Vragensessie Frans OP

Report
Sessie Frans
HZS 06.11.2013 L. Van Son
1. Mannelijk of Vrouwelijk?
 Volgende woorden zijn altijd vrouwelijk, al gaat het om
een man:
Une brute, une personne, une vedette, une victime, une
dupe, une recrue, une sentinelle
 Volgende woorden zijn altijd mannelijk, al gaat het om
een vrouw:
Un agent, un chauffeur, un facteur, un ingénieur, un
soldat, un témoin, un assassin, un bandit, un mannequin
1. Mannelijk of Vrouwelijk?
 Sommige woorden behouden de mannelijke vorm maar
passen het lidwoord/voornaamwoord aan:
Le/la juge ; le/la médecin ; le/la ministre ; le/la propriétaire
 Aan de uitgang (terminaison) van een woord kun je
ook zien of het mannelijk of vrouwelijk is. Leer welke
uitgangen vrouwelijk zijn en welke de uitzonderingen
zijn voor m/v (p.10-13)
2. Mannelijk en Vrouwelijk
 Pagina’s 15-18
Let in het bijzonder op de adjectieven met 2 mannelijke
vormen (17):
Un beau garçon, un bel homme
Un nouveau bâtiment, un nouvel adjoint
Un vieux château, un vieil espoir
Un fou rire, un fol amour
3. Plaats van het adjectief
 Pagina 25: hetzelfde adjectief kan een andere
betekenis hebben naargelang de plaats (voor of na het
substantief.
Ex. Mon propre pantalon vs. un pantalon propre
4. Persoonlijke
voornaamwoorden
 Een voornaamwoord is een woord dat een naamwoord
vervangt.
Bv. Paul geeft het boek aan Marie 
Hij geeft het aan haar.
Hoeveel kinderen hebt u? Ik heb er twee.
Kom je van Leuven? Ja, ik kom er net van.
Denk je aan de boodschappen? Ja, ik denk eraan!
 Overzicht persoonlijke voornaamwoorden: p.36
C.O.D. of C.O.I. ?
 Om het C.O.D. (lijdend voorwerp) te vinden, stel je de
vraag “wat/wie” bij het werkwoord:
Hij drinkt een pint. Wat drinkt hij? Een pint=COD
Hij scheert zich.  Wat/wie scheert hij? Zich(zelf)
=COD
C.O.D. of C.O.I. ?
 Om het C.O.I. (meewerkend voorwerp) te vinden, stel
je de vraag “voor wie/aan wie” bij het werkwoord:
Ik geef een cadeau aan mijn zus 
Ik geef wat? Een cadeau = COD
Ik geef een cadeau aan wie? Aan mijn zus = COI
C.O.D. of C.O.I. ?
Ik vraag me af wat hij doet. 
Ik vraag me af wat? Wat hij doet = COD
Ik vraag af wat hij doet aan wie? Me = COI
Met het voorzetsel à (aan) heb je een COI:
Je parle à mon frère  Je lui parle
J’écris à mes parents  Je leur écris
C.O.D. of C.O.I. ?
Venez, les enfants! Grand-père vous offre des chocolats.
vous = COI
Il te vend sa maison. te = COI; sa maison = COD
Tu me sers un cognac? me = COI; un cognac = COD
Vous m’écoutez? me = COD
Tu le visites souvent? le = COD
Tu lui rends souvent visite? lui = COI
Y en EN
 Y vervangt à, en + voorwerp:
Je pars en Alsace/à Paris dans quinze jours J’y pars
dans quinze jours.
Je pense tout le temps au boulot J’y pense tout le
temps.
!!! Je pense tout le temps à ma femme Je pense tout le
temps à elle
Y en EN
 EN vervangt de + voorwerp en hoeveelheden
Je reviens de Liège J’en reviens
Tu lui as parlé de notre affaire? Oui, je lui en ai parlé.
Vous avez plusieurs exemplaires? J’en ai plusieurs.
Vous voulez une boîte? Donnez m’en deux svp.
VOLGORDE
VOORNAAMWOORDEN
 Pagina’s 41-45 Aandacht voor het synthese schema
p.42
 Ne + voornaamwoord(en)+vervoegd ww.+ pas
Je ne le lui raconterai pas.
Tu ne me l’as pas demandé.
Ne le faites pas.
Vous ne vous êtes pas trompés.
Ne vous retournez pas!
5. L’ACCORD DES VERBES
PRONOMINAUX
 Les verbes pronominaux zijn de werkwoorden met “se”
in de infinitief: se baigner, se raser, se rappeler
 Voor de passé composé worden zij altijd met être
vervoegd:
Elle s’est réveillée à 7h.
Nous nous sommes couchés à minuit.
Je me suis intéressé(e) à l’art contemporain.
5. L’ACCORD DES VERBES
PRONOMINAUX
 De participe passé wordt aangepast als het
voornaamwoord (me, te, se, nous, vous, se) een COD
is. Wanneer je een andere COD (wat?) vindt na het
werkwoord, moet je niet aanpassen.
