
Bij EFT-getrainde relatietherapeuten
Meer informatie
Website: www.eft.nl
Bron: Sue Johnson(2009): Houd me vast, 7 gesprekken voor een betere relatie.
EFT- Preventief relatieprogramma ‘Houd me vast’
Doel
Versteviging partnerrelatie; vermindering conflicten; vergroten van de emotionele
verbondenheid in de relatie; verbeteren van de onderlinge communicatie.
Vorm
8 bijeenkomsten van 2 uur
Thema’s:
Begrijpen van hechting i/d relatie; duivelse dialogen verminderen, pijnplekken bespreken;
stoppen negatieve patronen; houd me vast gesprekken voeren; vergeving; intimiteit en
seksualiteit; de liefde levend houden.
Werkwijze:
Gestructureerd programma met uitleg; video; in-sessie gespreksopdrachten en
gespreksopdrachten als huiswerk.
Tijdens het programma wordt het boek doorgewerkt: Sue Johnson(2009): Houd me vast, 7
gesprekken voor een betere relatie.
Beschikbaarheid
Bij therapeuten die in ‘Houd me vast’ getraind zijn.
Meer informatie
Website: www. eft.nl of www.houdmevast.nl
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
180
Bijlage 2
Evidencetabellen
Scheiding en problemen
van jeugdigen
Richtlijn
RichtlijnScheiding
Scheidingen
enproblemen
problemenvan
vanjeugdigen
jeugdigenvoor
voorjeugdhulp
jeugdhulpen
enjeugdbescherming
jeugdbescherming//onderbouwing
onderbouwing//pagina
pagina 181
181
Vragenlijsten
Zwak
Sterke aanwijzingen
voor effectiviteit
Zwak
Zwak
Spruijt & Kormos,
2010
Valk, van der, Broek,
van der, Doorn, van,
Dekovic, & Meeus,
2013
Duijvestijn, &
Noordink, 2013
Klein Velderman,
Pannebakker, Wolff
de, Pedro-Carroll,
Kuiper, Vlasblom, &
Reijneveld, 2011
Pilotstudie met vooren nameting
Delphi-studie
Randomized
Controlled Trial (RCT)
met longitudinale
metingen
Vragenlijsten
Sterkte bewijskracht Studietype
onderzoeksdesign
volgens de
criteria van de
Erkenningscommissie
Interventies
Spruijt, Bredewold,
Zwak
Breunese, Chênevert,
Feringa, Hardenberg,
Harterink,
Hemminga, Hindriks,
Hoenderdos,
Okkerse, Thomas,
Wong, & Spruijt, 2005
Bibliografische
referentie
Vragenlijsten voor
kinderen, ouders
en trainers over
problemen en
welbevinden van
kinderen.
Twee
onderzoeksrondes
met
scheidingsexperts
14 scholen zijn
in het onderzoek
getrokken,
gerandomiseerd
verdeeld in
experimentele en
controlegroep.
Schriftelijk
onderzoek met
scheidingskinderen.
50 uit de
experimentele
groep en 50 uit
de gematchte
controlegroep.
Schriftelijk
onderzoek met
scheidingskinderen.
41 uit de
experimentele
groep en 13 uit de
controlegroep.
Methodologische
kenmerken
(randomisatie,
follow-up,
representatief voor
praktijk?)
23
scheidingskinderen
van 6-8 jaar.
25
scheidingsexperts
over hun
opvattingen over
diagnostiek en
behandeling
Scheidingskinderen
van 8-12 jaar en
hun beide ouders
en de betrokken
leerkrachten
Kinderen van 8-12
jaar met gescheiden
ouders
Kinderen van 8-12
jaar met gescheiden
ouders
Onderzochte
populatie
Onderzoeken of het
Amerikaanse CODIPprogramma ook
bruikbaar is in de
Nederlandse context.
Het ontwikkelen
van een body of
knowledge voor de
hulpverlening aan
scheidingskinderen
Leidt deelname aan
het KIES-programma
tot afname van het
probleemgedrag van
scheidingkinderen
Effectiviteit van het
volgen van het KIESprogramma voor
het welbevinden en
de problemen van
scheidingkinderen
Effectiviteit van het
volgen van het KIESprogramma voor
het welbevinden en
de problemen van
scheidingkinderen
Doel v/d studie
Ouders zijn enthousiast
over het Kinderen
lieten iets minder
problemen zien. Trainers
rapporteerden opgetogen
positieve veranderingen bij
kinderen.
Scheidingskinderen zijn
gebaat bij een specifieke
benaderingswijze.
Scheidingsgerelateerde
diagnostiek is nodig.
Behandeling voor ouders:
ouderschapsreorganisatie
en conflictbeheersing. Voor
kinderen: versterking van
hun coping gedrag.
Problemen zijn verminderd
na 6 en 12 maanden. De
daling is het grootst bij
kinderen met een hoge
mate van probleemgedrag.
Het gaat beter met
kinderen die het KIESprogramma hebben
gevolgd. Hun depressieve
gevoelens nemen af en
hun agressief gedrag wordt
minder. Het lijkt er op dat
de gevolgen na een en
twee jaar nog doorwerken.
Kinderen zijn erg tevreden
na het volgen van het
programma. Zij begrijpen
de scheiding van hun
ouders beter. De band met
beide ouders wordt sterker.
Depressieve gevoelens
worden minder.
Resultaten
Evidencetabel interventies voor jeugdigen (en hun ouders)
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
182
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
183
Goede aanwijzingen
voor effectiviteit
Sterke aanwijzingen
voor effectiviteit
Matig
Redelijk
Pedro-Carroll, &
Alpert-Gillis, 1997
Bonds McClain,
Wolchik, Winslow,
Tein, Sandler, &
Millsap, 2010
Gilman, Schneider, &
Shulak, 2005
Douglas, 2006
Overzichtsstudie van
programma’s voor
kinderen in de VS.
Vragenlijstonderzoek
met voor- en
nameting
Longitudinal
Randomized
Experimental Trial
Experimenteel
opgezette studie met
voor- en nameting.
Sterkte bewijskracht Studietype
onderzoeksdesign
volgens de
criteria van de
Erkenningscommissie
Interventies
Bibliografische
referentie
Veel onderzoeken
maar meestal
nog niet van hoge
methodologische
kwaliteit.
Scheidingskinderen
van 7 – 9 jaar en
hun ouders werden
ondervraagd.
Scheidingskinderen
van 9-12 jaar die
het New Beginnings
Program volgden
werden 6 jaar lang
gevolgd.
3 groepen kinderen:
de experimentele
groep, een
gematchte
controle groep
scheidingskinderen
en een groep
kinderen uit intacte
gezinnen.
Methodologische
kenmerken
(randomisatie,
follow-up,
representatief voor
praktijk?)
Studies uit alle
Staten van de VS
60
scheidingskinderen
en hun ouders .
240 families met
adolescenten aan
het eind van het
onderzoek tussen 15
en 18 jaar.
