seneca epistula 80

Report
Epistula 80:
De wereld is een schouwtoneel (p.81)
Seneca Lucilio suo salutem
Seneca zegt gegroet tegen zijn (vriend) Lucilius
Een moment voor jezelf
Hodierno die non tantum meo beneficio mihi vaco, sed
spectaculi, quod omnes molestos ad sphaeromachian
avocavit.
Vandaag heb ik tijd voor mezelf, niet alleen door mijn eigen
weldaad, maar ook (door de weldaad) van het schouwspel, dat alle
lastige [mensen] naar een bokswedstrijd heeft geroepen.
2 mihi vaco – is hoofdww. Hierbij staan 2
bepalingen:
- meo beneficio
- (beneficio) spectaculi
2-3 spectaculi … avocavit: personificatie 
alsof het schouwspel de mensen heeft
geroepen.
3 molestos – omdat ze steeds binnenvallen
en hem storen bij het denken e.d.
Nemo inrumpet, nemo cogitationem meam inpediet, quae
hac ipsa fiducia procedit audacius.
3-4 inrumpet, inpediet – welke tijd?
futurum
quae, verwijst naar…..?
Nemo inrumpet, nemo cogitationem meam inpediet, quae
hac ipsa fiducia procedit audacius.
3-4 inrumpet, inpediet – welke tijd?
futurum
quae, verwijst naar…..?
cogitationem
hac hoort bij …?
Nemo inrumpet, nemo cogitationem meam inpediet, quae
hac ipsa fiducia procedit audacius.
3-4 inrumpet, inpediet – welke tijd?
futurum
quae, verwijst naar…..?
cogitationem
hac hoort bij …?
(ipsa) fiducia
Vertaling comparativus:
audacius – welke vorm?? longius =
1. langer
2. nogal / vrij lang
comparativus, bijwoord
3. de langste (van twee)
Nemo inrumpet, nemo cogitationem meam inpediet, quae
hac ipsa fiducia procedit audacius.
Niemand zal binnenvallen, niemand zal mijn gedachten
belemmeren, die juist door deze garantie zich vrijmoediger
ontwikkelen.
4 Waarom is ‘vrijmoediger’ hier de beste keuze voor
de comparativus?
 vrijmoediger dan wanneer er wél mensen
binnenvallen
Non crepabit subinde ostium, non adlevabitur velum:
Niet zal telkens mijn deur piepen, niet zal mijn gordijn
worden opgetild:
5 De kamers van een Romeins
huis, zoals de werkkamer –
tablinum - waren meestal
afgescheiden van het atrium
door een gordijn.
licebit tuto vadere, quod magis necessarium est per se
eunti et suam sequenti viam.
6 eunti, sequenti – welke vorm?
ppa, gesubstantiveerd
in dativus omdat bij necessarium een
dativus hoort
licebit tuto vadere, quod magis necessarium est per se
eunti et suam sequenti viam.
het zal (voor mij) mogelijk zijn rustig mijn gang te gaan, wat
al te noodzakelijk is voor iemand die op zichzelf gaat en
zijn eigen weg volgt.
eunti – viam – beeldspraak (metafoor): het leven
wordt als een weg voorgesteld. Seneca is op
het pad des levens een ‘Einzelgänger’.
Non ergo sequor priores? Facio, sed permitto mihi et
invenire aliquid et mutare et relinquere; non servio illis,
sed assentior.
Volg ik dan niet mijn voorgangers? (Dat) doe ik (wel), maar
ik sta mij toe én iets te vinden én te veranderen én weg te
laten; ik ben niet hun slaaf, maar ben het met hen eens.
7-8 Welke stijlfiguren zie je?
trikolon: invenire, mutare, relinquere
polysyndeton / anafoor: et … et … et
antithese (tegenstelling): non servio,sed
assentior.
Magnum tamen verbum dixi, qui mihi silentium promittebam
et sine interpellatore secretum:
Ik heb echter een groot woord gezegd, (ik) die mij stilte
beloofde en afzondering zonder iemand die stoort:
9 magnum verbum = een groot
woord ( teveel)
ecce ingens clamor ex stadio perfertur et me non excutit
mihi, sed in huius ipsius rei contemplationem transfert.
kijk, een geweldig geschreeuw van(uit) de wedstrijd dringt
(tot mij) door en rukt me niet van mijzelf weg, maar brengt
mij tot beschouwing van juist die zaak.
