Parardijsvogels - Edelzanger.com

Report
“Paradijsvogels”
Vogels uit Nieuw -Guinea en het Noord Oosten van
Australië
Regenwoud het leefgebied van de Paradijsvogels
Paradijsvogels als kunst object
De paradijsvogel behoort zonder
meer tot de mooiste vogels ter
wereld. Van de 43 soorten komen
er 38 voor in Nieuw Guinea.
De paradijsvogel is de nationale
vogel van Papua NieuwGuinea(PNG). Paradijsvogels
hebben een uitzonderlijk lange
staart.
Ook groeien er lange gekleurde
draden uit hun verenkleed.
Sommige paradijsvogels hebben
een eigenaardige verenkroon op
hun hoofd.
Er zijn 8 paradijsvogelsoorten die
monogaam zijn en 35 soorten die
polygaam zijn.
Paradijsvogels die monogaam zijn,
hebben weinig kleurrijke veren;
het polygame mannetje versiert
met zijn prachtige lange staart vele
vrouwtjes gedurende zijn leven.
De paradijsvogel is familie van de kraai. Sommige soorten
paradijsvogels zijn zwart en lijken veel op een kraai. De meeste
paradijsvogels zijn bont gekleurd en hebben erg lange
staartveren zodat ze in de verste verte niet op een kraai lijken.
Op het eiland Nieuw-Guinea komen geen roofdieren voor die
ook zoogdier zijn.
Biologen zeggen dat de evolutie daardoor de paradijsvogel de
kans heeft gegeven om zo mooi te worden. Het vliegen met een
lange staart vol kleurrijke veren is best moeilijk. Sommige
staartveren zijn 60 centimeter lang.
Zo’n onhandige lange staart heeft toch de evolutiegeschiedenis
doorstaan omdat het belangrijk was voor het overleven van de
soort.
Sommige evolutiebiologen redeneren dat
paradijsvogelmannetjes door competitie onderling er steeds
mooier uit zijn gaan zien. In de loop van de evolutie hadden de
mooiste paradijsvogels de meeste voortplantingskansen.
Paradijsvogels komen ook voor op alle eilanden rond
Nieuw-Guinea die in een geologisch tijdperk miljoenen
jaren geleden met elkaar verbonden waren. Op de
Molukken, een eilandengroep naast Nieuw-Guinea komen
6 soorten voor. In Noord - Oost Australië, de punt van
Queensland, komen 4 soorten paradijsvogels voor.
Australië zat volgens geologen ruim 10.000 jaar geleden
aan Nieuw-Guinea vast, maar wordt nu gescheiden door
een zeestraat; de straat van Torres.
De geweervogel valt ook onder de paradijsvogels. Deze
heet zo vanwege het geluid dat hij maakt. Het lijkt op een
langs suizende kogel. Er zijn drie soorten geweervogels die
allen in Australië voorkomen. De vierde Australische
paradijsvogel is de trompetparadijskraai.
De paradijsvogel speelt een belangrijke rol in de cultuur
van de Papoea's. Sommige volken kenden verhalen dat de
paradijsvogels eigenlijk de vogels van de goden waren. Er
zijn stammen die de veren van paradijsvogels gebruiken
om een hoofdtooi te maken. Hiervoor vangen de Papoea's
de vogels, wat een erg ingewikkelde bezigheid is. De
paradijsvogels houden zich het meest op hoog in de
boomtoppen.
Een aantal soorten paradijsvogels zijn nog nauwelijks door
wetenschappers onderzocht. Omdat Nieuw-Guinea een
ruig en woest landschap kent, kost een expeditie veel tijd
en geld. Pas in 2005 werd voor het eerst door
wetenschappers een mannetjes-Berlepsch zesdradige
paradijsvogel geobserveerd.
De meeste wetenschappelijke kennis over Nieuw-Guinea is
opgedaan in de tijd dat Nieuw-Guinea nog een rijksdeel van
Nederland was. Nu vindt er sporadisch een expeditie plaats.
Een extra complicatie is dat op het Indonesische deel de
Indonesiërs liever geen buitenlandse pottenkijkers toelaten.
De Indonesiërs onderdrukken de Papoea's al 40 jaar.
Wetenschappers en journalisten hebben zeer beperkt toegang
tot Nieuw-Guinea. Voor PNG geldt dat niet. Daar is de natuur
echter ook zeer ruig en is het land niet rijk genoeg om
grootschalig wetenschappelijk onderzoek uit te voeren.
Het is bekend dat 2000 jaar terug paradijsvogels in China een
gewild statussymbool waren. Toen de westerlingen 400 jaar
terug in Nieuw-Guinea aankwamen ontstond er een handel in
paradijsvogels. Ditmaal was de vogel niet alleen in China maar
ook in Europa en Amerika populair. Er werd erg veel op
gejaagd.
Alleen in Londen werden er begin 20e eeuw 40.000
paradijsvogels per jaar verhandeld. De Nederlanders hebben
middels een handelsverbod in paradijsvogels in 1922 een eind
aan de handel gemaakt. Het aantal paradijsvogels was door
pronkzuchtige mensen in enkele jaren gedecimeerd.
Na het verbod is het aantal vogels weer langzaam gestegen.
Sinds Indonesië in een kleine oorlog het Nederlandse deel van
Nieuw Guinea heeft veroverd en bezet houdt, is de illegale
handel in paradijsvogels hervat. Vanaf het land Papua NieuwGuinea worden geen paradijsvogels meer geëxporteerd.
De paradijsvogel is geen bedreigde diersoort. Hij heeft de
handel van 100 jaar terug goed overleefd. Een reden
hiervoor is het feit dat hij polygaam is.
Zo zorgt hij voor veel nakomelingen. De natuurlijke habitat
van de paradijsvogel is redelijk onaangetast. Natuurlijk
komt de vogel vrijwel niet voor in de enkele kleine steden
die op Nieuw-Guinea zijn, maar het overgrote deel van dit
eiland bestaat uit oerwoud, de ideale biotoop van de
paradijsvogel.
De eerste paradijsvogels die in de 16e eeuw in Europa
aankwamen waren door de Papoea's geprepareerd. Ze
hadden geen poten en vleugels. Daardoor is in Europa de
mythe ontstaan dat deze vogels altijd vlogen, nooit op een
tak zaten en de wolkendauw uit de lucht gebruikten om te
overleven.
Pas na 150 jaar waren er vogels die wel in complete staat in
Europa aankwamen. Door deze mythe dat de vogels altijd
in het ‘paradijs‘ vlogen kregen de vogels hun naam.
Tropisch regenwoud
Nieuw - Guinea
Papoea’s gebruiken de veren van de Paradijsvogel
voor hun hoofdtooi
De interesse in deze vogels werd bij mij gewekt door het bezoek aan het
In dit schitterende park worden verschillende soorten Paradijsvogels
gehouden en gekweekt. De prachtige volières zijn optimaal beplant en de
luchtvochtigheid is aan gepast aan de natuurlijke omgeving. De vogels die
in het park zijn gehuisvest zijn onder andere de Grote bruine Paradijs vogel
en de 12 draderige Paradijsvogel.