63
scheidingskinderen
van 5 en 6 jaar oud,
en 39 kinderen uit
intacte gezinnen.
Behalve de
kinderen werden
ook leerkrachten,
ouders en trainers
ondervraagd.
Onderzochte
populatie
Effecten
onderzoeken van
programma’s voor
scheidingskinderen.
De effectiviteit
van het Kid’s
Turn programma
onderzoeken.
Het lange termijn
effect van het
volgen van het New
Beginnings Program
(programma voor
scheidingskinderen).
Effect onderzoeken
van het CODIPprogramma. Dat
beoogt om beter
om te gaan met
gevoelens en met
veranderingen in
het gezin, en het
versterken van het
coping gedrag.
Doel v/d studie
Deelnemers zijn er
tevreden. Programma’s
lijken te leiden tot een
reductie in ouderlijke
conflicten en mede
daardoor nemen de
problemen van kinderen af.
Kid’s Turn verbeterde
het welbevinden van de
kinderen, en het aantal
conflicten tussen kinderen
en hun ouders nam af.
Kinderen werden wel
sensitiever bijvoorbeeld
dat zij meer hoopten op
hereniging.
De moeder-kind relatie
verbeterde en mede
daardoor namen de
geïnternaliseerde
problemen af. Het
zelfbeeld veranderde
positief. Het programma
verbeterde de discipline
van moeder en daardoor
namen geëxternaliseerde
problemen van de
adolescenten af.
De experimentele groep
kinderen vertoonde
positieve resultaten,
de controlegroep
scheidingskinderen ging
achteruit en de groep
kinderen uit intacte
gezinnen vertoonde geen
verandering.
Resultaten
Redelijk
Goed
onderbouwd
Matig
Zwak
Chin-A-Fat, &
Steketee, 2001
Anthonijsz,
Chênevert, Van
Geffen, Goorden,
&De Lange, 2011
Sigal, Sandler,
Wolchik, & Baver,
2011
Brandon, 2006
Zwak
Knipping, &
Waaijenberg, 2009
Vragenlijstonderzoek
met voor- en
nameting.
Overzichtstudie van
15 studies uit de VS
over programma’s
voor gescheiden
ouders.
Methodiekhandleiding
voor begeleide
omgang en
bemiddeling
Analyse van 235
zaken omgangs
bemiddeling
Analyse van BOR
(Begeleide Omgangs
Regelingen)
Sterkte
Studietype
bewijskracht
onderzoeksdesign
volgens de criteria
van DEI
Bibliografische
referentie
Gescheiden en
scheidende paren
met kinderen.
Populatieonderzoek
van alle 151
trajecten voor
ouders en hun
kinderen na
scheiding.
Vragenlijstonderzoek met voor- en
nameting.
Vooral experimenten
met een voor- en
nameting en een
controlegroep.
Te onderzoeken
welke aspecten
van ouderschap na
scheiding het meest
effectief zijn voor het
opvoeden en daardoor
voor het welbevinden
van kinderen.
Hulp bieden voor
de omgang tussen
uitwonende ouder en
kind, en verbeteren
communicatie ouders.
Effecten meten van
omgangsbemiddeling.
D.m.v. door getrainde
vrijwilligers begeleide
omgang het ouders
ondersteunen bij
het maken van een
regeling.
Doel v/d studie
Random selectie van 345 gescheiden
de respondenten.
ouders.
Honderden
gescheiden ouders
en hun kinderen.
Samenwerking tussen Het aanbod van de
vijf organisaties
organisaties.
om te komen tot
een verbeterde
interventie
omgangsbegeleiding.
Representatief
voor de praktijk.
Vragenlijsten en
interviews met
bemiddelaars,
bemiddelden en
rechters.
Representatief voor
de doelstellingen
van BOR: ouders
ondersteunen in
het zelfstandig
maken van een
omgangsregeling.
Methodologische
Onderzochte
kenmerken
populatie
(randomisatie, followup, representatief
voor praktijk?)
Ouders tevreden
maar studies vaak
nog methodisch zwak.
Toch zijn er duidelijke
indicaties dat de
opvoedingsvaardigheden
van ouder verbeteren en
dat kinderen daar baar bij
hebben.
Ouders tevreden
maar studies vaak
nog methodisch zwak.
Toch zijn er duidelijke
indicaties dat de
opvoedingsvaardigheden
van ouder verbeteren en
dat kinderen daar baar bij
hebben.
Een
methodiekhandleiding
Omgangsbemiddeling
was redelijk succesvol.
Minder dan een derde
van de zaken mislukten
geheel. De overigen
maakten deelafspraken of
volledige afspraken over
de omgang.
In 74% van de gevallen
lukt het de ouders om
een omgangsregeling te
maken
Resultaten
Evidencetabel interventies voor ouders (en gezinnen)
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
184
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
185
Review van metaanalyse
Handreiking
Goede
aanwijzingen voor
effectiviteit
Eerste
aanwijzingen voor
effectiviteit
Zwak
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
Forgatch, De Garmo,
Beldavs, 2005
De Graaf, Speetjens,
Smit, De Wolff,
Tavecchio, 2008
Schuurman, 2011
Anthonijsz, e.a., 2010
Bolt, A. (2006).
Cottyn, L. (2009).
Conflicten tussen
ouders na scheiding.
Douglas, E.M. (2006).
Federatie van diensten
voor geestelijke
gezondheidszorg
v.z.w., & Verbond der
verzorgingsinstellingen
v.z.w. (2007).
Handreiking
Handboek
Overzichtsstudie
Overzicht studies
naar effecten
van Eigen Krachtconferenties
Meta-analyse van 15
studies
Randomized
experimental
longitudinal design.
Sterkte
Studietype
bewijskracht
onderzoeksdesign
volgens de criteria
van DEI
Bibliografische
referentie
Expertconsultatie
Systematische search
naar gepubliceerde
studies tussen 1980
-2006
Expertbeschrijving
Literatuurreview
Bespreking van
projecten
Selectie van 12
onderzoeken
Voor- en nametingen
van studies over
kinderen tot 11 jaar.
Voor- en nametingen
na 6, 12 en 24
maanden.
Effect meten van het
Oregon Model of
Parent Management
Training.
Doel v/d studie
nvt
Nvt
Nvt
N.v.t.
N.v.t.
Eigen Krachtconferenties in de
jeugdhulp
Nvt
Nvt
N.v.t.
N.v.t.
Deelnemers zijn ruim
tevreden. Problemen van
gezinnen verminderen, ok
in follow-up studies.
Het probleemgedrag van
kinderen verminderde,
ook in de nametingen.
Betere
opvoedingspraktijken en
afname van problemen
van kinderen thuis en op
school.