10 Tussen secretum en ecce staat geen
voegwoord. Wat voor asyndeton is dit?
explicatief asyndeton (geeft uitleg, waarom
hij teveel heeft gezegd): er was geen stilte,
want er kwam geschreeuw uit het stadion
evt ook adversatief: ik hoopte op rust, maar
er komt geschreeuw.
11 huius – gen van hic
De kracht van lichaam en geest
Cogito mecum, quam multi corpora exerceant, ingenia
quam pauci;
Ik denk bij mezelf, hoe velen hun lichaam oefenen, hoe
weinigen hun talent/verstand (oefenen):
12 exerceant – coni vanwege afh. vraag (grammaticalis)
Welke stijlfiguren zie je in deze zin?
1. Anafoor – quam … quam
2. (Adversatief) asyndeton – exerceant, ingenia
3. Chiasme - multi corpora, ingenia pauci;
4. Ellips – in 2e deel van zin moet je nog een keer
exerceant aanvullen
quantus ad spectaculum non fidele et lusorium
fiat concursus, quanta sit circa artes bonas solitudo;
12 fidele – welke vorm?
onzijdig van fidelis
Hoort dus bij …?
quantus ad spectaculum non fidele et lusorium
fiat concursus, quanta sit circa artes bonas solitudo;
12 fidele – welke vorm?
onzijdig van fidelis
Hoort dus bij …?
spectaculum
quantus ad spectaculum non fidele et lusorium
fiat concursus, quanta sit circa artes bonas solitudo;
hoe grote toeloop er ontstaat naar een oppervlakkig en
tot tijdverdrijf dienend schouwspel, hoe groot de eenzaamheid is in de omgeving van de wetenschap;
13-14 Ook hier een adversatief asyndeton: in de arena is het druk,
maar slechts heel weinig mensen doen aan wetenschap
(filosofie!)
Nog steeds coni  nog steeds afh.
vraag (ik denk bij mezelf …)
quam inbecilli animo sint, quorum lacertos umerosque
miramur.
hoe slap van geest zij zijn, van wie wij de armen en
schouders bewonderen.
Illud maxime revolvo mecum:
Dit vooral overdenk ik steeds bij mezelf:
si corpus perduci exercitatione ad hanc patientiam potest,
qua et pugnos pariter et calces non unius hominis ferat,
qua solem ardentissimum in ferventissimo pulvere
sustinens aliquis et sanguine suo madens diem ducat,
quanto facilius animus conroborari possit,
ut fortunae ictus invictus excipiat, ut proiectus,
ut conculcatus exsurgat.
Let op de constructie van deze zin:
- eerst een si-zin
- hierin 2 bijzinnen met qua
Waar verwijst qua naar?
patientiam
- dan de hoofdzin (geel)
- dan 3x ut (ut + coni!  geeft 3 gevolgen aan)
si corpus perduci exercitatione ad hanc patientiam potest,
qua et pugnos pariter et calces non unius hominis ferat,
als het lichaam door training tot deze gehardheid gebracht
kan worden, waardoor het tegelijkertijd én de vuisten én
de hakken van niet één verdraagt (kan verdragen),
16 pugnos / calces
vuisten / hakken staan voor ….?
slagen en trappen
17 non unius = ….?
plures (meerdere)
qua solem ardentissimum in ferventissimo pulvere
sustinens aliquis et sanguine suo madens diem ducat,
waardoor iemand, de fel brandende zon in het gloeiend
hete zand verdragend en druipend van zijn eigen bloed, de
dag doorbrengt (kan doorbrengen),
17 ferventissimo pulvere – natuurlijk het zand
van de arena, waar de bokswedstrijd werd
gehouden.
sanguine – Romeinse boksers mochten hun
handen omwikkelen met ‘boksbeugels’.
Waarschijnlijk gaat het hier om het zgn.
pankration, een mix van worstelen en
boksen, waarbij bijna alles was
toegestaan.
quanto facilius animus conroborari possit,
ut fortunae ictus invictus excipiat, ut proiectus,
ut conculcatus exsurgat.
hoeveel makkelijker zou de geest kunnen worden gesterkt
om de slagen van het lot ongebroken op te vangen, om
neergegooid, om in elkaar getrapt (weer) op te staan.
19 conroborari – metafoor  sporten als metafoor voor: de geest
‘sterk maken’
Ook invictus, proiectus, conculcatus is een term uit de sport /
arena.