Kleine Bruine Paradijsvol vogelpark Bali
Kleine Paradijsvogel
Grote Paradijs vogel
De koningsparadijsvogel (Cicinnurus regius) is een vogel uit
de familie van de paradijsvogels (Paradisaeidae). Het is een
endemische vogelsoort uit Nieuw-Guinea. De
koningsparadijsvogel is een vogel van ongeveer 16 cm,
waarvan het mannetje prachtig gekleurd is. Deze heeft een
witte buik, een robijnrood verenkleed, helderblauwe poten
en donkere pluimen met een groen uiteinde op zijn
schouders. Zijn staart is versierd met twee verlengde
staartveren met aan het uiteinde twee smaragdgroene
ronde veren. De staart is erg kort. Het vrouwtje is bruin en
vanonder gestreept met lichtgeel. Het vrouwtje lijkt op het
vrouwtje van de Prachtparadijsvogel (Diphyllodes
magnificus)
De koningsparadijsvogel komt voor door heel Nieuw-Guinea en de omliggende Aru-Eilanden,
Miscool, Salawati en Japan. De vogels leven in bossen en aan bosranden in heuvel- en
laagland op een hoogte van 0 tot 300 m boven de zeespiegel (zelden ook tot 850 m)
Koningsparadijsvogels eten vruchten en geleedpotige. De vogel wordt vaak waargenomen in
kleine, gemengde groepjes van vogelsoorten die gemeenschappelijk foerageren.
Het mannetje koningsparadijsvogel voert een opvallende dans uit om het vrouwtje te lokken;
hierbij zwaait hij met zijn staart en zet zijn witte buikveren op totdat het een pluizeballetje
lijkt; tevens voert hij acrobatische kunsten uit. Het nest wordt gebouwd in een hol in een
boom. Het is de enige soort binnen de paradijsvogels die zijn nest op een dergelijke plaats
bouwt.
Geelkraagparadijsvogel
De geelkraagparadijsvogel is 18 cm
lang. De vogel heeft een dunne,
draadvormige staart die op afstand
lastig te zien is, daarom lijkt de vogel
erg gedrongen en staartloos. Het
mannetje heeft goudkleurige veren op
de rug en iriserende, donkergroene
veren op de borst. Het vrouwtje is
onopvallend grijsbruin op de rug, wat
lichter op de borst en buik met een
vage bandering.
De vogel komt voor op Nieuw –Guinea en de
omliggende eilanden Salawati en Japen (mogelijk ook op
Misool). Het leefgebied bestaat uit bossen, bosranden
en secondair bos in heuvelland tot op een hoogte van
1450 m boven de zeespiegel.
De vogel komt voor binnen een groot gebied; het is geen
bedreigde vogelsoort, maar valt wel onder de
bescherming van de overeenkomst in zake
internationale handel in bedreigde dieren en planten
waardoor handel in deze vogel (en alle andere soorten
paradijsvogels) wordt verboden
Lintstaartastrapia
De Lintstaartastrapia (Astrapia mayeri) is een middelgrote paradijsvogel uit de orde zangvogels en de
super familie corvodea. De lintstaartastrapia kan ongeveer 32 cm lang kan worden, exclusief de
Lange staart bij het mannetje. Het mannetje van de lintstaartastrapiadie heeft een iriserend olijfgroen
verenkleed met een mooi ‘balvormig’ verendosje boven zijn snavel en twee enorm lange witte
staartveren. Deze staartveren kunnen meer dan een meter lang worden (zie afbeelding). Het vrouwtje is
bruin met iriserende veren op de kop. De mannetjes behoren tot de meest spectaculaire verschijningen
onder de paradijsvogels. Ze bezitten langste staartveren in verhouding tot hun lichaamslengte. Dit is bij
geen enkele andere vogel groter. De staart kan tot ongeveer drie keer zo lang als het lichaam worden.
De mannetjes zijn polygaam.
De Lintstaartastrapia is een endemische vogelsoort uit Papua –
Nieuw Guinea. Hij leeft er in de nevelwouden van het centrale
hoogland rond Mount Hagen tot minstens 130 km westelijk
daarvan, op een hoogte tussen de 2400 en 3400 meter.
De lintstaartastrapia werd in 1938 door Fred Shaw Mayer
ontdekt (mogelijk al eerder door de onfortuinlijke
ontdekkingsreiziger en goudzoeker Jack Gordon Hides die in 1938
overleed) en in 1939 door C.R. Stonor beschreven. Het is
daarmee de laatste paradijsvogel die men tot nu toe heeft
ontdekt. De vogel komt voor in een beperkt gebied en is daarom
kwetsbaar en staat daarom als gevoelig op de rode lijst van de
IUCN. Houtkap is een bedreiging voor zijn habitat en verder
wordt er jacht op hem gemaakt voor de fraaie staartveren. In
slecht toegankelijke stukken van zijn verspreidingsgebied schijnt
de lintstaartastrapia algemeen voor te komen. Handel (levend,
dood of in onderdelen) in deze vogelsoort (en alle andere
paradijsvogels) is volgens de overeenkomst inzake de
internationale handel in bedreigde soorten wilde dieren en
planten (het CITES-verdrag) verboden.
De Goldie's paradijsvogel is een vrij grote paradijsvogel die
ongeveer 33 cm lang kan worden, exclusief de lange staart bij
het mannetje. Het mannetje van de Goldie's paradijsvogel
heeft goudgele veren op het bovendeel van de kop en de rug.
De iris geel, de snavel en de poten zijn grijs. Het mannetje
heeft indrukwekkend fraaie, karmijnrood gekleurde sierveren
aan de flanken en twee lange sierveren uit de staart.
Verder is hij donkergroen; het grootste verschil met de andere
paradijsvogels van het geslacht paradisaea vormt de
blauwgrijze borst. Het vrouwtje is olijfbruin van boven en
kaneelkleurig bruin op de borst. Zij verschilt van de andere
paradisaeasoorten door een horizontale streping op de
borst.]
De Goldie's paradijsvogel is vernoemd naar Schotse
verzamelaar Andrew Goldie, die in 1882 de vogel ontdekte.
De Goldie's paradijsvogel is een endemische vogelsoort uit
Papua – Nieuw –Guinea die voorkomt in de hellingbossen op
een hoogte van 300 m tot waarschijnlijk meer dan 600 m
boven de zeespiegel van de eilanden Fergusson en Normanby,
onderdeel van de D’ Entrecasteaux archipel. Het dieet bestaat
voornamelijk uit fruit.
Goldie’s paradijsvogel
De Goldie's paradijsvogel komt voor in een beperkt gebied en is daar tot nu toe vrij algemeen in geschikt habitat.