Resultaten
Handvatten bieden
Nvt
aan professionals
die te maken hebben
met ouders in (v)
echtscheidingsgevallen
Overzicht van
beleidsmatige
interventies op
het gebied van
echtscheiding
Bundelen van kennis
rondom een specifiek
thema: conflicten
tussen ouders
Handvatten bieden
aan professionals
die ambulante hulp
verlenen
elatie ondersteunend
aanbod
Beschrijven van de
opbrengsten en
effecten van Eigen
Kracht-conferenties.
Ouders van kinderen De effectiviteit
met problemen
onderzoeken van
het Triple P Positive
Parenting Program.
110 paren bestaande
uit moeder en
stiefvader, 61%
in experimentele
groep, 39% in de
controlegroep.
Methodologische
Onderzochte
kenmerken
populatie
(randomisatie, followup, representatief
voor praktijk?)
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
186
N.v.t.
Geurts, E. (2009).
Omgaan met
signalen van expartners over
kindermishandeling.
Meta-analyse
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
Ottaway, A.J. (2010).
Spruijt, E., & Kormos,
H. (2014).
Yperen, T. Van, (red).
(2010).
Zwikker, N., Haterd,
J. van de, Hens, H., &
Uijttenboogaart, A.
(2009).
Expert en
praktijkconsultatie.
Representatief voor
de praktijk
Expertconsultatie
Literatuurreview;
inclusief
kwantitatief
onderzoek
Literatuurreview
Expert en
praktijkconsultatie.
Representatief voor
de praktijk
Expertconsultatie
Methodologische
kenmerken
(randomisatie, followup, representatief
voor praktijk?)
Professionals in de
Jeugdhulp
Nvt
7703 kinderen en
jongeren tussen 9
en 16 jaar oud. In de
jaren 2006-2013.
N.v.t.
Professionals in de
Jeugdhulp
N.v.t.
Onderzochte
populatie
Nvt
Resultaten
Nvt
Vaststellen van de
Nvt
taken en competenties
van hbo’ers in de
jeugdhulp
Bundelen van kennis
rondom een specifiek
thema: effectiviteit in
de jeugdhulp
Handvatten bieden
aan professionals die
te maken hebben met
scheidingskinderen
Bundelen van kennis
rondom een specifiek
thema: gevolgen van
echtscheiding op
relatievorming van
volwassenen
Vaststellen van de taken Nvt
en competenties van
gedragswetenschappers
in de jeugdhulp
Bundelen van kennis
rondom een specifiek
thema: echtscheiding
in relatie tot
kindermishandeling
Doel v/d studie
http://www.nji.nl/nl/Databanken/Databank-Effectieve-Jeugdinterventies.
effectief volgens eerste aanwijzingen, goede aanwijzingen voor effectiviteit en sterke aanwijzingen voor effectiviteit. De beschrijving is te vinden via
Het Erkenningstraject Interventies criteria voor gezamenlijke kwaliteitsbeoordeling hanteert een aantal niveaus van effectiviteit: goed onderbouwd,
Beroepscompetentie
profiel
Handreiking
Handboek
Beroepscompetentie
profiel
Haterd, J. van de,
N.v.t.
Zwikker, N., Hens, H.,
& Uijttenboogaart, A.
(2009).
Kenniskring
Sterkte
Studietype
bewijskracht
onderzoeksdesign
volgens de criteria
van DEI
Bibliografische
referentie
Bijlage 3
Mogelijke effecten van
scheiding voor jeugdigen
naar leeftijd
Richtlijn
RichtlijnScheiding
Scheidingen
enproblemen
problemenvan
vanjeugdigen
jeugdigenvoor
voorjeugdhulp
jeugdhulpen
enjeugdbescherming
jeugdbescherming//onderbouwing
onderbouwing//pagina
pagina 187
187
Baby’s (van 0 tot 2 jaar) moeten vooral de kans krijgen om zich te hechten. Langdurig weg zijn
bij de inwonende ouder – meestal de moeder – is niet aan te raden. Enkele keren per week een
paar uur naar de uitwonende ouder is beter. Als de verstandhouding tussen de exen het toelaat,
kan vader bij de baby zijn in het huis van moeder. Overnachten op een andere plaats zonder
moeder is niet altijd aan te bevelen. Als de baby huilt wanneer vader hem meeneemt, heeft dat
soms meer te maken met angst voor de scheiding van moeder dan met weerstand tegen vader.
Communicatie tussen de ouders is belangrijk.
Mogelijke effecten en risico’s in deze ontwikkelingsfase:
-Het jonge kind heeft geen taal tot zijn beschikking en reageert op stress en spanning door
meer te huilen.
-Het kind is extra kwetsbaar. Wanneer een van de ouders niet meer thuis is en het kind iedere
week een lange reis moet maken naar een ander huis, is er sprake van een verlieservaring
die in de ontwikkeling van het kind lang kan doorwerken. Het kind voelt dat vaste ritmes
veranderen.
-Het gemis van een tweede verzorgende ouder.
-Het kind vangt ook negatieve signalen van de ouder(s) op en associeert die op onbewust
niveau met negatieve gevoelens over zichzelf.
-Het kind krijgt niet de mogelijkheid om beide ouders in gelijke mate als ouder te beleven.
-De ouder(s) zijn emotioneel minder beschikbaar, minder sensitief en minder responsief.
-Het hechtingsproces loopt risico’s.
Peuters en kleuters (van 2 tot 5 jaar) exploreren hun (kleine) wereld. Ze ontwikkelen hun
taal en zijn bezig zindelijk te worden. Meestal kunnen zij wat langer dan een paar uur van de
inwonende ouder weg zijn. Maar ten minste wekelijks contact met de uitwonende ouder en
duidelijke afspraken zijn aan te bevelen. Adviseer ouders bij slaapproblemen het overnachten
bij de uitwonende ouder liever nog even uit te stellen. Laat hen ook attent zijn op terugval in
gedrag. En raad de ouders aan hun kind zoveel mogelijk aandacht en liefde te geven.
Mogelijke effecten en risico’s in deze ontwikkelingsfase:
Peuter (van 2 tot 4 jaar)
-heeft minder kans om zich te kunnen identificeren met beide ouders in hun ouderrol;
-loopt het risico dat hij de reden van echtscheiding aan zichzelf relateert;
-wordt mogelijk ‘besmet’ door de angsten van de ouders (die zelf moeite hebben om greep te
krijgen op hun eigen, net ingestorte wereld).
Kleuter (van 4 tot 5 jaar)
-legt de schuld van de scheiding bij zichzelf;
-interpreteert het vertrek van de ene ouder als een persoonlijke afwijzing;
-uit boosheid elders;
-is bang om de andere ouder ook te verliezen;
-vertoont regressieverschijnselen;
-valt vooral terug op fantasie en magisch denken;
-heeft veel vragen over de toekomst.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
188
Basisschoolleerlingen (van 5 tot 12 jaar) hebben vooral behoefte aan duidelijkheid en
structuur. Ze zijn zich sociaal, moreel en intellectueel druk aan het ontwikkelen, en willen vaak
inspraak in de omgangsregeling. Maar de ouders moeten beslissen, en het liefst samen. Het is
wenselijk dat de ouders proberen positief of ten minste neutraal over elkaar te spreken. Contact
met de uitwonende ouder kan ook tussendoor via e-mail en telefoon. Het is belangrijk hierover
goede afspraken te maken.