Corpus enim multis eget rebus, ut valeat: animus ex se
crescit, se ipse alit, se exercet.
Het lichaam heeft immers veel dingen nodig om gezond
te zijn: de geest groeit van zichzelf, voedt zichzelf, oefent
zichzelf.
20-21 Welke stijlfiguren zie je?
1. (adversatief) asyndeton – valeat: animus
2. trikolon – crescit, alit, exercet
Illis multo cibo, multa potione opus est, multo oleo,
longa denique opera:
Zíj hebben veel voedsel, veel drinken nodig, veel olie,
kortom een lange verzorging:
21 Wie worden bedoeld met illis?
De boksers die veel kunnen
verdragen.
tibi continget virtus sine apparatu, sine inpensa.
22 continget – welke tijd?
futurum
tibi continget virtus sine apparatu, sine inpensa.
aan jou zal de deugd ten deel vallen zonder uitrusting,
zonder kosten.
Seneca gebruikt in de afgelopen regels een
zgn. a fortiori – redenering (a fortiori = des
te sterker):
* als een lichaam zo sterker kan worden
door oefenen …
* kan de geest het zeker / nog makkelijker!
Wilskracht
Quidquid facere te potest bonum, tecum est.
Al wat jou goed kan maken, is met jou (zit in jezelf).
Quid tibi opus est, ut sis bonus? Velle.
24 sis – welke vorm?
coni praes van esse
Quid tibi opus est, ut sis bonus? Velle.
Wat heb jij nodig om goed te zijn? (Het) Willen.
Quid autem melius potes velle quam eripere te huic
servituti,
quae omnes premit,
quam mancipia quoque condicionis extremae et in his
sordibus nata omni modo exuere conantur?
25-27 Let op de 2 soorten quam in deze zin!
* de eerste quam = ‘dan’ (melius … quam = beter … dan)
* de tweede quam is ….. ?
een relativum
quae en quam wijzen terug naar ….?
servituti
Let op: quae is onderwerp in de (eerste) bijzin;
quam is lijdend voorwerp in de (tweede) bijzin
Quid autem melius potes velle quam eripere te huic servituti,
quae omnes premit, quam mancipia quoque condicionis
extremae et in his sordibus nata omni modo exuere conantur?
Wat kan jij echter beter willen dan je te ontrukken aan deze
slavernij, die allen neerdrukt, die ook slaven in de slechtste
omstandigheden en in deze armzalige toestand geboren
op iedere manier proberen af te schudden?
25 servituti is hier metaforisch bedoeld  een situatie die je
onderdrukt: afhankelijk zijn van je lichaam (dus van alles wat
het lichaam nodig heeft) en andere uiterlijke zaken
Peculium suum, quod comparaverunt ventre fraudato,
pro capite numerant:
28 ventre fraudato – welke constructie?
abl abs
numerant – welke tijd?
gewoon praesens – in het werkwoord numerare zit al –era-;
geen pqpf dus.
Peculium suum, quod comparaverunt ventre fraudato,
pro capite numerant:
Hun spaargeld, dat zij hebben bijeengebracht door hun
maag te kort te doen, tellen ze neer voor hun vrijheid:
28 numerant – wie bedoelt Seneca?
slaven
Als zij niet al het eten nodig hadden dat ze van hun meester
kregen, mochten ze dat verkopen. Zo konden ze sparen om
zich uiteindelijk vrij te kopen.
tu non concupisces quanticumque ad libertatem pervenire,
qui te in illa putas natum?
zal jij niet hevig verlangen om tot elke prijs de vrijheid te
bereiken, (jij) die meent dat je daarin geboren bent?
28-29 Met welke twee betekenissen van ‘vrijheid’ speelt Seneca
hier?
* letterlijke vrijheid
(i.t.t. slavernij)
* geestelijke vrijheid
(filosofisch gezien: de ratio bereiken)
Quid ad arcam tuam respicis? Emi non potest.
Waarom kijk je om naar je geldkist? Hij / deze kan niet
gekocht worden.