Hoewel er aanwijzingen zijn dat deze vogels zich kunnen aanpassen in regenbos waarin selectieve houtkap heeft
plaatsgevonden, bestaan er toch zorgen. Er zijn plannen voor meer houtkap en omvorming van oerbos naar
landbouwgrond. Daarom staat de Goldie's paradijsvogel als Gevoelig op de rode lijst van de IUNC Handel (levend,
dood of in onderdelen) in deze vogelsoort (en alle andere paradijsvogels) is volgens de overeenkomst inzake de
internationale handel in bedreigde soorten wilde dieren en planten (het CITES verdrag) verboden.
De wimpeldrager (Pteridophora alberti) is de enige soort in het
geslacht Pteridohora uit de familieparadijsvogels. Het is een
endemische vogelsoort uit Nieuw - Guinea. De wetenschappelijke
naam is een eerbetoon aan de Duitse koning Albert van Saksen.
De volwassen wimpeldrager is ongeveer 22 cm lang. Het mannetje
is zwart en geel en heeft een donkerbruine iris, een zwarte snavel
met een lichtgroene binnenkant (mondopening). Verder heeft de
wimpeldrager bruingrijze poten en twee opvallend lange (tot 50
cm), gekartelde, lichtblauwe kopveren met een parelachtige glans
die hij naar believen kan opzetten. Het vrouwtje is grijsbruin met
een v-vormige streepjes op de buik.
De sierveren aan de kop van het mannetje zijn zo vreemd dat, toen
het eerste exemplaar naar Europa werd gebracht, men dacht dat
het grap van de taxidermist ter plaatse was. De soort komt voor in
het hooggebergte van het centrale bergland vanaf het
Weylandgebergte in Papoea (nu Indonesië, het vroegere
Nederlands Nieuw - Guinea) tot aan de Kratke Range in Eastern
Highlands(Papoea Nieuw-Guinea).
Het leefgebied bestaat uit nevelwoud op hellingen tussen de
1.400-2.850 meter boven de zeespiegel, maar ook bosranden
grenzend aan menselijke bewoning, waar vooral vrouwtjes
worden waargenomen.
Op de mannetjes wordt gejaagd vanwege de kostbare sierveren,
die de plaatselijke bevolking gebruikt in ceremoniële kledij.
Desondanks komt de soort nog relatief veel voor in geschikt
leefgebied. Hij heeft daarom de beschermingsstatus 'niet bedreigd'
op de Rode lijst van de IUNC. De soort staat op bijlage II van de
CITES, wat betekent dat de handel aan strenge vergunningen is
gebonden.
De Arfakparotia (Parotia sefilata) is een soort paradijsvogels uit
het geslacht parotia. Het is een endemische vogelsoort uit
Nieuw – Guinea. De Arfakparotia is een middelgrote zwarte
paradijsvogel die sterk lijkt op de Lawes’parotia.
De vogel wordt zo'n 33 centimeter lang. Vrouwtjes hebben een
bruine rug, de onderkant bestaat uit horizontale donkere
strepen. Het mannetje is zwart en heeft een middellange staart,
langer dan de staart van de Lawes' parotia. Achter elk oog heeft
hij drie lange, zwarte, draadvormige veren die eindigen in een
ronde punt. Hij heeft een zilverkleurige vlek op het voorhoofd.
Zijn borst bestaat uit koperkleurige veren die iriseren. Dit effect
wordt gebruikt bij de balts.
De soort komt voor in het bergland van Vogelkop en de rest
van West- Papoea(Indonesië) zoals het Arfakgebergte,
Tamraugebergte en Wandammen, in tropisch regenbos op
berghellingen tussen de 1400 m tot 1800 m boven de
zeespiegel. Binnen zijn verspreidingsgebied en in dit type
leefgebied is het een algemeen voorkomende vogel.
Arfakparotia
De blauwe paradijsvogel (Paradisaea rudolphi) is een
middelgrote paradijsvogel (paradisea) uit de orde zangvogels .
De blauwe paradijsvogel kan ongeveer 30 cm lang kan worden,
exclusief de lange staart bij het mannetje. De blauwe
paradijsvogel heeft een blauwachtige, witte snavel, een
donkerbruine iris en een vuilwitte oogring en grijze poten. Het
mannetje heeft verschillende soorten sierveren.
Allereerst twee verlengde staartveren, waardoor het
volwassen mannetje een lengte van 63 cm kan bereiken.
Verder zijn er boven op de borst violetkleurige sierveren die
uitlopen in een waaier. Bovendien zijn er siervieren aan de
flanken, die bovenaan roodbruin zijn en daaronder helblauw,
geleidelijk lichter blauw uitwaaierend (zie afbeelding).
De blauwe paradijsvogel voert een opvallend en merkwaardig
baltsritueel op. Hij hangt daarbij onderste boven aan een tak
en waaiert zijn sierveren ritmisch in- en uit en laat daarbij een
eigenaardig, ritmisch onderbroken zoemend geluid horen. De
mannetjes zijn polygaam.
De blauwe paradijsvogel werd in 1884 door de Duitse
koloniaal ambtenaar en verzamelaar Carl Hunstein ontdekt en
vernoemd naar de ongelukkige kroonprins van Oostenrijk Hongarije, Rudolf van Oostenrijk
De blauwe paradijsvogel is een endemische vogelsoort uit Papoe Nieuw – Guinea die voorkomt in het oostelijke deel
van het centrale bergland. Binnen dit gebied is de vogel plaatselijk vrij algemeen, maar vaak ook volledig afwezig. De
blauwe paradijsvogel is een vogel van hellingbossen in de zone tussen 1400 en 1800 m boven de zeespiegel, maar er
zijn ook waarnemingen tot1100 m en tot 2000 m, vooral van vrouwtjes (of jonge mannetjes die nog geen prachtkleed
hebben).
Deze vogels worden ook in selectief gekapt of anderszins verstoord bos gezien. Baltsende mannetjes worden alleen in
onaangetast oerwoud waargenomen, maar mogelijk hangt dit samen met de jachtdruk in meer door de mens
beïnvloede bossen. Bedreigde soort.
Handel (levend, dood of in onderdelen) in deze vogelsoort (en alle andere paradijsvogels) is volgens de overeenkomst
inzake de internationale handel in bedreigde soorten wilde dieren en planten (het CITES verdrag) verboden.
De Carola's parotia (Parotia carolae) is een van de meest
kleurrijke soorten uit het geslacht parotia van de
paradijsvogel. Het is een endemische vogelsoort uit
Nieuw - Guinea.
De Carola's parotia is een middelgrote (26 cm lang)
zwarte paradijsvogel, met opvallend witte sierveren aan
de flanken, zes lepelvormige sierveren aan de kop en ook
iriserende goudkleurige sierveren op de borst.
Op de kop, boven het oog (met witte oogring) een
zwarte band en daarboven weer wit. Het vrouwtje is
veel doffer en heeft geen opvallende sierveren. Zij is
vuilwit, met donkere bandering, van onder en bruin van
boven.
De iris van beide seksen is wit.
