Livius, AUC, II, 9

Report
1. PORSENNA BELEGERT ROME (II, 9)
a. Koning Porsenna trekt tegen Rome op (9.1-4)
Inde P. Valerius iterum T. Lucretius consules facti.
Iam Tarquinii ad Lartem Porsennam, Clusinum regem,
perfugerant.
• Vervolgens zijn Publius Valerius voor de tweede keer, (en)
Titus Lucretius tot consuls gemaakt/gekozen.
• De Tarquinii waren al gevlucht naar Lars Porsenna, koning van
Clusium.
Ibi, miscendo consilium precesque,
nunc orabant,
ne se, oriundos ex Etruscis, eiusdem sanguinis nominisque,
egentes exsulare pateretur,
nunc monebant etiam,
ne orientem morem pellendi reges inultum sineret.
• Daar, door advies en smeekbeden te mengen,
• smeekten ze nu eens
• dat hij niet toeliet dat zij, afstammend van Etrusken, van
hetzelfde bloed en dezelfde naam, berooid in ballingschap
leefden,
• dan weer spoorden ze (hem) aan
• om niet de opkomende gewoonte van het verdrijven van
koningen ongewroken te laten.
Satis libertatem ipsam habere dulcedinis.
Nisi, quanta vi civitates eam expetant, tanta regna reges
defendant,
aequari summa infimis;
• (ze zeiden) dat de vrijheid zelf voldoende (van)
aantrekkelijkheid had.
• Dat als koningen niet met evenveel kracht koninkrijken
verdedigen, als waarmee staten haar (=de vrijheid) nastreven,
• het hoogste gelijk gemaakt wordt aan het laagste;
nihil excelsum, nihil quod supra cetera emineat, in civitatibus fore;
adesse finem regnis,
rei inter deos hominesque pulcherrimae.
hyperbaton
• (ze zeiden) dat in de staten niets uitmuntends, niets wat boven
het overige uitblinkt, zal zijn;
• dat het eind aanwezig is voor de koninkrijken,
• de mooiste zaak/instelling tussen goden en mensen.
• nihil excelsum, nihil quod supra cetera emineat, in civitatibus
fore = uitwerking van aequari summa infimis
Porsenna cum
regem esse Romae,
tum Etruscae gentis regem, (= Tarquinius)
amplum Tuscis ratus,
Romam infesto exercitu venit. Porsenna doet dit dus omdat hij het
eervol vindt voor de Etrusken als
Rome door een Etrusk, Tarquinius,
geregeerd wordt.
• Omdat Porsenna meende
• dat niet alleen een koning in Rome,
• maar ook een koning van het Etruskische volk
• iets eervols voor de Etrusken is,
• ging hij met een vijandig leger naar Rome.
b. De senaat ontlast het volk (9.5-8)
Non unquam alias ante
tantus terror senatum invasit;
adeo valida res tum Clusina erat magnumque Porsennae nomen.
• Nooit een andere keer ervoor
• overviel zo grote angst de senaat;
• zo(zeer) sterk was toen Clusium en (zo) groot (was toen) de
naam van Porsenna.
Nec hostes modo timebant,
sed suosmet ipsi cives,
ne Romana plebs,
metu perculsa,
receptis in urbem regibus
vel cum servitute pacem acciperet.
•
•
•
•
•
•
•
En zij vreesden niet alleen de vijanden,
maar ook hun eigen burgers,
(namelijk) dat het Romeinse volk,
door vrees getroffen,
nadat ze de koningen in de stad hadden teruggekregen/-genomen,
vrede zelfs in combinatie met slavernij accepteerden/zou accepteren.
Dus: angst dat de bevolking liever een koning heeft + vrede dan
republiek, oorlog, etc., omdat de Etrusken een lastige tegenstander
waren. Koning = slavernij voor het volk; republiek = vrijheid
Multa igitur blandimenta plebi per id tempus ab senatu data.
Annonae in primis habita cura,
et ad frumentum comparandum
missi alii in Volscos, alii Cumas.
• Dus veel gunsten werden aan het volk in die tijd door de senaat
verleend.
• In de eerste plaats werd zorg gedragen voor de
voedselvoorziening,
• en om graan te kopen
• werden sommigen naar de Volsci gestuurd, anderen naar
Cumae.
Salis quoque vendendi arbitrium,
quia impenso pretio venibat,
in publicum omne sumptum <est>,
ademptum privatis;
•
•
•
•
Ook het monopolie om zout te verkopen, (van zout verkopen)
aangezien het voor hoge prijs werd verkocht,
werd helemaal naar de staat overgebracht,
nadat het aan particulieren was ontnomen;
portoriisque et tributo plebes liberata,
ut divites conferrent
qui oneri ferendo essent:
pauperes satis stipendii pendere,
si liberos educent.
•
•
•
•
het volk werd bevrijd van havengelden en belasting,
zodat de rijken (het) bijeenbrachten
die in staat waren om de last te dragen:
(er werd gemeend) dat de armen voldoende belasting
betaalden,
• als ze kinderen grootbrachten.
Itaque haec indulgentia patrum
asperis postmodum rebus in obsidione ac fame
adeo concordem civitatem tenuit, ut
• Dus deze mildheid van de senatoren
• in komende moeilijke omstandigheden tijdens het beleg en de
honger (hongersnood)
• hield de staat/burgerij/burgers zo eensgezind, dat
• Haec indulgentia = multa blandimenta
ut regium nomen non summi magis quam infimi horrerent,
nec quisquam unus malis artibus postea tam popularis esset,
quam tum bene imperando universus senatus fuit.
• (zo eensgezind),
• dat de hoogsten niet meer dan de allerlaagsten de naam
‘koning’ verafschuwden,
• en niet één persoon was later door slechte praktijken zo
populair,
• als toen de hele senaat was door goed maatregelen te nemen.
• 2 tegenstellingen in laatste twee regels:
– Quisquam unus – universus senatus
– Multis artibus – bene imperando
• Chiasme: één persoon – slecht – goed – hele senaat

similar documents