Ondernemen A3f en H3a

Report
Ondernemen
Inleiding: Tips
Inleiding: Tips ter voorbereiding van het SO
1. Lijst met begrippen
• Leer goed de lijst met begrippen aan het begin van het boekje (blz. 4)
• Maak van de overige begrippen uit het boekje je eigen aanvullende lijst met
begrippen
• Leer al deze begrippen goed, ze zijn de basis om de sommen te kunnen maken
2. Balans en Resultatenrekening
• De Balans en Resultatenrekening van een bedrijf zijn overzichten die inzicht
geven in de financiële positie van het bedrijf
• Leer goed hoe de Balans en Resultatenrekening eruit zien
•
•
•
•
•
•
Balans: gaat over Bezittingen (links) en Schulden en Eigen vermogen (rechts)
Resultaten Rekening = Verlies en winst rekening: gaat over Kosten (links) en
Opbrengsten (rechts)
Leer welke posten in ieder van deze twee overzichten staan, en aan welke kant
Leer voor elke post of het bezittingen, schulden, kosten of opbrengsten zijn
De cijfers op de Balans en Resultatenrekening hebben altijd een plusteken, dwz
je vindt nooit cijfers met een minteken ervoor.
Het Totaal van linker en rechterkant op Balans moeten gelijk zijn: de balans is
dus in evenwicht (in balans); hetzelfde geldt voor Resultatenrekening
Ondernemen
Inleiding: Tips ter voorbereiding van het SO
3. Veranderingen van Balansposten
• Als er veranderingen van de balansposten zijn, noteer je deze veranderingen
in een aparte tabel
• Deze tabel is dus niet de Balans zelf, maar gaat alleen over de veranderingen
die plaatsvinden in een bepaalde periode (doordat het bedrijf produceert en
koop/verkoopt).
• De veranderingen in de Balans kunnen vervolgens weer in een nieuwe Balans
worden verwerkt:
• Je doet dit door per balanspost (bijv. Voorraad goederen) te kijken welke
veranderingen er allemaal zijn geweest en deze bij elkaar op te tellen, en
dit saldo vervolgens op te tellen (of af te trekken) bij de waarde van de
oorspronkelijke balanspost. Op deze manier krijg je de nieuwe waarde
van die balanspost in de nieuwe balans.
• Dus: Balans aan begin van een periode (bijv. 1 januari)  Veranderingen
op de Balans  Nieuwe balans aan het eind van de periode (bijv. 31
december)
• Veranderingen van de balansposten kunnen zowel een plu-s als een minteken
hebben (posten op de Balans zelf niet!!, die zijn altijd positief, zie vorige dia)
Ondernemen
Inleiding: Tips ter voorbereiding van het SO
4. Veranderingen op de Balans
• Als er veranderingen op de Balans zijn die te maken hebben met kosten:
• Kosten komen niet op de Balans voor, je kunt ze dus ook niet zetten in de
tabel voor veranderingen van balansposten
• De regel is dat als er kosten in het spel zijn, deze in de Veranderingen
van balansposten worden afgetrokken van het eigen vermogen
• Zulke kosten zijn bijv.
• interest (rente) op hypotheeklening
• afschrijvingen (waardevermindering vaste activa zoals auto’s of
gebouwen)
• Loonkosten
• Huurkosten
• Verzekeringskosten
• Reclamekosten
• benzinekosten
Ondernemen
Par. 2.1 Balans
Balans = Overzicht van bezittingen en schulden en eigen vermogen,
op een bepaald moment (dus momentopname: datum)
BALANS
Datum: ……………
Debet
Bezittingen
TOTAAL
Credit
€ ………
€ ……..
Eigen vermogen
€ ……..
Vreemd vermogen
€ ……..
TOTAAL
€ ……..
Ondernemen
Let op:
Balansposten op volgorde van looptijd zetten
Totalen links en rechts moeten altijd gelijk zijn
BALANS
Datum: ……………
Debet
Credit
Bezittingen
Vaste activa (VA)
Bijv. Gebouwen, auto’s,
inventaris (computers
etc.)