De Berlepsch zesdradige paradijsvogel werd beschouwd
als een ondersoort van de Carola's parotia, maar hij
verschilt daarvan door een meer bronsgroen kleurig
verenkleed, verder heeft de Berlepsch zesdradige
paradijsvogel geen oogring.
De vogels is genoemd naar de vrouw van koning Albert l
van Saksen, koningin Carola van Wasa.
Het biotoop van deze paradijsvogel wordt gevormd door de regenwouden van het centrale bergland van
Papoea en Papoea - Nieuw - Guinea. Plaatselijk is de vogel vrij algemeen en daarom is het geen
bedreigde diersoort.
De Huonparotia (Parotia wahnesi) is een middelgrote paradijsvogel
(Paradisaeidae) uit de orde zangvogels en de super familie Corvoidea.
De Huonparotia kan ongeveer 43 cm lang kan worden. Het mannetje van de
Huonparotia is overwegend zwart gekleurd, met een geelgroen, iriserend
schild op de borst en achter ieder oog drie sierveren met de vorm van een
lepel met een lange steel.
Verder heeft het mannetje een toefje bronskleurige veertjes tussen
bovensnavel en voorhoofd en een lange wigvormige staart. Het vrouwtje is
overwegend bruin met een geelbruine borst waarop fijne, donkere
horizontale strepen. Zowel mannetje als vrouwtje hebben een vrij lange
staart in vergelijking met de andere Parotia's.
Het mannetje voert een baltsritueel uit een op daarvoor kaal gemaakt stukje
bosbodem in het regenwoud. De Huonparotia is polygaam.
De Huonparotia is een endemische vogelsoort uit Papoea-Nieuw-Guinea uit
de hellingbossen in het bergland van het Huonschiereiland in de hoogtezone
tussen 1100 en 1700 m boven de zeespiegel en in het Adelbertgebergte
tussen 1300 en 1600 m.
In de gebergtezone waarin deze paradijsvogels voorkomen wordt bos
omgezet in landbouwgrond omdat de bevolking daar toeneemt en deze zone
favoriet is voor land- en tuinbouw. Mogelijk kan de vogelsoort zich aanpassen
in gebieden met tuinbouw, maar het blijft de vraag of waarnemingen in
cultuurland alleen wijzen op foerageren (meestal op insecten en andere
geleedpotigen) en dat voor broeden onaangetast oerwoud noodzakelijk is.
Meer onderzoek is vereist
De aantallen waargenomen Huonparotia's per oppervlakte-eenheid zijn gering in een gebied van slechts 856 km² dus is de
wereldpopulatie kwetsbaar en staat deze paradijsvogel daarom ook als Kwetsbaar op de rode lijst van de IUCN. Handel (levend,
dood of in onderdelen) in deze vogelsoort (en alle andere paradijsvogels) is volgens de overeenkomst inzake de internationale
handel in bedreigde soorten wilde dieren en planten (het CITES-verdrag) verboden.
De kraagparadijsvogel (Lophorina superba) is een soort uit de familie
paradijsvogels (Paradisaeidae). Het is een endemische vogelsoort uit
Nieuw-Guinea. Het mannetje van de kraagparadijsvogel is geheel
zwart met een wigvormige, iriserende blauwe kraag en cape van
zwarte veren met een fraaie zijdeglans. Deze kraag en de cape
worden tijdens de balts op gezet. Het vrouwtje is sober gekleurd en
lijkt sterk op de vrouwtjes van andere paradijsvogels uit het geslacht
parotia.
De kraagparadijsvogel komt voor in het centrale bergland van Papoea
(Indonesië) en Papoea-Nieuw-Guinea, maar ook in de berggebieden
van Vogelkop en Wandammen en op het schiereiland Huon (Morobe)
op een hoogte van 1500 m tot 1800 m boven de zeespiegel (soms
1150 m tot 2300 m).
De vogel is niet zo kritisch in de habitatkeuze. Het is een van de meest
algemene paradijsvogels die voorkomt in zowel regenwouden op
berghellingen als (verlaten) tuinen, secondair bos en gebieden met
struikgewas. De vogel verblijft in boomkronen, maar niet in de
hoogste zones van het woud waar hij foerageert op zowel insecten en
andere ongewervelden, als op fruit.
De kraagparadijsvogel staat als niet bedreigd op de rode lijst van de
IUCN. Handel (levend, dood of in onderdelen) in deze vogelsoort (en
alle andere paradijsvogels) is volgens de overeenkomst inzake de
internationale handel in bedreigde soorten wilde dieren en planten
(het CITES-verdrag) verboden.
Mecgregors paradijsvogel
Lawes' parotia (Parotia lawesii) is een paradijsvogel uit het
geslacht Parotia die voorkomt op Papoea-Nieuw-Guinea. De
vogel wordt zo'n 25 centimeter lang.
Lawes’ parotia
Het vrouwtje weegt tussen 120 en 170 gram, mannetjes wegen
150 tot 200 gram. Vrouwtjes hebben een bruine rug, de
onderkant bestaat uit horizontale zwarte en oranje ringen.
Hun kop is zwart tot in de nek. Het mannetje is zwart en heeft
een korte staart. Achter elk oog heeft hij drie lange, zwarte,
draadvormige veren die eindigen in een ronde punt. Hij heeft
een zilverkleurige vlek op het voorhoofd. Zijn borst bestaat uit
koperkleurige veren die iriseren. Dit effect wordt gebruikt bij
de balts.
Lawes' parotia is een alleseter, maar eet voornamelijk fruit.
Om geleedpotigen te vinden, rukt hij epifyten van de
boomtakken.
Lawes' parotia is polygyn. De vrouwtjes zorgen alleen voor het
nest. De broedperiode duurt van juni tot januari. Het
vrouwtjes legt per legsel één ei in een groot, ondiep en open
nest.
Het nest wordt gebouwd in grote bomen. De soort komt voor
in Papoea-Nieuw-Guinea in de centraal en oostelijk gelegen
hooglanden. Het leefgebied is half open tropisch
gebergtewoud bestaande uit onder andere Nothofagusbos op
een hoogte van 1400 m tot 1900 m boven de zeespiegel. De
vogel foerageert vaak als een boomkruiper op zoek naar
insecten in de schors van boomstammen.
Cnemophilidae is een familie van de zangvogels die
bestaat uit drie soorten die voorkomen bergbossen
van Nieuw-Guinea.
Eerst werd aangenomen dat ze behoorden tot de
familie van de paradijsvogels (Paradisaeidae), zoals
nog blijkt uit de Nederlandse namen. Uit moleculairgenetisch onderzoek bleek echter dat deze vogels
helemaal niet verwant zijn aan de paradijsvogels.
Paradijsvogels behoren tot de clade Corvoidea. De
Cnemophilidae, die in het Engels satijnvogels heten,
staan het dichtst bij de Melanocharitidae
(bessenpikkers en honingjagers).
Bij elk van de drie soorten satijnvogels is het mannetje
feller gekleurd dan het vrouwtje. Het vrouwtje ziet er
onopvallend uit. Alle soorten satijnvogels bouwen
koepelvormige nesten, in tegenstelling tot de
paradijsvogels.