Mogelijke effecten en risico’s in deze ontwikkelingsfase:
Jong basisschoolkind (van 5 tot 9 jaar)
-maakt zich zorgen om de ouder(s), gaat de ouder(s) tevreden stellen en zich aanpassen;
-prille identificatie met de ouder die het meest slachtoffer van de situatie is;
-risico op parentificatie;
-risico op slechte schoolprestaties als gevolg van een verstoring van het basale leerproces;
-eventueel schoolwisseling door echtscheiding/verhuizing midden in het basale leerproces;
-moet mogelijk stoppen met deelname aan clubs of hobby’s door financiële teruggang in het
gezin.
Ouder basisschool kind (van 9 tot 12 jaar)
-zoekt compensatie buiten het gezin;
-voelt verdriet en onbegrip omdat het ziet dat andere gezinnen nog wel intact zijn;
-voelt zich in de steek gelaten door de ouder(s);
-kan de scheiding rationeel wel begrijpen, maar emotioneel nog niet verwerken;
-verliest in geval van verhuizing vaste vriend(innet)jes;
-moet mogelijk stoppen met deelname aan clubs of hobby’s door financiële teruggang in het
gezin.
Jongeren (van 12 tot 18 jaar) willen vaak zelf bepalen hoe vaak en wanneer zij de andere ouder
zien. Overleg is nuttig, en ouders moeten bedenken dat zij verantwoordelijk blijven. Tenslotte
blijkt uit onderzoek ook dat het belangrijkste voor jeugdigen is dat ouders het met elkaar eens
zijn of worden over de regeling (Amato, 2010; Spruijt & Kormos, 2010). Daarom is het van groot
belang dat ouders het eens zijn of worden over het ouderschapsplan.
Mogelijke effecten en risico’s in deze ontwikkelingsfase:
Jonge puber (van 12 tot 14 jaar)
-emotionele verwarring;
-wendt zich vervroegd af van het gezin;
-vertoont vooral problemen als ouder(s) nieuwe relatie aangaat;
-zoekt elders steun;
-zet zich heftig af zonder compensatie;
-is geneigd partij te kiezen, polarisatie;
-verandering in eigen ontluikende seksualiteit (óf sneller, óf afhoudender);
-risico op parentificatie;
-kans op afglijden.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
189
Oudere puber (van 14 tot 18 jaar)
-schaamte;
-versterkte onzekerheid;
-boosheid;
-legt schuld bij de initiërende partij;
-versnelde losmaking van thuis;
-verlies van ontzag en respect voor ouders;
-aanpassingsproblemen;
-kans op afglijden.
Adolescent (van 18 tot 20 jaar)
-regressie;
-ongezonde reacties (bijvoorbeeld angst wegbluffen);
-overmatige aanpassing;
-compensatie;
-rationalisatie;
-ontkenning/verdringing;
-polarisatie.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
190
Bijlage 4
Enkele juridische en andere
belangrijke begrippen
Richtlijn
RichtlijnScheiding
Scheidingen
enproblemen
problemenvan
vanjeugdigen
jeugdigenvoor
voorjeugdhulp
jeugdhulpen
enjeugdbescherming
jeugdbescherming//onderbouwing
onderbouwing//pagina
pagina 191
191
Juridische begrippen
Juridisch ouderschap
De wet bepaalt wie er juridisch gezien ouder is van een minderjarig kind. Dit hoeft niet per se
overeen te komen met de biologische of sociale werkelijkheid. Ingevolge de wet is de juridische
moeder van het kind:
a) de vrouw uit wie het kind is geboren;
b)de vrouw die op het tijdstip van de geboorte van het kind is gehuwd of door een
geregistreerd partnerschap is verbonden met de vrouw uit wie het kind is geboren, indien
dit kind is verwekt door kunstmatige donorbevruchting en de benodigde verklaring is
overlegd waaruit blijkt dat de identiteit van de donor onbekend is (tenzij artikel 199, onder b
van toepassing is);
c) de vrouw die het kind heeft erkend;
d) de vrouw wier ouderschap gerechtelijk is vastgesteld; of
e) de vrouw die het kind heeft geadopteerd (artikel 1:198 BW).
De vader is:
a)de man met wie de moeder ten tijde van de geboorte van het kind is gehuwd of een
geregistreerd partnerschap is aangegaan;
b)de man wiens huwelijk of geregistreerd partnerschap met de vrouw uit wie het kind is
geboren, binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind door zijn dood is ontbonden,
zelfs indien de moeder was hertrouwd of een nieuw partnerschap had laten registreren
(behoudens enkele uitzonderingen, zie wetsartikel);
c) de man die het kind heeft erkend;
d) de man wiens vaderschap gerechtelijk is vastgesteld; of
e) de man die het kind heeft geadopteerd (artikel 1:199 BW).
Gezag
Minderjarigen staan onder gezag (artikel 1:245 BW). Het gezag kan bestaan uit ouderlijk
gezag of voogdij. Ouderlijk gezag wordt door een of beide ouders uitgeoefend. Je spreekt van
voogdij wanneer het gezag door een ander dan de ouder wordt uitgeoefend. Het gezag heeft
betrekking op de persoon van de minderjarige alsook op het bewind over zijn vermogen en
zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte. Met andere
woorden, het gezag omvat de bevoegdheid om beslissingen te nemen over de minderjarige
en zijn vermogen. Het gezag, dan wel de voogdij, omvat de plicht en het recht van de ouder/
verzorger dan wel voogd om de minderjarige op te voeden en te verzorgen (artikel 1:247 BW).
Hieronder wordt onder meer verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en
lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, maar ook de bevordering van de ontwikkeling
van de persoonlijkheid van het kind. Hoofdregel is thans dat wanneer ouder scheiden (van echt)
zij beiden (voor zover dit reeds het geval was) belast blijven met het gezag.
De juridisch ouder heeft niet per definitie het gezag. Het is mogelijk om juridisch ouder te zijn
zonder het gezag uit te oefenen over een jeugdige. De vrouw of de man die ouder wordt op de
manieren c) d) of e) heeft niet automatisch ook het gezag over de minderjarige. Dit moet apart
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
192
worden aangevraagd bij de rechtbank. Tevens is het mogelijk dat het gezag van de juridisch
moeder of vader wordt beëindigd. Dit heeft enkel gevolg voor het gezag en niet voor hun
juridisch ouderschap.