Vlottende activa (VLA)
Bijv. voorraden goederen,
debiteuren
Liquide middelen/activa (LA)
Bank, Kas
TOTAAL
Eigen vermogen (EV)
Vreemd vermogen (VV) = Schulden
Lang vreemd vermogen (LVV)
Bijv. hypothecaire lening,
andere langlopende
lening
Kort vreemd vermogen (KVV)
Bijv. crediteuren
€ ………….. TOTAAL
€ ………….
Ondernemen
•
Balanspost = post op de balans, bijv. Bank, Crediteuren etc.
•
Liquide activa = liquide middelen
•
•
Nog te ontvangen (of: vorderen) van afnemers = debiteuren
Nog te betalen aan leveranciers = crediteuren
•
Leverancierskrediet = kortlopend krediet dat door een bedrijf (als
leverancier) aan een klant wordt gegeven  leidt tot debiteuren (want
hij ontvangt nog geld, heeft nog geld tegoed)
•
•
Eigen vermogen is blijvend beschikbaar
Vreemd vermogen leidt tot verplichtingen: je moet het terugbetalen, +
rente betalen
•
Kredietwaardigheid: is een bedrijf sterk genoeg om een krediet aan te
verlenen?
Ondernemen
• Afnemer (Bedrijf B): Nog te betalen aan leveranciers  crediteuren =
bedrijven/personen aan wie nog geld betaald moet worden vanwege geleverde goederen
Leverancier levert goederen op rekening
Leverancier =
Bedrijf A
Afnemer =
Bedrijf B
Afnemer moet nog betalen
= crediteuren (schuld)
• Leverancier (Bedrijf A): Nog te ontvangen (of: vorderen) van afnemers
 debiteuren =
Bedrijven/personen van wie nog geld is te vorderen vanwege geleverde goederen
Leverancier levert goederen op rekening
Afnemer =
Bedrijf B
Leverancier =
Bedrijf A
Leverancier moet nog betaling ontvangen
= debiteuren (bezit)
Ondernemen
Liquiditeit en solvabiliteit
Indicatoren van de gezondheid van een bedrijf
Liquiditeit:
= current ratio
het vermogen van een bedrijf om kortlopende schulden te kunnen betalen
= (vlottende activa + liquide activa) / kortlopende schulden
 Moet minimaal 1,5 zijn
 Kijkt meer naar de kortere termijn gezondheid van het bedrijf
Solvabiliteit:
= het vermogen van een bedrijf om alle schulden te kunnen betalen in
geval van opheffing (faillissement)
= bezittingen / schulden
 Moet minimaal 2,0 zijn
 Meet de kredietwaardigheid van een bedrijf
 Kijkt meer naar de langere termijn gezondheid van het bedrijf
Ondernemen
Veranderingen op de balans:
Tabel voor verandering van balansposten: Veranderingen op de
balans worden opgeschreven in een Tabel voor verandering van
balansposten: zie tabel hieronder
Deze tabel is dus niet een Balans, hij geeft alleen de veranderingen in
de verschillende balansposten aan
Verandering in posten die normaal links op de balans staan, schrijf in
deze tabel ook links, veranderingen die normaal rechts op de balans
staan zet je hier ook rechts
•
•
•
Balansposten
1
Voorraden goederen
Bank
- 10.000
+ 10.000
2
Debiteuren
Voorraden goederen
Eigen vermogen
+13.500
-9.500
-4.000
Ondernemen
Veranderingen op de balans:
•
Balanspost Bank:
• Bank betekent: de bankrekening van het bedrijf
• Bank staat altijd links
• Uitzondering op deze regel = als het bedrijf rood staat bij de bank:
Als de balanspost Bank credit op de balans staat (dus aan de
rechterkant), betekent dat dat het saldo negatief is, dwz dat het
bedrijf rood staat (let op: het staat met niet met een minteken
genoteerd)
 In onderstaand voorbeeld: het bedrijf staat 9000 rood op zijn
bankrekening bij de Rabo.
• Maar let op: in de tabel voor veranderingen van de balans boek je
deze Bank wel weer links
Balans
Debet
Credit
Rabo Bank
ING Bank
11.000
9.000
Ondernemen
Veranderingen op de balans:
•
Bij het weergeven van veranderingen van de balans schrijf je de
veranderingen van de balanspost Bank altijd aan de debetzijde,
dus aan de linkerkant (ook als het om een bankrekening gaat waarop
het bedrijf rood staat)
• Een verbetering van het Bank saldo wordt met + aangegeven, een
verslechtering met een – teken.