Het vrouwtje legt één ei en doet de broedzorg zonder
hulp van het mannetje. Satijnvogels eten uitsluitend
vruchten, zelfs al op jonge leeftijd.
Satijnvogel
De geelkuiftuiniervogel (Amblyornis flavifrons) is een zeer zeldzame
prieelvogel. Het is een endemische vogelsoort uit Nieuw-Guinea.
Deze vogels kunnen tot 24 cm lang worden. Het vrouwtje verschilt
nauwelijks van andere soorten prieel- of tuiniervogels uit het
geslacht Amblyornis. Het mannetje daarentegen is fraai bruin
gekleurd en heeft een zeer opvallende tien centimeter lange
goudkleurige, oranjegele kuif die van het voorhoofd tot aan de nek
reikt (zie plaatje).
De geelkuiftuiniervogel werd in 1895 op grond van vier verzamelde
balgen beschreven en daarna pas weer in 1982 waargenomen
tijdens een expeditie met de Amerikaanse bioloog Jared Diamond.
In december 2005 werden de eerste foto's van deze vogel gemaakt,
baltsend bij zijn prieel, tijdens een expeditie met de Amerikaanse
ornitholoog Bruce Beehler van de natuurbeschermingsorganisatie
Conservation International.
De geelkuiftuiniervogel komt endemisch voor in de Indonesische
provincie Papoea, in het Foja-gebergte ten noorden van de
Idenburgrivier. Dit gebied is nauwelijks bewoond en werd in 1995
tot natuurgebied verklaard. De geelkuiftuiniervogel leeft in
bergwouden op een hoogte tussen de 1000 en 2000 m boven de
zeespiegel. Het zijn vruchteneters. Net als de andere prieelvogels
bouwt de vogel een prieel, dat hij versiert met gekleurde bessen en
vruchten.
Oranjekuiftuiniervogel
De grijskopkatvogel (Ailuroedus melanotis) is een van de
ongeveer twintig soorten prieelvogels. De grijskopkatvogel is
nauw verwant aan de groene katvogel (Ailuroedus crassirostris),
volgens sommige systematici behoren beide tot één soort. Deze
katvogel dankt zijn naam aan het geluid dat wordt gemaakt; dit
lijkt op het miauwen van een kat.
Deze vogels zijn de zogenaamde Australaziatisch katvogels en zij
behoren tot een andere familie dan de spotlijsters waaronder de
(gewone) katvogel uit de Nieuwe Wereld.
De grijskopkatvogel behoort weliswaar tot de prieelvogels maar
maakt geen prieel, eerder een soort platform van takken en
bladeren, waarboven het mannetje op een tak zingt om de
vrouwtjes te lokken.
De grijskopkatvogel heeft een lengte van ongeveer 26-30
centimeter. De vogel is groen op de rug en de vleugels en heeft
een taankleurige borst met v-vormige streepjes, op de wangen
een zwarte vlek. De iris is helder rood en de forse snavel is licht
van kleur. Het mannetje en het vrouwtje verschillen onderling
nauwelijks.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit fruit, zaden en bloemen,
maar ook insecten en zelfs eieren en kuikens De grijskopkatvogel
komt voor in de middelgebergten van Nieuw-Guinea en
omliggende eilanden zoals Misool en de Aroe-eilanden op een
hoogte van 900 tot 1800 m boven de zeespiegel en verder in het
noordoostelijke deel van de Australische provincie Queensland.
De nauw verwante groene katvogel (A. crassirostris) komt verder
zuidelijk voor in Australië.
Grijskopkatvogel
De groene katvogel (Ailuroedus crassirostris) is een van de
ongeveer twintig soorten prieelvogels. De groene katvogel is
nauw verwant aan de grijskop-katvogel (Ailuroedus melanotis).
Volgens sommige systematisch behoren beide tot één soort.
Deze katvogel dankt zijn naam aan het geluid dat wordt
gemaakt; dit lijkt op het miauwen van een kat.
Deze vogels zijn de zogenaamde Australaziatisch katvogels en
zij behoren tot een andere familie dan de spotlijsters uit de
Nieuwe Wereld die in het Engels ook katvogels (catbirds)
worden genoemd.
Groene katvogel (afbeelding van Richard Bowdler Sharpe).
De groene katvogel heeft een lengte van ongeveer 30
centimeter. De vogel is groen op de rug en de vleugels en heeft
een lichtgroene borst met witte v-vormige streepjes en geen
zwarte vlek op de wangen.
De iris is roodbruin en de forse snavel is licht van kleur. Het
mannetje en het vrouwtje verschillen onderling nauwelijks.
Groene Katvogel
De Arfakastrapia (Astrapia nigra) is een grote paradijsvogel
(Paradisaeidae) uit de orde zangvogels en de superfamilie
Corvoidea. Het is een endemische vogelsoort uit NieuwGuinea. De Arfakastrapia is een grote, zwarte, bijna 76 cm
lange astrapia.
Het verenkleed heeft een iriserende bronsgroene en
purperkleurige glans. Het mannetje heeft een enorme, brede
lange staart en een ingewikkelde hoofdtooi van veren (zie
afbeelding). Het vrouwtje is donkerbruin tot zwart met een
streeppatroon op de buik.
Deze astrapia komt alleen voor in het Arfak- en
Tamraugebergte in Vogelkop (West-Papoea, Indonesië) en
leeft daar in de nevelwouden op een hoogte tussen de 1700
en 2250 m boven de zeespiegel. Omdat deze gebieden slecht
toegankelijk zijn, is de vogel geen bedreigde diersooort.
Arfakstrapia
De langstaartparadigalla (Paradigalla carunculata) is een vrij
grote paradijsvogel (Paradisaeidae) uit de orde zangvogels en
de superfamilie Corvoidea.
De langstaartparadigalla kan ongeveer 37 cm lang kan worden
inclusief de lange puntige staart. Het is een van de meest
eenvoudig uitziende paradijsvogels. Zijn enige versiering
wordt gevormd door helgele lellen en verder wat rood en
hemelsblauw op de kop.
Het mannetje en het vrouwtje lijken op elkaar, alleen is het
vrouwtje iets doffer en van een kleiner postuur. De
langstaartparadigalla is een endemische vogelsoort uit WestPapoea (Vogelkop) die voorkomt in de hooglanden van het
Arfakgebergte en leeft in de bergwouden op een hoogte
tussen de 1400 en 2200 m boven de zeespiegel.
De habitat van de vogel wordt daar waarschijnlijk bedreigd
door ontbossing. Er zijn ook voorstellen voor de vorming van
een beschermd gebied. Verder zijn er betrekkelijk weinig
waarnemingen, maar men vermoedt dat in slecht
toegankelijke stukken van zijn verspreidingsgebied de
langstaartparadigalla niet zeldzaam is.