Omgang
Ouders en hun minderjarige kinderen hebben in principe recht op omgang met elkaar. In de
Nederlandse wet is dit recht op omgang geregeld in artikel 1:377a BW. Dit recht op omgang is
niet gelinkt aan het hebben van gezag. Anders gezegd: het feit dat een (juridische) ouder geen
gezag heeft over zijn minderjarige kind betekent niet dat hij dan ook geen recht op omgang
heeft. De Nederlandse wet onderscheidt twee groepen personen die recht hebben op omgang
met een minderjarig kind (en vice versa). Dit zijn (1) de juridische ouders en (2) derden die in
een nauwe persoonlijke betrekking staan tot het kind, ook wel aangeduid als personen die
‘family life’ hebben opgebouwd met het kind. Deze personen kunnen ook een omgangsregeling
aanvragen bij de rechtbank.
Informatieplicht ouders onderling
De ouder die het gezag over het minderjarige kind heeft is verplicht de niet met het gezag
belaste ouder te informeren over ‘gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon
en het vermogen van de minderjarige, en deze te raadplegen over daaromtrent te nemen
beslissingen’ (artikel 1:377b BW). Het is mogelijk om aan de rechter te verzoeken een regeling te
treffen die toeziet op de informatieplicht (over welke dingen moet geïnformeerd worden, met
welke frequentie, op welke wijze etc.).
Informatieplicht derden
Ook derden kunnen een informatieplicht hebben jegens de niet met het gezag belaste ouder
(artikel 1:377c BW). Desgevraagd dienen derden die beroepshalve beschikken over informatie
over belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van de minderjarige of diens
verzorging en opvoeding betreffen, deze informatie te verstrekken aan de niet met het gezag
belaste ouder, tenzij zij deze informatie niet op gelijke wijze zouden verschaffen aan de ouder
die wél met het gezag is belast of bij wie het kind woont, dan wel als het verschaffen van die
informatie niet in het belang is van het kind.
Bijzondere curator
In zaken over de opvoeding, verzorging of het vermogen van een kind kan een bijzondere
curator worden benoemd (artikel 1:250 BW). De bijzondere curator is een persoon die door de
rechter wordt benoemd om op te komen voor de belangen van een minderjarig kind. De rechter
benoemt de bijzondere curator alleen wanneer dit volgens hem noodzakelijk is. De rechter kan
dit doen op verzoek van de minderjarige, ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
193
Andere belangrijke begrippen
Co-ouderschap
Co-ouderschap is – in tegenstelling tot gezamenlijk gezag – geen juridisch begrip. Het betekent
dat de ouders de dagelijkse zorg voor hun kroost om beurten voor hun rekening nemen.
Meestal wordt over co-ouderschap gesproken als de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
min of meer gelijk is. Kinderen zijn dan bijvoorbeeld drie dagen bij de ene en vier dagen bij de
andere ouder, of ze wisselen per week. Maar ook allerlei andere verdelingen zijn mogelijk.
Gelijkwaardig ouderschap
De wet spreekt van gelijkwaardig ouderschap na scheiding. Dit betekent dat beide ouders het
recht en de plicht hebben om hun kind te verzorgen en op te voeden. Dat wil echter niet zeggen
dat de dagelijkse zorg- en opvoedingstaken gelijk moeten worden verdeeld. Wie wat doet en
wanneer, kunnen de ouders onderling afspreken en vastleggen in een ouderschapsplan. Hoe
dat uitpakt, heeft met allerlei factoren te maken zoals: hoe de zorg vóór de scheiding was
verdeeld, de werktijden van de ouders en de leeftijd van het kind.
Ouderschapsplan
Ouders (van een minderjarig kind) moeten aan hun verzoek tot echtscheiding of tot beëindiging
van geregistreerd partnerschap een ouderschapsplan toevoegen. Ook samenwonende ouders
met gezamenlijk gezag zijn verplicht een ouderschapsplan te maken als zij uit elkaar gaan. In dat
plan moeten in ieder geval drie wettelijk verplichte afspraken komen te staan. Deze gaan over
de zorgverdeling, de kinderalimentatie en de uitwisseling van informatie over het kind. Ouders
kunnen daarnaast ook andere afspraken vastleggen.
De wet bepaalt dat ouders hun kind betrekken bij het opstellen van het ouderschapsplan, voor
zover dit tenminste mogelijk is gezien de leeftijd en ontwikkeling van het kind. In het verzoek tot
echtscheiding of beëindiging van geregistreerd partnerschap moet vermeld zijn hoe het kind bij
het ouderschapsplan is betrokken.
Wet Bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding
Sinds 1 maart 2009 is de Wet Bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding
van kracht. Deze wet wijzigt het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering met het doel gelijkwaardig ouderschap na een scheiding te bevorderen. De
belangrijkste wijzigingen zijn de invoering van het verplichte ouderschapsplan en de afschaffing
van de flitsscheiding voor alle ouders van een minderjarig kind die een aanvraag doen voor
echtscheiding of voor de beëindiging van samenleving of geregistreerd partnerschap. Met het
ouderschapsplan wordt concreet invulling gegeven aan de in de wet opgenomen verplichting
om de ontwikkeling van de banden tussen het kind en de andere ouder te bevorderen. Het
ouderschapsplan is een onderdeel van het verzoekschrift tot echtscheiding of ontbinding van
geregistreerd partnerschap en moet in ieder geval de volgende onderwerpen regelen:
-hoe ouders de zorg- en opvoedingstaken verdelen;
-hoe ouders de verplichting tot omgang met hun kind(eren) regelen;
-hoe ouders elkaar informeren en raadplegen over belangrijke onderwerpen;
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
194
-hoe ouders de kosten van hun kind(eren) en de eventuele alimentatie voor hun kind(eren)
verdelen;
-hoe ouders de wensen van hun kind(eren) bespreken.
Verder is in de wet opgenomen dat een kind over wie de ouders gezamenlijk het gezag
uitoefenen, recht heeft op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders na
een echtscheiding, beëindiging van samenleving of geregistreerd partnerschap.
De volledige tekst van de wet is te lezen op www.overheid.nl.
Het ouderschapsonderzoek (voorheen forensische mediation)
Dit is een procesmethode die onderzoek en mediation combineert met het doel enerzijds
partijen alsnog de gelegenheid te bieden om zelf tot een (deel)oplossing van hun conflict te
geraken en anderzijds de rechter in het kader van het zogenaamde ‘deskundigenbericht’ de
informatie te verschaffen die nodig is om de gerechtelijke beslissing te nemen.
Mediation
Mediation is de interventie van een neutrale derde partij die, optredend op het verzoek van
partijen zelf of op verwijzing door een rechter, partijen behulpzaam is bij het afbakenen van het
conflict, bij het vaststellen van de behoeften en wensen van de partijen, en bij het bereiken van
een acceptabele oplossing van hun conflict.
