Conjunctuur

Report
Conjunctuur
Effectieve vraag
•
•
•
•
•
•
Effectieve vraag = bestedingen = wat geven we uit
Bestedingen: C + I + O + (E – M)
C = Consumptie door gezinnen
I = Investeringen door bedrijven
O = Overheidsbestedingen
E = Export (bestedingen van het buitenland bij
ons)
• M= import (wat we importeren, kopen we in het
buitenland en niet in ons eigen land)
Productiecapaciteit
•
•
•
•
•
Hoeveel kunnen we maximaal maken
Aantal werknemers x arbeidsproductiviteit
20 werknemers X 20 stoelen per medewerker
Productiecapaciteit = 400
De fabriek kan maximaal 400 stoelen maken.
Drie conjunctuur situaties
• Overbesteding: bestedingen >
productiecapaciteit (inflatie)
• Onderbesteding: bestedingen <
productiecapaciteit (werkloosheid)
• Bestedingsevenwicht: bestedingen =
productiecapaciteit
Voorbeeld
•
•
•
•
•
Fabriek kan maximaal 400 stoelen maken.
De effectieve vraag is echter 200 stoelen.
Fabriek maakt 200 stoelen en ontslaat 10 mensen
Fabriek stemt productie af op effectieve vraag
Bij 200 stoelen is er inkomensevenwicht
(productie is gelijk aan vraag: 200 = 200)
• Bij 200 stoelen is er wel onderbesteding (er wordt
minder gevraagd dan er maximaal gemaakt kan
worden en er ontstaat werkeloosheid: 200 < 400)
Inkomensevenwicht
• Inkomensevenwicht: situatie in de economie
waarbij de effectieve vraag gelijk is aan de
productie.
• Inkomensevenwicht wordt vanzelf bereikt omdat
ondernemers hun productie steeds afstemmen
op de vraag.
• Inkomensevenwicht kan gepaard gaan met
werkloosheid; er wordt weinig gevraagd en
geproduceerd; er zijn weinig werknemers nodig.
Voorbeeld 1
•
•
•
•
Productiecapaciteit: 400 stoelen
Effectieve vraag: 400 stoelen
Productie: 400 stoelen
Bestedingsevenwicht want effectieve vraag =
productiecapaciteit (iedereen aan het werk)
• Inkomensevenwicht want effectieve vraag =
productie
Voorbeeld 2
•
•
•
•
Productiecapaciteit: 400 stoelen
Effectieve vraag: 200 stoelen
Productie: 200 stoelen
Onderbesteding want effectieve vraag <
productiecapaciteit (werkloosheid)
• Inkomensevenwicht want effectieve vraag =
productie
Antwoord op werkloosheid
(Klassieken)
•
•
•
•
•
Lonen verlagen
Prijzen kunnen dalen bij bedrijven
Concurrentiepositie bedrijven neemt toe
Productie kan stijgen
Werkgelegenheid neemt toe en werkloosheid
daalt
Oplossen van werkloosheid (Keynes)
• Keynes antwoord op de klassieken: als je bij de
lonen verlaagt ontstaat er minder vraag en
wordt juist minder geproduceerd.
• Daarom juist consumptie verhogen (door
lonen te verhogen) of andere bestedingen te
verhogen (anticyclische begrotingspolitiek)
• Productie neemt toe
• Werkgelegenheid neemt toe, werkloosheid
neemt af
Model van Keynes
• Model: vereenvoudigde weergave van
werkelijkheid
Effectieve vraag
• In dit model: consumptie en investeringen
Effectieve vraag: consumptie
•
•
•
•
Effectieve vraag: consumptie
C = cY + Co
C= consumptie
c = marginale consumptiequote (geeft aan
welk deel gezinnen consumeren van elke extra
verdiende euro)
• Co = autonome consumptie (= consumptie die
niet afhangt van inkomen (Y))
Effectieve vraag: consumptie
•
•
•
•
Effectieve vraag: consumptie
C = 0,8Y + 20
O,8 = marginale consumptiequote.
Bij een inkomen (Y) van 400 is de consumptie
(0,8 X 400) + 20 = 340. De rest wordt
gespaard.