Handel (levend, dood of in onderdelen) in deze vogelsoort
(en alle andere paradijsvogels) is volgens de overeenkomst
inzake de internationale handel in bedreigde soorten wilde
dieren en planten (het CITES-verdrag) verboden.
Langstaartparadigala
De Rode paradijsvogel (Paradisaea rubra) is een middelgrote
paradijsvogel (Paradisaeidae) uit de orde zangvogels en de superfamilie
Corvoidea. De rode paradijsvogel kan ongeveer 33 cm lang kan worden,
exclusief de lange staart bij het mannetje. De rode paradijsvogel is 11 cm
kleiner dan de grote paradijsvogel, waar hij wel wat op lijkt. Het mannetje
van de rode paradijsvogel is kastanjebruin op de borst en een bruingele
rug en hij heeft een donker smaragdgroene keel. Het mannetje van de
grote paradijsvogel heeft onder de groen keel nog donkerbruine veren op
de borst, terwijl de rode paradijsvogel daar geel is dat doorloopt tot op de
rug.
Hij is zo groot aan de kleine paradijsvogel en heeft karmijnrode sierveren
aan de flanken, terwijl de andere paradijsvogels daar gele veren hebben.
Verder heeft deze paradijsvogel (zoals alles soorten van dit geslacht) twee
lange, draadvormige, gekrulde (als kurkentrekker) sierveren die uit de
staart steken; daardoor kan de vogel 72 cm lang worden. Het kan tot
zeven jaar duren voor het mannetje dit prachtkleed heeft.
Het vrouwtje is een kastanjebruine vogel met een donkerbruine kop. Zij
verschilt van de andere paradisaea-soorten door veel groter contrast
tussen het zwart aan de voorkant van haar kop en de veel lichtere hals en
rug. Ze heeft een geelbruine buik, zonder streping. Het vrouwtje van de
grote paradijsvogel is veel donkerder op de buikzijde. De mannetjes
behoren tot de spectaculaire verschijningen onder de paradijsvogels. De
mannetjes zijn polygaam.
De Rode paradijsvogel is een endemische vogelsoort uit West-Papoea die
voorkomt in de laaglandregenwouden van de eilanden Waigeo en Batanta
tot op een hoogte van 600 m. Het verspreidingsgebied overlapt daar met
dat van de Wilsons paradijsvogel. Hybridisatie tussen deze twee soorten
is niet overtuigend vastgesteld, maar wordt verwacht, omdat het ook is
waargenomen bij veel andere paradijs vogels.
Op het eiland Waigeo de infrastructuur gebrekkig en het landschap lastig toegankelijk. In de jaren 1980 is het Pulau Waigeo natuurreservaat
opgericht dat 1.530 km² groot is, maar er zijn berichten dat het aanzienlijk is verkleind in oppervlakte. Verder vindt er selectieve houtkap
plaats in het noorden van Waigeo en de zuidoosthoek van het eiland werd in 1982 verwoest door brand. Er wordt ook gevreesd voor de
aanleg van een kobaltmijn. Aantasting van het leefgebied in de toekomst is niet onwaarschijnlijk, daarom staat de rode paradijsvogel als
gevoelig op de rode lijst van de IUCN. Handel (levend, dood of in onderdelen) in deze vogelsoort (en alle andere paradijsvogels) is volgens
de overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde soorten wilde dieren en planten (het CITES-verdrag) verboden.
De Raggi's paradijsvogel ( Paradisaea raggiana) is een soort uit de superfamilie van
de Corvoidea en de familie van de paradijsvogels. Het is een van de fraaiste en
grootste uit deze familie. Deze vogel werd in 1873 door de Engelse jurist en zoöloog
Philip Lutley Sclater beschreven. De vorm van de snavel is typisch voor een
omnivoor: lang en stevig met een lengte van 3,5 tot 4 cm, opvallende grijsblauwe
gekleurd bij het mannetje, bruin bij het vrouwtje. Deze snavel is geschikt voor
zowel het kraken van noten als het vangen van insecten.
Bijzonder opvallend is de gele iris die contrasteert met de zwarte oogleden. Het
oog is omgeven door korte veertjes. De keel heeft een smaragdgroene kleur die
maakt dat de vogel er indrukwekkend mooi uitziet. De veren kunnen worden
opgezet tijdens de balts; hiervoor zorgen kleine spieren van de nek. Vogels in
noordelijke streken gebruiken ook deze spieren om hun veren tegen de koude op te
zetten, waardoor het verenpak de warmte beter vasthoudt en de vogels groter
lijken.
Bij de mannetjes is de kop van boven felgeel, met een groene keel; daaronder is het
verenkleed donkerrood. Echter, daar is niet veel van te zien, omdat het verenpak
overgaat lange pluimen. Zonder deze sierveren zou de vogel maar 33 centimeter
lang zijn. Door deze sierveren wordt de vogel wel 70 cm lang! Het vrouwtje is
onopvallend, het hele lichaam is min of meer bruin. Alleen de hals en een smalle
band rond de hals hebben een gele kleur.
De tientallen prachtig rode sierveren van het mannetje van de Raggi's paradijsvogel
de kunnen tijdens de balts worden opgezet, net als de twee staartveren. Ook de
van de staartveren zijn er sierveren die uitgroeien tot meer dan een halve meter in
lengte. Het duurt vijf of zes jaar voor het mannetje dit verenkleed heeft; daarvoor
lijkt hij meer op het vrouwtje.
De Raggi's paradijsvogel paart in de periode augustus tot februari. Het vrouwtje legt daarna één tot twee eieren; de broedtijd is ongeveer
14 dagen. De mannetjes zijn solitair, maar de vrouwtjes leven met jonge mannelijke nakomelingen in kleine groepen, waarbinnen geen
paarvorming optreedt. Na de balts en de paring verlaat het mannetje onmiddellijk het vrouwtje en zij verzorgt het broedsel. Raggi's
paradijsvogels zijn slimme, beweeglijke vogels die betrekkelijk tam zijn.
De mannetjes kunnen ondanks hun ingewikkelde verenkleed heel goed vliegen. De Raggi's paradijsvogel kan 10 tot 15 jaar oud worden.
De Raggi's paradijsvogel komt voor in laaglandbossen, secondair bos en grote tuinen in oostelijk Nieuw Guinea tot aan Madang en
zuidelijk tot aan de Fly (rivier). Over de grootte van de populatie zijn geen exacte cijfers, maar er wordt door de IUCN verondersteld dat
de drempel voor het criterium kwetsbaar niet wordt bereikt, dat wil zeggen dat de populatie groter is dan 10.000 volwassen individuen
en binnen het beschreven gebied min of meer stabiel is (niet daalt met een snelheid van meer dan 10% in tien jaar) en dus veilig is.
De Stephanie-astrapia (Astrapia stephaniae) is een vogel uit
de familie van de paradijsvogels die in 1884 ontdekt werd
door Carl Hunstein en die endemisch is in de nevelwouden
in het midden en oosten van Papoea-Nieuw-Guinea van de
provincies Central tot de Eastern Highlands op een hoogte
van 1700 tot 2800 m (meestal tussen 2000 en 2600 m)
boven de zeespiegel.