Elle s’est lavée
Elle s’est lavé les cheveux 
les cheveux = COD
Ils se sont salués
Ils se sont donné la main.
la main = COD
5. L’ACCORD DES VERBES
PRONOMINAUX
 Dit is dezelfde regel als bij de passé composé wanneer
je “avoir” gebruikt: alleen als de COD vóór het
werkwoord staat, wordt de participe passé aangepast.
p. 206
C’est la lettre que j’ai envoyée la lettre=COD
Ils se sont envoyé la lettre la lettre=COD: se=COI
Ils se la sont envoyée la=COD; se=COI
6. LES TEMPS
 Overzicht p. 78-79
 Indicatif présent/O.T.T. je prends
Passé composé/V.T.T.
J’ai pris
je suis venu
 Imparfait/O.V.T.
Je prenais
Plus-que-parfait/V.V.T.
J’avais pris
j’étais venu
6. LES TEMPS
 Futur simple/O.Toek.T.
Je prendrai
Futur antérieur/V.Toek.T.
J’aurai pris
je serai venu
 Passé simple: de meest verleden tijd, wordt enkel
schriftelijk formeel en literair gebruikt.
je pris
j’eus pris
6. Passé composé of
imparfait?
 Passé composé
Voltooide actie of feit: J’ai acheté une voiture.
Aangegeven tijdsduur: Il a regardé la télé
toute la soirée.
Precies moment: En 1830, l’indépendance a
été proclamée.
Opeenvolgende acties: Il est entré, il a mis ses
clés sur la commode et s’est assis.
6. Passé composé of
imparfait?
 L’imparfait
Een gewoonte: Martin se réveillait tous les
matins à 6 heures.
Een verleden situatie of beschrijving: A cette époque,
il était déjà vieux et malade.
La fête battait son plein quand l’orage a éclaté. Tout le monde
s’est précipité à l’intérieur pour se protéger de la pluie mais
c’était trop tard, nous étions tous trempés jusqu’aux os. Nous
avions froid mais un bon petit vin nous a vite réchauffés.
6. LES TEMPS
 Le conditionnel = voorwaardelijke wijszou
 le futur
zal
Conditionnel présent:
je prendrais
Conditionnel passé:
j’aurais pris
Het gebruik van de cond. is hetzelfde als in het
nederlands en wordt ook gebruikt om een vraag
beleefder/zachter te stellen:
Zou u achteruit willen gaan? Pourriez-vous reculer?
Constructie met si/als
 Wanneer si “als” betekent, wordt het nooit gevolgd
door een futur of een conditionnel!
Als ik geld heb, koop ik een auto. Si j’ai de l’argent,
j’achète/j’achèterai une voiture.
Als ik geld zou hebben, kocht ik een auto. Si j’avais de
l’argent, j’achèterais une voiture.
Als ik geld zou gehad hebben, had ik een auto gekocht. Si
j’avais eu de l’argent, j’aurais acheté une voiture.
Constructie met si/als
Bijzin
Hoofdzin
Si + ind.prés.
Ind.prés./Futur simple
Si + imparfait
Cond.prés.
Si + plus-que-parfait
Cond.passé
L’IMPÉRATIF
 3 vormen:
Pars! Vertrek!
Partons! Laat ons vertrekken!*
Partez! Vertrek! (aan u of jullie gericht)
* En dus niet: laissons-nous partir!
7. LE SUBJONCTIF
 p. 153-159
 De subjonctif wordt in enkele gevallen zelfstandig
gebruikt (153, A) maar meestal verschijnt hij in de bijzin
na que.
 Wordt gebruikt om het volgende uit te drukken:
Wil/wens en noodzakelijkheid
Twijfel en mogelijkheid
Gevoelens
7. LE SUBJONCTIF
 Wordt gebruikt na bepaalde bijwoorden in bijzinnen die
een doel, voorwaarde, tegenstelling, … uitdrukken.
 Verschil Indicatif/Subjonctif:
Bij de indicatif gaat het om de realiteit,
Bij subjonctif gaat het over wenselijkheid, mogelijkheid,
onzekerheid en gevoelens. Denk aan de link subjonctifsubjectief!
7. LE SUBJONCTIF
 Speciaal gebruik: in de relatieve/betrekkelijke bijzin, bv.
een man die werkt, een boek dat spannend is. De
subjonctif wordt gebruikt om aan te duiden dat men
een bepaalde kwaliteit of eigenschap vooropstelt.
Ik zoek iemand die de software kent. Je cherche
quelqu’un qui connaisse le logiciel.
Hij wil een secretaresse die meertalig is. Il veut une
secrétaire qui soit plurilingue.
 Let op het verschil indicatif/subjonctif:
Il a acheté une voiture qui a 7 places 
Il aimerait acheter une voiture qui ait 7 places.
Nous avons vu une maison qui est assez grande pour
nous tous.  Nous avons besoin d’une maison qui soit
assez grande pour nous tous.

similar documents