Gemiddelde consumptie
• Gemiddelde consumptiequote: welk deel van
het inkomen wordt geconsumeerd: C/Y
• Inkomen van 100
– Consumptie = 100 (0,8Y + 20)
– Gemiddelde consumptiequote = 100/100 = 1
• Inkomen van 200
– Consumptie = 180 (0,8Y + 20)
– Gemiddelde consumptiequote = 180/200 = 0,9
Effectieve vraag: investeringen
• I = Io
• I= 30
• Investeringen zijn in dit model autonoom en
niet afhankelijk van Y
• Dit is natuurlijk een vereenvoudiging van de
werkelijkheid. In het echt hangen
investeringen af van animal spirits zoals
Keynes het noemde
Inkomensevenwicht
• Bij inkomensevenwicht is de productie (Y) gelijk aan de
Effectieve vraag: Y = EV
– De effectieve vraag is:
•
•
•
•
•
EV = C + I
C = 0,8Y + 20
I = 30
EV = 0,8Y + 20 + 30
EV= 0,8Y + 50
– Y = 0,8y + 50
– 0,2Y = 50
– Y = 250
• Dus bij een productie van 250 is de EV vraag gelijk aan 250.
Bij een productie van 250 is er sprake van
inkomensevenwicht.
Inkomensevenwicht grafisch
• Zie uitgedeelde blad.
Vandaag
• Onderwerp: conjuncturele en structurele
werkloosheid
• Huiswerksom bekijken en bespreken
• Uitleg met opdracht
• Zelf opdrachten maken van hoofdstuk 3 en 4
werkgelegenheid
•
•
•
•
Een fabriek maakt 500 fietsen
Elke arbeider kan 20 fietsen maken
De werkgelegenheid is 25 arbeiders
Werkgelegenheid = productie :
arbeidsproductiviteit (Y : APT)
Werkgelegenhied
• Het nationaal inkomen (Y, productie) is 500
miljard.
• De arbeidsproductiviteit is 25.000
• Dan is de werkgelegenheid: 2 miljoen (Y : apt)
• Als de beroepsbevolking uit 3 miljoen mensen
bestaat, dan is de werkloosheid 1 miljoen
mensen
Opdracht
•
•
•
•
C = 0,6y + 30
I = 30
Beroepsbevolking: 4.000.000
APT = 50.000
– Hoe hoog is marginale consumptiequote?
– Bereken evenwichtsinkomen (Y = E.V.)
– Hoe hoog is gemiddelde consumptiequote bij het
evenwichtsinkomen?
– Bereken werkloosheid
– Hoe hoog moet Y zijn om iedereen aan het werk te
krijgen?
Opdracht
Hoe hoog is marginale consumptiequote:
0,6
Bereken evenwichtsinkomen
y = 0,6 y + 30 + 30
0,4Y = 60
y = 150 miljard
Hoe hoog is gemiddelde consumptiequote bij het
evenwichtsinkomen?
Bereken eerst consumptie bij Y van 150
C = (0,6 x 150) + 30 = 120
Deel dan de consumptie door het inkomen (Y)
c/y = 120/150 = 0,8
Opdracht
Bereken werkloosheid
150 miljard: 50.000 = 3 miljoen mensen aan het
werk. Beroepsbevolking is 4 miljoen, dus er zijn 1
miljoen werklozen
Hoe hoog moet Y zijn om iedereen aan het werk te
krijgen?
4 miljoen x 50.000 = 200 miljard
Conjuncturele en structurele
werkloosheid
• Stel dat met de beschikbare hoeveelheid
machines de productie (Y) maar tot 175
miljard kan stijgen.
• Dan is de maximale werkgelegenheid: 175
miljard : 50.000 = 3.500.000.
• Dan blijven er ook als alle machines volledig
bezet zijn een werkloosheid van 500.000.
• Dit noemen we structurele werkloosheid
voorbeeld
•
•
•
•
Productie van 150 miljard
Productiecapaciteit van 175 miljard
APT: 50.000
Beroepsbevolking: 4.000.000
Voorbeeld
• Werkgelegenheid: 150 miljard: 50.000 = 3
miljoen. De beroepsbevolking is 4 miljoen, dus
er zijn 1 miljoen werklozen
• Bij een maximale bezetting van de
productiecapaciteit, wordt er 175 miljard
gemaakt. De werkgelegenheid is dan
175 miljard: 50.000 = 3,5 miljoen. Er zijn dan
nog 0,5 miljoen werklozen.
Voorbeeld
• Dit is structurele werkloosheid omdat de
werkloosheid niet kan worden verminderd
door de bestedingen en de productie te
verhogen.
• In het voorbeeld zijn dus 0,5 miljoen
conjunctureel werklozen en 0,5 structureel
werklozen.
Huiswerk
• 4.1 t/m 4.6
• 3.13, 3.14 en 3.23.