30 emi – infin praes pass
Wat is het onderwerp van potest?
geestelijke vrijheid
Itaque in tabellas vanum coicitur nomen libertatis, quam
nec, qui emerunt, habent nec, qui vendiderunt:
30-31 Let op: 2 soorten relativa
* quam heeft wél een antecedent, nl. …?
libertatis
* qui (2x) heeft dat niet. Hoe vertaal je qui?
degenen die, zij die
Itaque in tabellas vanum coicitur nomen libertatis, quam
nec, qui emerunt, habent nec, qui vendiderunt:
Dus wordt de naam (van) vrijheid ten onrechte opgetekend
in de registers, [de vrijheid] die noch zij die haar hebben
gekocht, bezitten noch zij die haar hebben verkocht:
30 in tabellas coicitur – in Rome werd door de
censores in registers bijgehouden, welke
slaven er waren vrijgelaten.
30-31 Ook in deze ene zin gebruikt Seneca
weer de twee betekenissen van
vrijheid/slavernij door elkaar.
tibi des oportet istud bonum, a te petas.
jij moet dit bezit aan jezelf geven, van jezelf vragen.
(het is nodig dat jij … geeft / vraagt)
Ieder mens speelt zijn eigen rol
Libera te primum metu mortis (illa nobis iugum inponit),
deinde metu paupertatis.
33 libera – imper van liberare
illa – verwijst naar …?
metu mortis
Ieder mens speelt zijn eigen rol
Libera te primum metu mortis (illa nobis iugum inponit),
deinde metu paupertatis.
Bevrijd je ten eerste van de vrees voor de dood (die legt
ons een juk op), daarna van de vrees voor de armoede.
33 iugum imponit – wat wordt hiermee bedoeld?
is een metafoor: een juk is:
a. letterlijk: houten balk die op je schouders rust (bv om 2
emmertjes water te halen)
b. figuurlijk: iets wat zwaar weegt, een last is
Welke 2 indifferentia noemt Seneca hier?
- de dood
- armoede / geld
Si vis scire, quam nihil in illa mali sit, compara inter se
pauperum et divitum vultus: saepius pauper et fidelius ridet;
35 pauperum / divitum – welke vorm?
gen. mv
Het bijv nw is gesubstantiveerd (ook bij pauper in volgende
stuk zin)
saepius, fidelius – welke vorm?
compar (bijwoord) van saepe, fidelis
Si vis scire, quam nihil in illa mali sit, compara inter se
pauperum et divitum vultus: saepius pauper et fidelius ridet;
Als je wilt weten hoe daarin niets kwaads schuilt, vergelijk
(dan) de gezichten van de armen en rijken met elkaar:
de arme lacht vaker en oprechter;
34 Wat wordt er bedoeld met illa?
paupertas
nulla sollicitudo in alto est; etiam si qua incidit cura, velut
nubes levis transit:
er is geen enkele bezorgdheid in zijn binnenste; ook als er
zich enige zorg voordoet, gaat die voorbij als een lichte wolk:
36 in alto – over wiens binnenste gaat het hier?
van een arme man
Waar komt de vertaling ‘enige zorg’ vandaan?
nulla sollicitudo in alto est; etiam si qua incidit cura, velut
nubes levis transit:
er is geen enkele bezorgdheid in zijn binnenste; ook als er
zich enige zorg voordoet, gaat die voorbij als een lichte wolk:
36 in alto – over wiens binnenste gaat het hier?
van een arme man
Waar komt de vertaling ‘enige zorg’ vandaan?
van qua
Na si, nisi, num en ne gaat ali- niet met quis-je mee!
qua = aliqua (= een of andere, enige)
Wat is het tertium comparationis in deze vergelijking?
transit (zowel de zorg als de wolk gaan over)
horum, qui felices vocantur, hilaritas ficta est aut gravis
et suppurata tristitia, eo quidem gravior,
quia interdum non licet palam esse miseros,
sed inter aerumnas cor ipsum exedentes necesse est
agere felicem.
36 horum – welke vorm?
gen mv van hic
Wat is de hoofdzin?
horum, qui felices vocantur, hilaritas ficta est aut gravis
et suppurata tristitia, eo quidem gravior,
quia interdum non licet palam esse miseros,
sed inter aerumnas cor ipsum exedentes necesse est
agere felicem.
36 horum – welke vorm?
gen mv van hic
Wat is de hoofdzin?
