Gramsci en ideologie

Report
Gramsci
en ideologietheorie
Merijn Oudenampsen
Intro
In ‘Verandering komt van buiten: over het belang van politieke
mobilisatie’, schrijft Michiel Emmelkamp over de conservatieve
hegemonie ten tijd van Bush en de succesvolle Democratische
campagne om deze hegemonie te doorbreken. Hij citeert een
conservatief strategie document in de jaren zeventig, dat als
richtlijn diende voor de conservatieve backlash:
‘Geen weldenkend persoon kan eraan twijfelen dat het
Amerikaanse economische systeem wordt aangevallen’, trapte
Powell zijn memorandum af. Deze aanval kwam volgens Powell
niet alleen vanuit het Congres, een minstens zo belangrijke bron
lag erbuiten. ‘De meest zorgwekkende stemmen in het koor van
kritiek komen van volkomen respectabele onderdelen in onze
samenleving: de universiteitscampus, de kansel, de media,
intellectuele en literaire tijdschriften, de kunsten en
wetenschappen.’ (S&D, februari 2013, p49)
Intro (2)
 Naast het begrip hegemonie zien we andere
Gramsciaanse kernthema’s opduiken in de tekst van
Emmelkamp:
 De relevantie van buitenparlementaire mobilisatie,
en van het interveniëren in het maatschappelijk
middenveld: de media, de universiteiten etc.
 De relevantie van het trainen van intellectuele
kaders, via denktanks, praatprogramma’s etc.
 De nadruk op de noodzaak van het populariseren
van de eigen ideeën: zo vermeldt Emmelkamp dat
40% van het budget van het Center for American
Progress opgaat aan communicatie
 De nadruk op coalities en allianties
Relevantie Gramsci
 De relevantie van Gramsci is niet enkel zijn
geavanceerde ideologiebegrip:
 Hij vertegenwoordigt een belangrijke breuk in
het linkse denken met enkele problematische
elementen uit het orthodox marxisme.
 Tevens is zijn ideologiebegrip vervat in een
veel bredere theorie over hoe
machtsuitoefening en maatschappelijke
verandering plaatsvindt.
 Gramsci is de belangrijkste politiekstrategische denker op links uit de twintigste
eeuw
Tromp & Heywood
 Gramsci beweerde niet, zoals Tromp schrijft in
Wetenschap der Politiek, dat “ondergeschikte
klassen de dominante ideologie aanhangen”.
 Noch kan men uit Gramsci concluderen dat
“hegemony implies ideological domination”,
zoals we lezen in Heywood (p7). Integendeel,
Gramsci beschrijft hegemonie als leiderschap,
en contrasteert dit met dominantie.
 Vandaar dat het goed is om oorspronkelijke
teksten te lezen.
Bewegingsoorlog vs
stellingenoorlog

Ging de oud-linkse gedachte uit van het veroveren van de staatsmacht,
Gramsci wijst erop dat in moderne samenlevingen macht veel
alomtegenwoordiger is en net zo goed gelokaliseerd is in het
maatschappelijk middenveld en de publieke opinie:
“In the East the state was everything, civil society was primordial and
gelatinous; in the West, there was a proper relation between state and civil
society, and when the state trembled a sturdy structure of civil society was at
once revealed (SPN 238).”

Groepen met politieke ambities dienen dus eerst een positie te veroveren in
het maatschappelijk middenveld, die Gramsci aanduidt als de
zogenaamde fortificaties en loopgraven van de macht. Dit project duidt
Gramsci aan met de metafoor stellingenoorlog.
Organische en traditionele
intellectuelen
 Alle mensen zijn intellectuelen, slechts enkelen krijgen
betaald om het te zijn
 Traditionele intellectuelen zijn te vinden in de kerk, in de
academie, in de media etc.
 Organische intellectuelen zijn mensen die een
intellectuele functie hebben binnen bedrijven en
maatschappelijke organisaties.
 In huidige samenleving is intellectuele arbeid explosief
gestegen. Men spreekt ook wel over de ‘creatieve
klasse’
Hegemonie
 Gramsci onderscheid twee vormen van politieke macht:
hegemonie en dominantie. Beiden zijn tegelijkertijd actief.
 Hegemonie is een vorm van macht gebaseerd op instemming,
waar Gramsci tevens het woord leiderschap voor gebruikt.
 Een bepaalde groep kan hegemonisch worden als het een
synthese weet te formuleren tussen haar eigen belangen en
die van geallieerde groepen. Van hegemonie is sprake als het
zo een coalitie weet te vormen die een politieke meerderheid
garandeert, en deze coalitie zich op zijn beurt weer weet te
presenteren als het nationale belang (de national-popular).
Een duurzame hegemonische alliantie noemt Gramsci een
‘historisch blok’.
Voorbeelden
 Een dergelijk hegemonische alliantie is in de VS die
tussen conservatieven, vrije marktdenkers, en
christelijke rechts, of bij Obama die tussen
minderheden, labour en progressieve
hogeropgeleiden.
 In Nederland kende de jaren zeventig een
progressieve hegemonie onder Den Uyl, gebaseerd
op een alliantie tussen arbeiders en
hogeropgeleiden. Op rechts is er een hegemonische
politiek gebaseerd op de figuur van de
hardwerkende Nederlander, die de middenstanders
en de lagere middenklasse verbindt met de zakelijke
elite.
Ideologie
 Mensen hebben een gefragmenteerde visie op de
werkelijkheid: een praktisch bewustzijn van hun alledaagse
leefomgeving, en een meer onderontwikkeld abstract
theoretisch bewustzijn, praktijk en theorie zijn vaak tegenstrijdig.
 Ideologisch conflict gaat om het bewerken van het gezonde
verstand (common sense). Een inconsistente verzameling van
vanzelfsprekende overtuigingen over hoe de wereld in elkaar
zit, dat in elke maatschappij te vinden is.
 Ideologie is bij Gramsci de lijm die een hegemonische coalitie
bij elkaar houdt.
 De overtuigingskracht van ideeën is gebaseerd op logische
coherentie, autoriteit, en organisatorische kracht, niet op
rationaliteit alleen.
Ideologie (2)

Een ideologie, aldus Gramsci, kan niet in zijn geheel opgelegd of
bestreden worden. Noch kan een pure ideologie van de dominantie
groep opgelegd worden, er moeten altijd concessies worden gedaan
om allianties te smeden. Ideologie wordt niet letterlijk geïndoctrineerd,
maar door de bevolking in ‘heterogene en bizarre combinaties’
overgenomen, aldus Gramsci (p11). In politieke zin gaat het erom kritiek
te leveren op de leidende ideologie, met als doel elementen uit de
hegemonische ideologie zo te herschikken dat een eigen hegemonisch
verhaal mogelijk wordt:
“This criticism makes possible a process of differentiation and change in
the relative weight that the elements of the old ideologies used to
possess. What was previously secondary and subordinate, or even
incidental, is now taken to be primary—becomes the nucleus of a new
ideological and theoretical complex. The old collective will dissolves
into its contradictory elements since the subordinate ones develop
socially.” (SPN)
Crisis en restauratie
 Passieve revolutie
 Transformisme
 Organische crisis

похожие документы