Opdracht 4.2
a.
b.
c.
d.
50.000 x 7 miljoen = 350 miljard
300 miljard: 50.000 = 6 miljoen
7 miljoen – 6 miljoen = 1 miljoen
Conjuncturele werkloosheod
Opdracht 4.3
a. € 20.000 x 20 miljoen = 400 miljard
b. 360 miljard : 20.000 = 18 miljoen.
Werkloosheid = 2 miljoen
c. Te weinig bestedingen en dus productie om
iedereen aan het werk te helpen. De
productie moet dan 400 miljard zijn
Opdracht 4.4a
Y = 0,85C + 40
I = 65
EV = C + I
Y = EV
Y = 0,85C + 40 + 65
Y = 0,85C + 105
0,15 Y = 105
Y = 700
4.4
b. 760 miljard/40.000 = 19 miljoen is
beroepsbevolking
c. 700 miljard /40.000 = 17,5 miljoen mensen zijn
aan het werk. Werkloosheid is dus 1,5 miljoen
d. 720 miljard/40.000 = 18 miljoen mensen kunnen
werken als alle machines volledig bezet zijn. Dan
blijft er nog werkloosheid over van 1 miljoen.
Dat is structurele werkloosheid die we niet
kunnen oplossen door verhogen van
bestedingen
Vandaag
•
•
•
•
•
Een na laatste les over dit boekje.
Huiswerksom
Uitleg werkgelegenheid
Uitleg multiplier
Sommen
Werkgelegenheid (1)
• In een stad wonen 35 arbeiders die willen werken
(= beroepsbevolking)
• De enige fabriek/werkgever in de stad kan 600
fietsen maken (productiecapaciteit)
• De enige fabriek/werkgever in de stad maakt 500
fietsen
• Elke arbeider kan 20 fietsen maken (=apt)
• De werkgelegenheid is 25 arbeiders
• De totale werkloosheid is dus 10 arbeiders
Werkgelegenheid (2)
• De burgemeester wil de werkloosheid
terugdringen en bestelt 700 fietsen.
• Met een productie van 700 fietsen zijn alle
arbeiders aan het werk (700 : 20 = 35)
• De fabriek kan echter maar 600 fietsen maken
omdat de fabriek niet meer machines heeft.
• De productiecapaciteit is 600
Werkgelegenheid (3)
• De burgemeester bestelt er dan dus maar 600.
• De werkgelegenheid bij een productie van 600
is nu 600/20 = 30 arbeiders. De werkloosheid
is nu nog 5.
• Met de productie van 100 extra fietsen is de
conjuncturele werkloosheid opgelost.
Werkgelegenheid (4)
• Door de vraag en de productie te verhogen van
500 naar 600 lost de burgemeester de
conjuncturele werkloosheid op (dat is de
werkloosheid die kan worden opgelost door de
vraag en de productie te verhogen)
• De burgemeester kan de structurele
werkloosheid niet oplossen omdat de productie
niet kan worden verhoogd naar 700 fietsen. De
fabriek kan immers maar 600 fietsen maken
Multiplier
•
•
•
•
•
C= 0,6Y + 40
I = 80
EV = C +I
Y = EV
Berekening evenwichtsinkomen
–
–
–
–
Y = 0,6Y +40 + 80
Y = 0,6 Y + 120
0,4Y = 120
Y = 300
Multiplier
• Stel dat de APT = 60.000 en de
beroepsbevolking is 6 miljoen
• Heoveel werklozen zijn er dan?
• Werkgelegenheid = 300 miljard/60.000 = 5
miljoen
• Werkloosheid = 6 miljoen – 5 miljoen = 1
miljoen
• Bij 360 miljard is er volledige
werkgelegenheid. (60.000 x 6 miljoen)
Multiplier
• De productie moet dus met 60 miljard stijgen om
volledige werkgelegenheid te krijgen; van 300
miljard naar 360 miljard
• Het bijzonder is dat de autonome consumptie of
investeringen minder hoeven te stijgen dan met
60 miljard om de productie met 60 miljard te
laten stijgen
• Door het laten stijgen van de consumptie of
investeringen met 24 neemt de productie toe
met 60
Multiplier
•
•
•
•
•
•
•
•
C= 0,6Y + 64 (was 40)
I = 80
EV = C +I
Y = EV
Y = 0,6Y + 64 + 80
Y = 0,6 Y + 144
0,4Y = 144
Y = 360 (was 300)
Multiplier
• Dit effect noemen we de multiplierwerking
• Het werkt als volgt:
– door een toename van de consumptie, neemt de
effectieve vraag toe
– Als de e.v. toeneemt dan moet er meer geproduceerd
worden en nemen de investeringen toe
– Als er meer wordt geinvesteerd neemt de productie
en het inkomen toe
– Als het inkomen toeneemt, stijgt ook weer de
consumptie
Multiplier
• De multiplier kun je ook berekenen:
– 1/(1-c) waarbij c = de marginale consumptiequote
– In ons voorbeeld is de marginale
consumptriequote 0,6
– 1/(1-0,6) = 1/0,4 = 2,5
– 2,5 betekent dat de productie (Y) 2,5 keer zo hard
stijgt als de autonome consumptie of
investeringen.