* hilaritas ficta est aut gravis et suppurata tristitia (est)
Welke vorm is gravior?
comparativus
horum, qui felices vocantur, hilaritas ficta est aut gravis
et suppurata tristitia, eo quidem gravior,
quia interdum non licet palam esse miseros,
sed inter aerumnas cor ipsum exedentes necesse est
agere felicem.
van hen, die gelukkig worden genoemd, is de vrolijkheid
gemaakt of (is) de treurnis ernstig en zwerend, (en dat is)
des te zwaarder,
omdat het soms niet mogelijk is openlijk bedroefd te
zijn, maar te midden van de ellende die het hart zelf
kwelt het noodzakelijk is de gelukkige
te spelen.
horum, qui felices vocantur, hilaritas ficta est aut gravis
et suppurata tristitia, eo quidem gravior,
quia interdum non licet palam esse miseros,
sed inter aerumnas cor ipsum exedentes necesse est
agere felicem.
Leg uit, dat Seneca in de afgelopen regels de redenering
manipuleert door het wel heel zwart-wit voor te stellen.
Hij doet net of elke rijke ongelukkig is (maar mooi weer
speelt) en elke arme gelukkig.
Waarom doet hij dat?
Hierdoor lijkt het of mensen met minder
bezit gelukkiger zijn. En één van de
doelen van de Stoa is om geld als een
van de indifferentia te beschouwen
Saepius hoc exemplo mihi utendum est, nec enim ullo
efficacius exprimitur hic humanae vitae mimus, qui nobis
partes, quas male agamus, adsignat.
40 utendum est ….?
gerundivum van verplichting
41 adsignat – welke vorm?
coni praes
coni in relatieve bijzin. Wat geeft die aan?
1. finalis
2. causalis
3. explicativus (is het hier: zo’n soort … die)
Saepius hoc exemplo mihi utendum est, nec enim ullo
efficacius exprimitur hic humanae vitae mimus, qui nobis
partes, quas male agamus, adsignat.
Nogal vaak / al te vaak moet ik dit voorbeeld gebruiken,
want door geen enkel voorbeeld wordt effectiever deze
klucht van het menselijk leven uitgedrukt, die ons de rol
toewijst die wij slecht spelen.
40 hoc exemplo – welk voorbeeld wordt
bedoeld?
van de klucht (mimus)
Ille qui in scaena latus incedit et haec resupinus dicit,
Hij die breedsprakig het toneel opgaat en trots
deze woorden / dit zegt:
42 ille qui - Toneel werd meestal
gespeeld door slaven of in ieder
geval mensen van lage komaf!
En impero Argis; regna mihi liquit Pelops,
qua ponto ab Helles atque ab Ionio mari
urguetur Isthmos,
‘Kijk, ik heers in Argos; Pelops liet mij het rijk na, een
gebied waar de Isthmus door de Hellespont en de
Ionische zee wordt begrensd’,
Ionische Zee
servus est, quinque modios accipit et quinque denarios.
is een slaaf, krijgt vijf schepels (graan) en vijf denarii.
46 modius – schepel (ca 9 liter) graan
Oude inhoudsmaten v.l.n.r.:
mud, schepel en kop
Ille qui superbus atque inpotens et fiducia virium tumidus ait,
Quod nisi quieris, Menelae, hac dextra occides,
diurnum accipit, in centunculo dormit.
Hij die trots en onbeheerst en verwaand door het vertrouwen
in zijn kracht zegt: ‘Als je dit niet zult kunnen, Menelaus, zul
je door deze rechterhand sterven’, ontvangt een rantsoen,
slaapt in een kleine lap.
46 ille qui = (opnieuw) de toneelspeler
Idem de istis licet omnibus dicas, quos supra capita
hominum supraque turbam delicatos lectica suspendit:
49 idem – onz ev. (hetzelfde)
istis – congrueert met …..?
Idem de istis licet omnibus dicas, quos supra capita
hominum supraque turbam delicatos lectica suspendit:
49 idem – onz ev. (hetzelfde)
istis – congrueert met omnibus
dicas – coni vanwege licet (lees: licet ut dicas)
50 quos … suspendit – wat is in het La.
onderwerp in deze zin?
Idem de istis licet omnibus dicas, quos supra capita
hominum supraque turbam delicatos lectica suspendit:
49 idem – onz ev. (hetzelfde)
istis – congrueert met omnibus
dicas – coni vanwege licet (lees: licet ut dicas)
50 quos … suspendit – wat is in het La.
onderwerp in deze zin?
lectica
Idem de istis licet omnibus dicas, quos supra capita
hominum supraque turbam delicatos lectica suspendit:
Hetzelfde kun je zeggen over al diegenen die een
draagstoel (als) verwende (mannen) uittilt boven de
hoofden van mensen en boven de menigte:
49-50 Over wat voor soort mensen gaat het hier?