Omgangsbegeleiding
Omgangsbegeleiding is een methode voor gescheiden gezinnen om met behulp van
professionals of getrainde vrijwilligers te komen tot een goede omgangsregeling tussen het kind
en de uitwonende ouder.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
195
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
196
Bijlage 5
Instrumenten
om PAS te meten
Richtlijn
RichtlijnScheiding
Scheidingen
enproblemen
problemenvan
vanjeugdigen
jeugdigenvoor
voorjeugdhulp
jeugdhulpen
enjeugdbescherming
jeugdbescherming//onderbouwing
onderbouwing//pagina
pagina 197
197
In de VS zijn verschillende instrumenten ontwikkeld om PAS te meten op verschillende
momenten bij verschillende personen zoals jeugdigen, moeders, vaders en leerkrachten. Een
voorbeeld van zo’n instrument is het volgende (Kelly & Johnston, 2001).
Mother’s Parenting Behaviors
Below are a list of behaviors that parents can do after separation and divorce. When you were
growing up, how likely was your MOTHER to do the following?
(Think back to about 15 years ago, when you were about ____ years old?).
0 = never;
1 = sometimes;
2 = often
My Mother
0 1 2 Was overtly angry if I was inclined to express positive feelings about my father
0 1 2 Told me that my father was responsible for the custody litigation/ abduction
0 1 2 Discussed personality/parenting flaws of my father in my presence or hearing
0 1 2 Ridiculed my father in my presence or hearing
0 1 2 Told stories about my father’s failures/violations during the marriage
0 1 2 Told stories about the history of my father’s failures as a parent
0 1 2 Blamed my father for the divorce/separation that destroyed the family
0 1 2 Gave me hostile messages to convey to my father
0 1 2 Demonstrated hostile demeaning behavior to my father in my presence/hearing
0 1 2 Suggested that my father was emotionally abusive to me as a child
0 1 2 Told me that my father loves me
0 1 2 Commented on my father’s positive attributes to me
0 1 2 Encourages me to work out my problems directly with my father
0 1 2 Conveyed the expectation that I could enjoy myself with my father
0 1 2 Intervened and stopped other family members/new partners talking negatively about
my father in my presence or hearing
0 1 2 Prepared me for and supported my access to my father
0 1 2 Became withdrawn/emotionally unavailable if I was inclined to be positive about my
father
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
198
Father’s Parenting Behaviors
Below are a list of behaviors that parents can do after separation and divorce. When you were
growing up, how likely was your FATHER to do the following?
(Think back to about 15 years ago, when you were about ____ years old?).
0 = never;
1 = sometimes;
2 = often
My Father
0 1 2 Was overtly angry if I was inclined to express positive feelings about my mother
0 1 2 Told me that my mother was responsible for the custody litigation/ abduction
0 1 2 Discussed personality/parenting flaws of my mother in my presence or hearing
0 1 2 Ridiculed my mother in my presence or hearing
0 1 2 Told stories about my mother’s failures/violations during the marriage
0 1 2 Told stories about the history of my mother’s failures as a parent
0 1 2 Blamed my mother for the divorce/separation that destroyed the family
0 1 2 Gave me hostile messages to convey to my mother
0 1 2 Demonstrated hostile demeaning behavior to my mother in my presence/hearing
0 1 2 Suggested that my mother was emotionally abusive to me as a child
0 1 2 Told me that my mother loves me
0 1 2 Commented on my mother’s positive attributes to me
0 1 2 Encourages me to work out my problems directly with my mother
0 1 2 Conveyed the expectation that I could enjoy myself with my mother
0 1 2 Intervened and stopped other family members/new partners talking negatively about
my mother in my presence or hearing
0 1 2 Prepared me for and supported my access to my mother
0 1 2 Became withdrawn/emotionally unavailable if I was inclined to be positive about my
mother
(Kelly & Johnston, 2001).
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
199
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
200
Bijlage 6
Voorbeelden van
een ouderschapsplan
Richtlijn
RichtlijnScheiding
Scheidingen
enproblemen
problemenvan
vanjeugdigen
jeugdigenvoor
voorjeugdhulp
jeugdhulpen
enjeugdbescherming
jeugdbescherming//onderbouwing
onderbouwing//pagina
pagina 201
201
Op de website van de VFAS (Vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsmediators,
www.verder-online.nl is een voorbeeld opgenomen van een ouderschapsplan. Hieronder staat
een ouderschapsplan die in de methodiek Ouderschap Blijft wordt gebruikt.
Ouderschapsplan
Algemene vragen om over na te denken:
1.Grondhouding:
-Hoe zou je willen dat.........................................................[naam kind] over een aantal jaren
terugkijkt op de scheiding?
-Wat zou.........................................................volgens jou belangrijk vinden in jouw houding als
ouder na de scheiding?
-Welke ruimte wil jij aan de andere ouder geven ten opzichte van de opvoeding
van.........................................................?
2 Omgang met..........................................................[naam kind]
-Hoe zou je graag willen dat .......................................................... jou als ouder beleeft?
-Hou zie jij jouw eigen rol als ouder?
-Hoe zie jij de rol van de andere ouder?
-Hoeveel tijd, energie en aandacht kun/wil je steken in...........................................................?
-In hoeverre ben je in staat jouw eigen woede/frustratie/teleurstelling opzij te zetten?
-Hoe doe je dat?
3. Opvoeding en praktische zaken
a.Waar maak jij je t.a.v. de gezamenlijke opvoeding het meeste zorgen over?
b. Wat vind jij belangrijk in de opvoeding van..........................................................(waarden,
normen)
c. Wat verwacht je daarin van de andere ouder?
d. Wat is volgens jou de gezamenlijke lijn?
e.Welke praktische taken als ouder zie je voor jezelf weggelegd en welke voor de andere
ouder? Bijvoorbeeld:
Kopen van kleding?
oikzelf
o andere ouder
obeiden
Halen/brengen naar clubjes?
oikzelf
o andere ouder
obeiden
Cadeautjes kopen (verjaardag, Sinterklaas, kinderfeestjes)
oikzelf
o andere ouder
obeiden
Bezoeken van dokter, tandarts, consultatiebureau e.d.
oikzelf
o andere ouder
obeiden
f. Hoe denk je over de hoogte van het zakgeld?
o We bepalen samen hoeveel........................................................... krijgt.
o Dat wil ik zelf kunnen bepalen.
o Anders namelijk:
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
202
g. Wat zijn jouw ideeën over de vakanties met..........................................................?
o Dat beslist ieder voor zich.
o Per vakantie bespreken.
o Zo gelijk mogelijk verdelen, zowel qua tijd als qua kosten.
o Anders namelijk:
h. Hoe zie je de omgangsregeling rond de feestdagen?
o Ik wil met de feestdagen de afgesproken omgangsregeling door laten lopen.
o Per jaar afspraken maken.
o Het ene jaar bij de een, het andere jaar bij de ander.
o Anders namelijk:
4.Communicatie
a. Op welke wijze wil je elkaar informeren/overleggen over...........................................................?
o Schriftelijk(per mail, via een schrift etc.).
oTelefonisch.
o Persoonlijk (eigenwoning, neutrale omgeving?).