Het zijdeachtige verenkleed van het mannetje is bijna
geheel zwart. Ook de staart, die bestaat uit twee zeer lange
brede staartveren, is glanzend zwartpaars gekleurd. De kop,
keel en borst zijn iriserend blauw gekleurd, het gezicht
groen. Het vrouwtje is onopvallend donkerbruin gekleurd
met een zwartblauwe kop. De onderdelen zijn bruin met
kaneelkleurig gebandeerd
Stephanie -astrapia
De keizer wilhelms paradijsvogel (Paradisaea guilielmi) is een vrij grote
paradijsvogel (Paradisaeidae) uit de orde zangvogels en de superfamilie Corvoidea
De keizer wilhelms paradijsvogel kan ongeveer 33 cm lang kan worden, exclusief
de lange staart bij het mannetje.
Het mannetje van de keizer wilhelms paradijsvogel heeft een donker
smaragdgroene bef en borst. Bij de nauw verwante paradijsvogels is dit
smaragdgroen beperkt tot de keel. De iris is roodbruin, de snavel is blauwgrijs en
de poten zijn paarsbruin. De sierveren aan de flanken zijn van onderen wit en
verder zijn er twee lange, draadvormige sierveren die uit de staart steken.
Het vrouwtje heeft een geheel bruin verenkleed. Zij verschilt van de andere
paradijsvogels in dit geslacht door een kleiner formaat en meer zwart boven op de
kop.
De vogel is vernoemd naar keizer Wilhelm II en ontdekt door de Duitser Carl
Hunstein, koloniaal ambtenaar in Keizer Wilhelmsland en verzamelaar van
exotische planten en dieren. De keizer Wilhelms paradijsvogel is een endemische
vogelsoort uit Papoea-Nieuw-Guinea.
Keizer Wilhelms paradijsvogel
Het verspreidingsgebied is beperkt tot het Huonschiereiland waar de vogels
voorkomen in hellingbossen in een gordel tussen de 670 en 1350 m (soms 4501500 m) boven de zeespiegel. De keizer Wilhelms paradijsvogel is plaatselijk nog
algemeen. De keizer Wilhelms paradijsvogel komt voor in een beperkt gebied en
het is niet zeker of de vogel zich zal aanpassen na het selectief kappen van
oerwoud. Er zijn aanwijzingen dat deze soort dan verdrongen wordt door de
Raggi's paradijsvogel.
Verder wordt binnen het verspreidingsgebied oerbos omgezet in landbouwgrond,
daarom staat deze paradijsvogel als Gevoelig op de rode lijst van de IUCN. Handel
(levend, dood of in onderdelen) in deze vogelsoort (en alle andere paradijsvogels)
is volgens de overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde soorten
wilde dieren en planten (het CITES-verdrag) verboden
De zwarte sikkelsnavel (Epimachus fastosus) is de grootste paradijsvogel
(Paradisaeidae) uit de orde zangvogels en de superfamilie Corvoidea. Het
mannetje van de zwarte sikkelsnavel heeft zwart verenkleed met een
iriserende groene, blauwe en paarse veren die een beetje op schubben lijken.
Hij heeft ogen met een rode iris, een felgele mondhoeken en een lange
zwarte, gebogen snavel. Verder heeft het mannetje een lange, sabelvormige
staart, wat hem maakt tot de grootste paradijsvogel die een lengte van 110
cm kan bereiken. Verder heeft hij waaiervormige sierveren op de borst, die
hij tijdens de balts kan opzetten. Het vrouwtje is kleiner dan het mannetje, is
roodbruin gekleurd, met een bruine iris en geelbruin vanonder.
De zwarte sikkelsnavel eet voornamelijk fruit en insecten en andere
geleedpotigen. Het mannetje is polygaam en voert een uitgebreide
paringsdans uit met de borstveren opgezet tot rond de kop.
De zwarte sikkelsnavel kan hybridiseren met de Arfakastrapia. De
nakomelingen (bastaards dus) werden ooit beschouwd als een aparte soort,
de "Elliots sikkelsnavel" (Epimachus ellioti), die zou zijn uitgestorven.
Hierover is geen volledige consensus. De zwarte sikkelsnavel is een
endemische vogelsoort plaatselijk, hier en daar het bergland van West-en
Midden-Nieuw-Guinea voorkomt, van de Vogelkop in West-Papoea
(Indonesië) tot aan het Torricelli- en Bewanigebergte in Papoea-NieuwGuinea. De vogel komt voor in een bepaalde hoogtezone, tussen de 1300 en
2500 m boven de zeespiegel, dus lager dan de bruine sikkelsnavel.
Het is een schaarse tot zeldzame vogel, die op veel plaatsen binnen het areaal helemaal niet voorkomt. Zelfs daar waar de vogel
volgens de plaatselijke bevolking algemeen zou zijn, is de dichtheid zeer laag. Een groot deel van het areaal is echter niet goed
onderzocht. De zwarte sikkelsnavel staat als Kwetsbaar op de rode lijst van de IUCN.
Houtkap en ontbossing voor landbouwdoeleinden vormen een bedreiging voor zijn habitat. Verder is er veel jacht op hem omdat
de fraaie staartveren veel geld opbrengen op de zwarte markt. Handel (levend, dood of in onderdelen) in deze vogelsoort (en alle
andere paradijsvogels) is volgens de overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde soorten wilde dieren en planten
(het CITES-verdrag) verboden.
De bruine sikkelsnavel (Epimachus meyeri) is een paradijsvogel met een lange
staart met een lengte totale lengte tot 100 cm. Bruine sikkelsnavel is eigenlijk
een lelijke naam voor deze prachtige paradijsvogel met zijn blauwgroene,
iriserende verenkleed. De vogel heeft een bruine borst, een sikkelvormige snavel
en het oog heeft een lichtblauwe iris. Het mannetje heeft sierveren aan beide
zijden aan het onderlijf. De middelste staartveren zijn sabelvormig uitgegroeid,
waardoor de vogel een lengte tot wel één meter kan hebben. Deze staartveren
zijn een gewild object ter versiering bij de Papoea’s.
Het vrouwtje is een roodbruin met geelbruine borst met donkere horizontale
streping. Het mannetje is schuw, maar wordt wel vaak gehoord. Hij maakt vooral
vroeg in de ochtend een mechanisch geluid: Tak-tak-tak..., dat lijkt op het geluid
van een drilboor of een mitrailleur. Vrouwtjes en jonge vogels zijn minder schuw
en worden daardoor vaker gezien.
De bruine sikkelsnavel komt voor in het centrale bergland van Nieuw – Guinea en
niet op Vogelkop en het schiereiland Huon (Papoea – Nieuw – Guinea). Het
leefgebied ligt in vochtige, met mossen begroeide bergwouden op een hoogte
tussen de 2000 en 3100 m. In streken waar zowel de Zwarte Sikkelsnavel als de
bruine sikkelsnavel voorkomen, leeft de zwarte sikkelsnavel in lagere regionen,
tussen de 1300 en 2500 m boven de zeespiegel. Het dieet van deze paradijsvogel
bestaat voornamelijk uit fruit en kleine ongewervelde en gewervelde dieren.