Over rijke mensen, die zich met een draagstoel door de
stad laten dragen.
Wat bedoelt Seneca met idem?
Dat ook deze mannen niet gelukkig zijn: hun voorspoed
(zich laten dragen door de stad) is
maar schijn, net als van de mannen
die toneelspelen.
 (idem verwijst dus naar de
volgende zin: personata felicitas est)
omnium istorum personata felicitas est. Contemnes illos,
si despoliaveris.
van al diegenen is het geluk gespeeld. Je zult hen
minachten, als je hen van de maskers zult hebben beroofd.
Equum empturus solvi iubes stratum, detrahis vestimenta
venalibus, ne qua vitia corporis lateant: hominem involutum
aestimas?
52 empturus – welke vorm?
ptc fut act van emere – kopen
Is nom, dus zegt iets over het onderwerp
( iubes – jij…)
solvi- welke vorm?
infin praes pass
ne qua = ne aliqua
Equum empturus solvi iubes stratum, detrahis vestimenta
venalibus, ne qua vitia corporis lateant: hominem involutum
aestimas?
Als je van plan bent een paard te kopen, beveel je dat het
zadelkleed los wordt gemaakt, je trekt de kleding af van
slaven (die verkocht worden), opdat niet enige gebreken
van het lichaam verborgen blijven: beoordeel je een mens
die in kleding gehuld is?
53 hominem involutum aestimas? - Retorische
vraag
Seneca gebruikt hier een analogie-redenering:
als je iets in het ene geval (niet) zou doen
(paard / slaaf kopen zonder goed te bekijken),
moet je dat ook in andere gevallen (niet) doen
(mens beoordelen op eerste indruk)
Mangones, quidquid est quod displiceat, id aliquo lenocinio
abscondunt, itaque ementibus ornamenta ipsa suspecta
sunt:
54 ementibus – ppa van emere – kopen.
Wat is in het Ned. dus een goede
vertaling voor ementibus?
kopers
Mangones, quidquid est quod displiceat, id aliquo lenocinio
abscondunt, itaque ementibus ornamenta ipsa suspecta
sunt:
Slavenhandelaren, wat er ook maar is wat (hen) niet bevalt,
verbergen dit met een of andere verfraaiing, dus voor kopers
zijn juist versieringen verdacht:
sive crus alligatum sive brachium aspiceres, nudari iuberes
et ipsum tibi corpus ostendi.
55-56 aspiceres, iuberes – welke vorm en waarom?
coni imperf
irrealis  Seneca gebruikt een (op dit moment irreëel
voorbeeld: als je nu op de slavenmarkt stond – en dat is
niet zo – dan zou je ….)
56 nudari, ostendi – infin praes pass
sive crus alligatum sive brachium aspiceres, nudari iuberes
et ipsum tibi corpus ostendi.
of je een verbonden been of een (verbonden) arm zou zien,
je zou bevelen dat ze ontbloot werden en dat jou het lichaam
zelf werd getoond.
Vides illum Scythiae Sarmatiaeve regem insigni capitis
decorum?
Zie je die koning van de Scythen of Sarmaten mooi door
een sieraad van het hoofd?
56 illum – congr. met regem
insigni capitis decorum  abl – gen – acc van bijv nw
Si vis illum aestimare totumque scire, qualis sit,
fasciam solve: multum mali sub illa latet. Quid de aliis
loquor?
Als je hem wilt beoordelen en helemaal weten wat voor man
hij is, maak (dan) zijn diadeem los: daaronder zit veel
ellende verborgen. Wat / waarom spreek ik over anderen?
57 vis – 2e ev praes van velle
58 sit – waarom coni?
afh vraag
Welke stijlfiguren zie je in deze zin?
alliteratie – multum mali
retorische vraag - Quid de aliis loquor?
diadeem
Si perpendere te voles, sepone pecuniam, domum,
dignitatem, intus te ipse considera: nunc qualis sis, aliis
credis. Vale.
Als je jezelf grondig zult willen onderzoeken, zet dan je geld,
huis, status opzij, (maar) bekijk jezelf van binnen: nu laat je
aan anderen over hoe je bent. Gegroet.
Met welke ene filosofische term zou je de
woorden pecuniam, domum, dignitatem
kunnen aanduiden?
indifferentia

similar documents