Opdrachten
• 4.8 t/m 4.11
Opdracht 4.9
•
•
•
•
•
•
•
•
C= 0,8Y + 20
I = 60
EV = C +I
Y = EV
Y = 0,8Y + 20 + 60
Y = 0,8 Y + 80
0,2Y = 80
Y = 400
Opdracht 4.9
•
•
•
•
•
•
•
•
C= 0,8Y + 20
I = 60
EV = C +I
Y = EV
Y = 0,8Y + 20 + 60
Y = 0,8 Y + 80
0,2Y = 80
Y = 400
Opdracht 4.9
• Multiplier = 1/(1-c) = 1/(1-0,8) = 1/(0,2) = 5
• 500/5 = 100 ( 5 x 100 = 500)
• Een verandering van het nationaal inkomen is
gelijk aan de multiplier x verandering
autonome bestedingen (c of I)
Opdracht 4.10
•
•
•
•
•
•
•
•
•
C= 5/7Y + 45
I = 30
EV = C +I
Y = EV
Y = 5/7Y + 45 + 30
Y = 5/7Y + 75 (beide kanten 5/7Y aftrekken)
2/7Y = 75 (beide kanten delen door 2)
1/7Y = 37,5 (beide kanten x 7)
Y = 262,5
Opdracht 4.10
• Multiplier = 1 : (1-5/7) = 1 : 2/7 = 1 x 7/2 = 3,5
• 10 x 3,5 = 35
Opdracht 4.11
• Teken eerst lijn Y = EV (geeft alle mogelijke
inkomensevenwichten aan)
• Teken dan lijn: EV = C + I
• EV = 0,7Y + 150
• Vul een aantal Y waarden in.
Y (productie)
EV
o
150
(0,7 x 0) + 150
100
220
(0,7 x 100) + 150
200
290
(0,7 x 200) + 150
300
360
(o,7 x 300) + 150
500
500
(0,7 x 500) + 150
Multiplier
• Door de autonome investeringen of door de
autonome consumptie te verhogen, kan de
overheid ervoor zorgen dat het nationaal
inkomen (productie stijgt) en de conjuncturele
werkloosheid afneemt.
• Als de overheid ervoor zorgt dat de bestedingen
toenemen met 50 en de multiplier is 2, dan
neemt de productie toe met 100.
• Dit noemen we dan anti cyclische
begrotingspolitiek.
Opdracht 4.14
•
•
•
•
•
•
•
•
C= 0,75Y + 40
I = 50
EV = C +I
Y = EV
Y = 0,75Y + 90
0,25Y = 90
Y= 360
Multiplier = 4 (1/(1- 0,75)
Opdracht 4.14
• Wat gebeurt er nu als mensen een groter deel
van hun inkomen consumeren en de
marginale consumptiequote wordt 0,8)
• Bereken c, d en e
Opdracht 4.14
•
•
•
•
•
•
•
•
C= 0,8Y + 40
I = 50
EV = C +I
Y = EV
Y = 0,8Y + 90
0,2Y = 90
Y= 450
Multiplier = 5 (1/(1- 0,75)
Opdracht 4.14
• Als de marginale consumptiequote stijgt, stijgt
de multiplier en stijgt dus het nationaal
inkomen
• Hoe kan de marginale consumptiequote
stijgen?????
Opdracht 4.16
a. 350 miljard: 70.000 = 5 miljoen
b. 315 miljard: 70.000 = 4,5 miljoen
(werkloosheid = 0,5 miljoen)
c. 329 miljard: 70.000 = 4,7 miljoen. Structurele
werkloosheid is 0,3 miljoen. We kunnen de
productie opvoeren tot 329 miljard en verder
niet.

similar documents