berlijnnavohistoforum

Report
Spotprenten in het
geschiedenisonderwijs
ALBERT VAN DER KAAP
Waarom spotprenten gebruiken?
2
• Om leerlingen iets te leren?
• Wat kun je leren van spotprenten?
• Om iets te toetsen?
• Wat toets je met spotprenten?
Bedenk een of meer toetsvragen bij deze spotprent.
3
Bedenk een of meer toetsvragen bij deze afbeeldingen.
4
Bron 1
5
Bron 2
1.
In beide tekeningen wordt een ontwikkeling/gebeurtenis weergegeven in Duitsland ten
tijde van de Koude Oorlog.
Over welke ontwikkeling/gebeurtenis gaat bron 1 en over welke ontwikkeling/gebeurtenis
bron 2? Licht je antwoord telkens toe aan de hand van een element uit de bron.
2. Welk oorzaak/gevolg verband is er tussen beide ontwikkelingen?
Je kunt de moeilijkheidsgraad van de opdracht aanmerkelijk verhogen door de vraag zeer open
te maken. In dat geval wordt een veel groter beroep gedaan op de analysevaardigheden van de
leerlingen.
1.
Welk verband is er tussen bron 1 en 2. Licht je antwoord toe aan de hand van elementen uit
de bronnen.
Beoordelingsmodel
6
Beoordelingsformulier
Descriptoren
Score
1
b
Dat zie je omdat er een gat zit in de zak, waaruit de mensen vallen.
1
c
De Russen/Oost-Duitse regering is niet blij met deze ontwikkeling.
1
d
Dat zie je aan de gezichtsuitdrukking van de militair/man
1
e
1
a
In Berlijn wordt (in 1961) een muur gebouwd tussen West- en OostBerlijn
Omdat veel Oost-Duitsers Oost-Berlijn ontvluchtten …
b
… bouwden de Oost-Duitsers een muur om dat te verhinderen
1
c
d
niveau 3
a
b
c
d
1
6-7
niveau 2
Mensen verlaten Oost-Berlijn/Mensen vluchten uit Oost-Berlijn.
1-5
niveau 1
a
Taxonomie van Bloom
7
Kennis
Feitenkennis
Cognitief proces
Oproepen Begrijpen
x
x
Toepassen
Analyseren
Evalueren
x
x
x
Conceptuele kennis
Procedurele kennis
Metacognitieve kennis
Creëren
Beschrijf zo nauwkeurig mogelijk wie en wat je op de
spotprent ziet.
8
Geef zo nauwkeurig mogelijk aan wanneer deze spotprent
is gemaakt. Waarom denk je dat?
9
In deze prent gemaakt door een Russische of een Westerse (Amerikaanse of
Engelse) tekenaar? Beredeneer je antwoord met behulp van elementen uit de
prent.
10
Wat wil de tekenaar met zijn prent zeggen?
11
Ben jij het eens met de visie van de tekenaar? Geef een beredeneerd
antwoord.
12
Wat wordt er van de leerlingen gevraagd 1?
13
Algemene vaardigheden
1. Informatie kunnen lezen en begrijpen:
–
De leerling begrijpt de vragen en de bronnen.
2. Informatie selecteren uit gegeven contextrijke bronnen:
–
De leerling zoekt in de bronnen relevante elementen die het mogelijk
maken een antwoord te geven op de vragen.
3. Informatie ordenen uit een veelheid van gegevens:
–
De leerling vergelijkt informatie uit de bron(nen) met eigen kennis.
4. Redeneervaardigheden:
–
De leerling bouwt, als antwoord op de vraag, een redenatie op met
argumenten ontleend aan de bronnen en eigen kennis.
Wat wordt er van de leerlingen gevraagd 2?
14
Historische vaardigheden
1. De leerling redeneert over en met bronnen
2. De leerling herkent in de bron (en de toelichting) een
interpretatie.
3. De leerling weet hoe je spotprent moet analyseren.
4. De leerling onderbouwt een interpretatie van de
spotprent.
Wat wordt er van de leerlingen gevraagd 3?
15
Metacognitieve vaardigheden
1.
2.
3.
4.
5.
Oriënteren op de opdracht:
– De leerling vraagt zich af waarop hij moet letten bij het analyseren van de
bronnen om antwoord te kunnen geven op de vragen
– De leerling weet wat er van hem verwacht wordt als hij een beredeneerd
antwoord moet geven.