b. In welke frequentie?
oDagelijks.
o Bij elke wisseling.
o Als ik dat nodig vind.
o Anders, namelijk:
c. Over welke zaken wil je geïnformeerd worden?
o Gezondheid en welzijn van..........................................................
oIk wil alles weten over de periode dat.......................................................... bij de andere
ouder was.
o Schoolprestaties (huiswerk, rapporten).
o Vriendjes/vriendinnetjes van..........................................................
o Anders, namelijk:
d.Hoe ga je om met situaties m.b.t..........................................................waar jullie beiden voor
uitgenodigd worden?
o Ik wil dit zoveel mogelijk samen (blijven) doen.
o Liever niet samen, we spreken wel af wie er gaat.
o Diegene gaat waar ..........................................................op dat moment is.
o Anders, namelijk:
e. Wie onderhoudt de contacten met de school/crèche/buitenschoolse opvang en dergelijke?
o Ikzelf .
o Andere ouder.
oBeiden.
f. Wie onderhoudt de contacten met de grootouders?
oIkzelf.
o Andere ouder.
oBeiden.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
203
g.Hoe informeren jullie elkaar in geval van bijzondere situaties (doktersbezoek, ziekte,
familiebijeenkomsten, verjaardagen, tijdens vakanties etc.)
o Direct, telefonisch.
o Hangt er van af…..
o Anders, namelijk:
h.Wat doe je bij een crisis m.b.t........................................................... (in geval van grote
opvoeding- of gedragsproblemen)
o Ik wil dan overleg met de andere ouder.
o Ik zoek mijn eigen oplossing.
o Anders, namelijk:
5. Periodieke bijstelling en evaluatie
a.Onder welke omstandigheden vind je dat gemaakte afspraken op nieuw besproken zouden
moeten worden?
o Als ik dat nodig vindt, of de ander dat nu ook vindt of niet.
o Als ik signalen opvang dat het met ..........................................................niet goed gaat.
o Als een van ons een nieuwe partner krijgt.
o Als de huidige omstandigheden veranderen.
o Als er op financieel gebied iets verandert.
o Als een ons wil verhuizen.
o Anders, namelijk:
b. Welke procedure wil je daar over afspreken?
o Zodra er iets verandert, ga ik dit bespreken met de andere ouder.
o Ik wil er een derde bij als ik vind dat we er samen niet uitkomen.
o Ik wil periodiek (frequentie?) samen om tafel om alles te bespreken.
o Anders, namelijk:
6. Procedure bij conflicten
a Wat ga je doen als er een (dreigend) conflict is?
bWelke afspraken zou je willen maken om een conflict op te lossen met zo min mogelijk
schade voor ..........................................................[naam kind].
c. Welke persoon zou jullie volgens jou kunnen helpen als er tussen jullie beiden een conflict is?
o Een gezamenlijke vertrouwenspersoon n.l.:
o Een professionele derde (psycholoog, mediator, advocaat)
o Anders, namelijk:.............................................................................................................................
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
204
7. Gedragscode
Afspraken op papier zijn mooi, maar hoe pakt dat uit in de praktijk? Dit hangt nauw samen
met de manier waarop jullie je tot elkaar kunt/wilt verhouden. Het kan goed zijn om, hoe de
verstandhouding ook is, te kunnen vertrouwen op een basishouding, bijvoorbeeld:
o Ik weet dat mijn ex nooit......................................................................................................................
o In onze echtscheiding geldt als regel..................................................................................................
o Als het om. ..........................................................[naam kind] gaat, weet ik dat mijn ex ..................
........................................................................................................................................................................
o Wat wij in ieder geval nooit doen is....................................................................................................
Wat zouden wat u betreft gedragsregels kunnen zijn die bij uw situatie passen?
a. ....................................................................................................................................................................
b. ....................................................................................................................................................................
c. ....................................................................................................................................................................
d. ....................................................................................................................................................................
8. Overige te bespreken onderwerpen en/of eigen opmerkingen
.......................................................................................................................................................................
.......................................................................................................................................................................
.......................................................................................................................................................................
Vakanties
Zomervakantie:
o Bij vader voor de periode:
o Bij moeder voor de periode:
o Anders namelijk:
Herfstvakantie:
o Bij vader voor de periode:
o Bij moeder voor de periode:
o Anders namelijk:
Kerstvakantie:
o Bij vader voor de periode:
o Bij moeder voor de periode:
o Anders namelijk:
Voorjaarsvakantie:
o Bij vader voor de periode:
o Bij moeder voor de periode:
o Anders namelijk:
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
205
Meivakantie:
o Bij vader voor de periode:
o Bij moeder voor de periode:
o Anders namelijk:........................................................................................................................................
Goede vrijdag/Pasen:
o Bij vader voor de periode:
o Bij moeder voor de periode:
o Daar waar .........................................................[naam kind] volgens afspraak is
o Anders namelijk:........................................................................................................................................
Hemelvaartsdag/Pinksteren
o Bij vader voor de periode:
o Bij moeder voor de periode:
o Daar waar ...........................................................[naam kind] volgens afspraak is
o Anders namelijk:
Koninginnedag:
o Bij vader voor de periode:
o Bij moeder voor de periode:
o Daar waar ..........................................................[naam kind] volgens afspraak is
o Anders namelijk:........................................................................................................................................
Sinterklaas:
o Bij vader voor de periode:
o Bij moeder voor de periode:
o Daar waar ..........................................................[naam kind] volgens afspraak is
o Anders namelijk:........................................................................................................................................
Bijzondere dagen
Vaderdag;
o Bij vader
o Bij moeder
o Daar waar. .........................................................[naam kind] volgens afspraak is
o Anders namelijk:........................................................................................................................................
Moederdag:
o Bij vader
o Bij moeder
o Daar waar ..........................................................[naam kind] volgens afspraak is
o Anders namelijk: .....................................................................................................................................
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
206
Verjaardagen ..........................................................[naam kind]:
o Bij vader
o Bij moeder
o Daar waar.......................................................... [naam kind] volgens afspraak is
o Anders namelijk:.......................................................................................................................................
Verjaardagen ouders:
o Bij vader
o Bij moeder
o Daar waar .......................................................... [naam kind] volgens afspraak is
o Anders namelijk:.......................................................................................................................................
Verjaardagen broers, zusters, grootouders:
o Bij vader
o Bij moeder
o Daar waar ..........................................................[naam kind] volgens afspraak is
o Anders namelijk:.......................................................................................................................................
Diversen:
o Bij vader
o Bij moeder
o Daar waar ..........................................................[naam kind] volgens afspraak is
o Anders namelijk:.......................................................................................................................................
Wie beslist? En met of zonder overleg?