Deze vogel werd ontdekt door Carl Hunstein in 1884 en vernoemd naar Adolf
Bernard Meyer(1840-1911), directeur van het Museum für Tierkunde in Dresden,
Duitsland.
Over de grootte van de populatie zijn geen exacte cijfers, maar er wordt door de
IUCN verondersteld dat de drempel voor het criterium kwetsbaar niet wordt
bereikt, dat wil zeggen dat de populatie groter is dan 10.000 volwassen
individuen en binnen het beschreven gebied min of meer stabiel is (niet daalt
met een snelheid van meer dan 10% in tien jaar) en dus veilig is.
Bruine Sikkelsnavel
Vrouwtje
De Wilsons paradijsvogel (Diphyllodes respublica) is een kleine
paradijsvogel uit de orde zangvogels en de superfamilie corvoidea
De Wilsons paradijsvogel is maar klein, 17 tot 21 cm lang. Het
mannetje is een rode met zwarte vogel met een gele 'sjaal' om zijn
nek, lichtgroene snavel en diepblauwe poten en twee sierlijk
gebogen violette staartveren. De huid van de kop is naakt met een
patroon van blauw met zwarte lijnen in de vorm van een kruis. Het
vrouwtje is een bruine vogel met ook die blauwkleurige naakte
huid op de kop. Het blauw van de kop is zo levendig van kleur dat
het 's avonds in het donker zichtbaar is.
De wetenschappelijke naam van deze soort is omstreden. Karel
Lucien Bonaparte, een neef van Napoleon (en overtuigd
republikein) beschreef de soort in 1850 (in Leiden) aan de hand van
een zwaar beschadigd museumexemplaar en was daarmee iets
eerder dan de Britse ornitholoog John Cassin die hem graag naar
zijn land- en vakgenoot Edward Wilson had willen noemen.
De Wilsons paradijsvogel zou algemeen voorkomen in
hellingbossen boven de 300 m en zou ook vaak op lagere hoogten
worden gehoord. Omdat op het eiland Waigeo de infrastructuur
gebrekkig is en het landschap lastig toegankelijk, zou deze
paradijsvogel geen direct gevaar lopen. In de jaren 1980 is het
Pulau Waigeo natuurreservaat opgericht dat 1.530 km² groot is,
maar er zijn berichten dat het aanzienlijk is verkleind in
oppervlakte.
Verder vindt er selectieve houtkap plaats in het noorden van
Waigeo en de zuidoosthoek van het eiland werd in 1982 verwoest
door brand. Er wordt ook gevreesd voor de aanleg van een
kobaltmijn. Aantasting van het leefgebied in de toekomst is niet
onwaarschijnlijk, daarom staat de Wilsons paradijsvogel als
gevoelig op de rode lijst van de IUCN. Handel (levend, dood of in
onderdelen) in deze vogelsoort (en alle andere paradijsvogels) is
volgens de overeenkomst inzake de internationale handel in
bedreigde soorten wilde dieren en planten (het Citesverdrag)
verboden.
Opgezette Wilsons paradijsvogel
De bruine paradijskraai (Lycocorax pyrrhopterus) is een
middelgrote vertegenwoordiger van de familie van de
paradijsvogels met een lengte van circa 34 cm. Hij heeft een
kraaiachtig formaat en is geheel zwart met een zacht en
zijdeachtig glanzend verenkleed. Hij heeft een zwarte snavel en
karmijnrode ogen. De roep van de bruine paradijskraai doet
denken aan het gekef van een hond.
Mannetje en vrouwtje zien er bijna hetzelfde uit, het vrouwtje is
iets kleiner dan het mannetje.
De bruine paradijskraai is een van de weinige monogame
paradijsvogels.
De vogel is inheems in de laaglandwouden van de Molukken in
Indonesië. De vogel foerageert voornamelijk op fruit en kleine
ongewervelde dieren.
Bruine paradijskraai
Over de grootte van de populatie zijn geen exacte cijfers, maar er
wordt door de IUCN verondersteld dat de drempel voor het
criterium kwetsbaar niet wordt bereikt en dat de populatie groter
is dan 10.000 volwassen individuen en dat de populatie binnen het
beschreven gebied min of meer stabiel, dus veilig is, dat wil zeggen
niet daalt met een snelheid van meer dan 10% in tien jaar.
Victoria’s geweervogel
Okerbuik prieelvogel
Satijnvogel
Twaaldraderige paradijshop
Geelstaart sikkelsnavel
Piopio
Kroeskopparadijskraai
Trompetparadijskraai
Bruinek Katvogel
Meiboombouwer
Geelnek prieelvogel
Keizer Wilhelm paradijsvogel
Nest van de Satijn
blauwe prieelvogel
Satijnblauwe prieelvogel man
Satijnblauwe prieelvogel pop
Witoor Katvogel
De Witoor katvogel (Ailuroedus buccoides)
is een vogel uit de familie der prieelvogels
(Ptilonorhynchidae). Het is een endemische
vogelsoort uit Nieuw-Guinea. De vogel is 25
cm lang, van boven groen gekleurd en bleek
geelbruin met zwarte stippen op de borst en
buik.
De wangen zijn wit en de kopkap is zwart of
donkerbruin. Het is een zeer schuwe, maar
luidruchtige vogel die vooral aan het geluid
kan worden herkend.
De soort komt voor in het laagland van West-Papoea en Papoea-Nieuw-Guinea en eilanden daar in de buurt
zoals Salawati, Waigeo en Batanta. Het leefgebied bestaat uit dichtbegroeide regenwouden van Nieuw-Guinea.
Witoorkatvogels voeden zich met vruchten en kleine diertjes. Van de vogel is bekend dat hij in netten gevangen
kleine vogels doodt en opeet.
Liervogels (Menuridae) zijn een familie van
vogels uit de orde zangvogels.
De familie telt twee soorten, die beide leven in
Australië.
Liervogels staan vooral bekend door hun
buitengewone vermogen om natuurlijke en
kunstmatige geluiden uit hun omgeving te
imiteren.
De liervogel wordt zo genoemd vanwege de
staartpluim, gevormd door zestien
gemodificeerde veren - twee lange slanke in het
midden, twee brede gebogen aan de zijkanten
en twaalf kleinere daartussenin.
Tijdens de hofmakerij zwaait het mannetje deze
veren over zijn hoofd en het totaal lijkt sterk op
een Griekse lier. De soort 'Alberts liervogel'
heeft kleinere en minder spectaculaire 'lierveren' maar is voor het overige gelijk.
Grote Liervogel
Tekening Afrastrapia
Einde
Informatie bronnen : Wikipedia, vogelwelt
Asiëns, Henk Jansen /Azië reizen

similar documents