Proces bewaken
– De leerling houdt tijdens de uitvoering van de taak in de gaten of het proces
volgens plan verloopt (monitoring)
Bijstellen
– De leerling vraagt zich, werkende aan de opdracht, geregeld af of de door
hem geselecteerde elementen inderdaad informatie geven die relevant is
voor het beantwoorden van de vragen.
Evalueren
– De leerling vraagt zich af of het door hem gegeven antwoord voldoet aan de
eisen die in de vragen gesteld zijn.
Reflecteren
– De leerling vraagt zich af of de door hem gekozen werkwijze heeft geleid tot
een bevredigend antwoord.
Wat wordt er van de leerlingen gevraagd 4?
16
Kennis
1. De leerling heeft contextkennis van de politieke
ontwikkelingen direct na de Tweede Wereldoorlog.
2. De leerling kent en begrijpt het begrip Koude Oorlog.
3. De leerling weet wat het Atlantisch Pact/de NAVO is.
4. De leerling herkent in de persoon rechts Stalin
5. De leerling herkent in de personen links Weterse landen,
die lid zijn van de NAVO.
6. De leerling weet dat je vanuit verschillende perspectieven
naar een gebeurtenis kunt kijken.
17
Analyse van spotprenten op hoofdlijnen
18
•
Denk na over de gebeurtenissen in die periode
Kijk naar de datum. Bedenk welke belangrijke gebeurtenissen er toen plaatsvonden. Wie waren
hierbij betrokken?
•
Kijk goed wat er op de prent te zien is
Schrijf op wat je allemaal op de prent ziet en let vooral op de details. Kijk wat er gebeurt/gedaan
wordt en hoe dit wordt weergegeven. Let nog niet op de betekenis.
•
Bedenk wat de tekenaar met de cartoon wil zeggen en wat zijn motieven zijn
Wie is de tekenaar, waar komt hij vandaan, wat is zijn achtergrond. Welke visie kan hij gehad
hebben op de gebeurtenis(sen)?
•
Ga terug naar de cartoon
Kijk goed naar wat je hebt genoteerd. Weet je waar de personen/dieren voor staan? Wat zeggen
ze en wat bedoelen ze? Bedenk dan wat de tekenaar met zijn prent wil zeggen.
•
Ga terug naar de gebeurtenissen
Vraag je tenslotte af welke nieuwe informatie je hebt gekregen over de gebeurtenis(sen). Begrijp
je nu beter wat er is gebeurd en hoe mensen daarover dachten?
Kijken naar personen
19
• Welke figuren/personages zie je? Beschrijf hun uiterlijk.
• Wie stellen deze figuren/personages voor? Een figuur kan een persoon
zijn die daadwerkelijk heeft bestaan maar kan ook een symbool zijn dat
betrekking heeft op een land of bepaalde groep. Let op tekst of
symbolen op hun lichamen!
• Zijn ze positief of negatief afgebeeld? Complimenteus, overdreven of
kritisch? Een cartoonist legt altijd kritiek, ironie of humor in zijn
tekening.
• Wat doen de hoofdfiguren? Wie of wat is het slachtoffer?
Kijken naar objecten
20
 Welke objecten zie je op de cartoon? Benoem ze allemaal.
 Wat stellen deze objecten voor? Let op symbolen op de afgebeelde
objecten en let op de symbolische betekenis van bepaalde objecten
(zoals donkere lucht = dreiging, treurwilg = treurnis, Christuskruis =
dood, schedel = dood).
 Zijn ze positief of negatief afgebeeld? Complimenteus, overdreven of
kritisch?
 Heeft de cartoon een onderschrift of een titel? Een onderschrift of titel
zegt veel over een cartoon. De tekst kan samenvattend zijn of de
bedoeling hebben een (grappige) boodschap duidelijk te maken.
Kijken naar het thema
21
 Op welke historische gebeurtenis heeft de cartoon betrekking? Bedenk
daarbij dat een cartoon niets anders is dan een
(kritisch/humorvol/ironisch) stripverhaal van een historische
gebeurtenis.
 Welke boodschap heeft de tekenaar over dit thema? Vraag je af wat de
mening van de tekenaar over het door hem afgebeelde thema is.