Vader, moeder, .......................................................... [naam kind] met of zonder overleg
Huisregels
oKapper
oKleding
o Lichamelijke verzorging
o Piercings, tatoeages
School
o Sport- of hobbykeuze en wisselingen
o Regelingen m.b.t. sporten/hobby’s
o Begeleiding bij hobby’s
o Aanschaf benodigdheden
Medische zorg
o Bijzondere en belangrijke besluiten
o Toediening medicijnen
o Kleine besluiten (tandarts, dokter)
o Inentingen, verkoudheid e.d.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
207
Bijzondere vakanties
o Kampen (bv. toernooi)
o Met anderen dan ouders
Diversen .........................................................................................................................................................
..........................................................................................................................................................................
..........................................................................................................................................................................
..........................................................................................................................................................................
..........................................................................................................................................................................
..........................................................................................................................................................................
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
208
Bijlage 7
Kennislacunes,
ontwikkellacunes
en signalen
Richtlijn
RichtlijnScheiding
Scheidingen
enproblemen
problemenvan
vanjeugdigen
jeugdigenvoor
voorjeugdhulp
jeugdhulpen
enjeugdbescherming
jeugdbescherming//onderbouwing
onderbouwing//pagina
pagina 209
209
Kennislacunes
Er is weinig methodologisch verantwoord Nederlands onderzoek naar de effecten van
interventies voor scheidingskinderen. Veel van het aangehaalde effectonderzoek betreft
buitenlands onderzoek
We weten weinig van het verband tussen kind specifieke factoren enerzijds - zoals leeftijd
en geslacht van het kind tijdens de scheiding, verschillen tussen broers en zussen, en
persoonskenmerken van de jeugdigen - en het type probleemgedrag anderzijds.
Die kennis is gewenst om de hulpverlening meer af te stemmen op wat nodig is en om aan te
kunnen sluiten bij de specifieke behoeften van kinderen en jongeren.
Er is weinig tot geen erkend methodologisch verantwoord wetenschappelijk onderzoek naar
beleid, voorzieningen en interventies ten behoeve van het voorkomen en verminderen van de
gevolgen van (echt)scheiding voor kinderen.
Er is weinig tot niets bekend uit onderzoek over effectiviteit van interventies bij verschillende
minderheidsgroepen zoals migrantengroepen en lager opgeleiden.
Er is weinig bekend over effectiviteit van interventies bij jeugdigen met een licht verstandelijke
beperking.
Meer expliciete kennis is nodig over de uitspraken betreffende de zorg- en omgangsregelingen
bij de verschillende rechtbanken. Heldere criteria kunnen helpen om de meest adequate zorg te
verlenen en de beste zorg- of omgangsregeling uit te voeren in het belang van het kind.
Meer informatie is nodig over welke kinderen daadwerkelijk gehoord worden door de
rechtbank: kinderen worden uitgenodigd om gehoor te geven, maar er is geen informatie
beschikbaar over welke kinderen feitelijk gehoord worden en hoe oud deze kinderen zijn.
Er zijn geen betrouwbare cijfers bekend over conflictueuze scheidingen (vechtscheidingen). Ook
is niet bekend wat de effecten zijn van bepaalde omgangsregelingen en omgangsbegeleiding na
een vechtscheiding.
Er is niet veel Nederlands onderzoek beschikbaar naar de effecten van programma’s gericht op
de ondersteuning van partnerschap en/of de bemiddeling bij (echt)scheiding.
Goed onderzoek naar de (kosten)effectiviteit van zulke programma’s kan beter in kaart brengen
wat de opbrengst is van deze programma’s voor deelnemers, verzekeraars en overheid.
Meer effectiviteitsonderzoek is nodig naar relatie ondersteunende programma’s, voor eerste en
hertrouw relaties.
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
210
Ontwikkellacunes
Ontwikkel signalerings- en screeningsinstrumenten om scheidingsproblematiek goed in kaart te
brengen.
Ontwikkel criteria wanneer van “ernstig nadeel voor de ontwikkeling van kinderen” moet
worden gesproken.
Er moeten programma’s worden ontwikkeld om ouders voor, tijdens en na scheiding te leren
hun conflicten te beheersen.
Ontwikkel specifieke programma’s/methodieken voor jongeren van 12+ zodat professionals ook
deze jongeren gericht kunnen ondersteunen, hulp kunnen bieden of kunnen doorverwijzen
naar bijvoorbeeld groepsprogramma’s.
Het is van belang om de effecten van wetswijzigingen – zeker op het gebied van echtscheiding –
wetenschappelijk verantwoord te onderzoeken en te evalueren. Negatieve effecten kunnen dan
met nieuwe maatregelen worden verzacht.
Ontwikkel ook versies van de Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en
jeugdbescherming voor andere beroepsgroepen zoals het onderwijs en juridisch werkveld.
Meer aandacht is nodig voor laagdrempelige preventie door voorlichting, informatie en advies in
de voorliggende voorzieningen en aansluiting bij de nieuwe ontwikkelingen.
Huidige interventies houden niet specifiek rekening met culturele diversiteit, hier liggen
mogelijkheden om specifiek voor diverse doelgroepen interventies te ontwikkelen.
Signalen
Instanties in het voorliggende veld die een belangrijke taak hebben in screenen, beschikken niet
over goede signalerings- of intake instrumenten om (echt)scheidingsproblematiek goed in kaart
te brengen.
Hierdoor komt het voor dat jeugdigen onterecht in de jeugdhulp en jeugdbescherming belanden
en niet de juiste ondersteuning krijgen.
Ketensamenwerking in de behandeling van jeugdigen met problemen door scheiding is niet
optimaal.
Er moet in de opleiding (en deskundigheidsbevordering) van jeugdprofessionals meer aandacht
zijn voor het onderwerp conflictueuze scheiding (vecht)scheiding.
Laagdrempelige programma’s gericht op de ondersteuning van partnerschap worden
onvoldoende aangeboden en ondersteund. Daarom past in de aanbodontwikkeling van de
CJG’s verdere ontwikkeling van relatieondersteuning in samenhang met het andere aanbod
van de jeugdgezondheidszorg en opvoedingsondersteuning (‘Happy parents tend to be better
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
211
parents’). Wanneer CJG’s meer relatie ondersteunende taken gaan uitvoeren, zullen instellingen
en medewerkers hiervoor beter toegerust moeten zijn.
Relatieondersteuning zou kunnen worden aangeboden op dezelfde manier als
opvoedingsondersteuning.
Dus op een laagdrempelig niveau primaire voorlichting geven door professionals die al paren en
ouders zien waardoor het vanzelfsprekender is om dit onderwerp ter sprake te brengen (Bijv.
door verloskundigen, bij de zwangerschapsgym, tijdens de kraamperiode, in de JGZ en door het
maatschappelijk werk).
Aanbieden van preventief aanbod bij ouders van jonge kinderen 0-4 jaar. Deze fase heeft vaak
veel impact op de partnerrelatie door nieuwe rollen en verantwoordelijkheden voor de ouders
(‘Hoe hou je je relatie goed in veranderende omstandigheden?’).
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
212
Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming / onderbouwing / pagina
213

similar documents