 Let ook op extra informatie. Staat de naam van de tekenaar
aangegeven? Zijn nationaliteit? Het jaar wanneer de cartoon is gemaakt
(is de cartoon getekend ten tijde van de gebeurtenis of veel later?)?
Vergelijking
22
Klopt de cartoon met wat jij over dit thema weet?
• Vergelijk of dat wat afgebeeld is, overeenkomt met
dat wat jij er van weet.
• Geeft de tekenaar hetzelfde beeld, of wijkt zijn versie
van het verhaal af?
Versie 1
23
1. Waarvan beschuldigt Stalin het westen?
2. Geef zo nauwkeurig mogelijk aan wanneer de spotprent is gemaakt. Licht je
antwoord toe.
3. Is de tekenaar het met Stalin eens? Licht je antwoord toe
Het prikkeldraad vormt de woorden Atlantic Pact
(Atlantisch verdrag= NAVO).
Encirclement! = Omsingeling!
Warmongers! = Oorlogsstokers!
De persoon rechts is Stalin
De personen links stellen NAVO-landen voor
Versie 2
24
1. Wie is de persoon rechts op de prent?
2. Welke landen zijn afgebeeld binnen het prikkeldraad?
3. Waarvan beschuldigt de persoon rechts op de prent de mensen binnen
het prikkeldraad?
4. Geef zo nauwkeurig mogelijk aan wanneer de spotprent is gemaakt. Licht
je antwoord toe.
5. Wat wil de tekenaar met zijn prent zeggen?
Toelichting
Het prikkeldraad vormt de woorden Atlantic
Pact (Atlantisch verdrag= NAVO).
Encirclement! = Omsingeling!
Warmongers! = Oorlogsstokers!
Versie 3
25
1.
2.
3.
4.
Wie is de persoon rechts op de prent?
Welke landen zijn afgebeeld binnen het prikkeldraad?
Welke organisatie wordt bedoeld met Atlantisch Pact?
Waarvan beschuldigt de persoon rechts op de prent de mensen binnen
het prikkeldraad?
5. Geef zo nauwkeurig mogelijk aan wanneer de spotprent is gemaakt. Licht
je antwoord toe.
6. Wat wil de tekenaar met zijn prent zeggen?
Toelichting
Het prikkeldraad vormt de woorden
Atlantic Pact (Atlantisch verdrag).
Encirclement! = Omsingeling!
Warmongers! = Oorlogsstokers!
Versie 4
26
1. Beschrijf zo nauwkeurig mogelijk wat en wie je ziet op deze spotprent.
2. Geef zo nauwkeurig mogelijk aan wanneer de spotprent is gemaakt.
Licht je antwoord toe.
3. Wat wil de tekenaar met zijn prent zeggen?
Toelichting
Het prikkeldraad vormt de woorden
Atlantic Pact (Atlantisch verdrag).
Encirclement! = Omsingeling!
Warmongers! = Oorlogsstokers!
Versie 5
27
1.
2.
3.
4.
5.
Wie is de persoon rechts op de prent?
Welke landen zijn afgebeeld binnen het prikkeldraad?
Welke organisatie wordt bedoeld met Atlantisch Pact?
Waarvan beschuldigt de persoon rechts op de prent de mensen binnen het prikkeldraad?
Geef zo nauwkeurig mogelijk aan wanneer de spotprent is gemaakt. Licht je antwoord
toe.
6. Wat wil de tekenaar met zijn prent zeggen?
Toelichting
Het prikkeldraad vormt de woorden
Atlantic Pact (Atlantisch verdrag).
Encirclement! = Omsingeling!
Warmongers! = Oorlogsstokers!
Versie 6
28
1. Dateer deze prent zo nauwkeurig mogelijk.
2. Is deze prent gemaakt door een Russische of een Westerse (Amerikaanse of
Engelse) tekenaar? Beredeneer je antwoord met behulp van elementen uit
de prent.
3. Wat wil de tekenaar met zijn prent zeggen?
Versie 7
29
1. Analyseer de spotprent.
De Navo
30
Vergelijk beide spotprenten met elkaar en maak duidelijk dat ze gemaakt zijn
door dezelfde tekenaar (Leslie Gilbert Illingworth ).

similar documents