•
•
Bijv. 1. Van de ING Bank is € 5.000 overgeschreven op Rabobank
Bijv. 2. Ontvangen van debiteuren: per Rabobank € 11.000 en per ING
Bank € 3.000
Balansposten
Veranderingen
1.
ING Bank
Rabobank
- 5.000
+ 5.000
2.
ING bank
Rabobank
Debiteuren
+ 3.000
+ 11.000
- 14.000
Ondernemen
Veranderingen op de balans:
•
•
•
Als er tegelijk aan debetzijde en creditzijde een verandering optreedt, dan hebben
deze veranderingen hetzelfde teken
• Bijv. 1. Gekocht op rekening goederen waarvoor een factuur werd ontvangen
van € 11.000; de goederen zijn ontvangen:  Veranderingen zijn:
• Voorraad goederen + € 11.000
• Crediteuren + € 11.000
• Bijv. 2. Een aanvullende hypothecaire lening gesloten van € 50.000; het
bedrag is per bank ontvangen  Veranderingen zijn:
• Bank + € 50.000
• Hypothecaire lening + € 50.000
Als er een verandering van 2 balansposten aan één zijde van de balans plaatsvindt,
dan hebben deze veranderingen een tegengesteld teken
• Bijv 3: Voorraad goederen ontvangen en betaald per Bank € 3000
 In beide gevallen wordt evenwicht op de balans gehandhaafd
1.
2.
3.
Balansposten
Veranderingen
Voorraden goederen
Crediteuren
11.000
Hypotheeklening
Bank
Voorraad goederen
11.000
50.000
50.000
3.000
Ondernemen
Veranderingen op de balans:
•
Als er goederen worden verkocht waarbij de verkoopprijs groter is dan
de inkoopprijs, wordt er met winst verkocht. Dit uit zich in een
toename van het Eigen vermogen.
• Bijv. Verkocht op rekening goederen voor € 4.500; de goederen
zijn afgeleverd. De inkoopprijs bedroeg € 2.650  Veranderingen
zijn:
• Voorraad goederen - €2.650
• Debiteuren + € 4.500
• Eigen vermogen + € 1.850
1.
2.
Balansposten
Veranderingen
Voorraden goederen
Debiteuren
Eigen vermogen
- 2.650
+ 4.500
+ 1.850
Ondernemen
Par. 2.2 Kosten, opbrengsten en winst
Begrippen en definities:
• Bedrijfsresultaat = winst of verlies
• Brutowinst = opbrengst – inkoopwaarde
•
•
Inkoopwaarde = kosten die je maakt voor inkopen van goederen voor productie
Brutowinst = krijg je niet in je hand
• Netto winst = opbrengst – inkoopwaarde – overige kosten
•
= opbrengst – alle kosten
= brutowinst – overige kosten
•
•
Overige kosten = bijv. loon-, rente-, afschrijvings-, huurkosten, reclamekosten
Netto winst = wat je in je hand krijgt = wat op de Resultatenrekening staat
• Kosten = geldbedrag ivm gebruikte middelen om te produceren
• Opbrengst = Omzet = aantal verkochte producten * verkoopprijs
Ondernemen
Resultatenrekening:
•
Resultatenrekening =
Winst en Verlies Rekening =
Overzicht van kosten en opbrengsten over een bepaalde periode
Resultatenrekening
Periode: Maart 2012
Kosten
(Winstsaldo)
€ ……… Opbrengsten
(€ .……..) (Verliessaldo)
TOTAAL
€ ……..
TOTAAL
€ ……..
(€ ……..)
€ ……..
•
Let op: Winst staat dus links!! (onder de Kosten) En Verlies rechts!! (onder de
Opbrengsten)
•
Regel: Veranderingen van de balans:
• Als winst  Eigen vermogen (EV) neemt toe
• Als verlies  EV neemt af
Ondernemen
•
•
Als kosten  EV neemt af
Als winst  EV neemt toe
Voorbeeld 1
• Betaald per bank loonkosten € 5.000
 Gevolgen voor Balans?
Voorbeeld 2
• Verkocht op rekening goederen voor € 60.000. De inkoopwaarde van deze
goederen was € 40.000
 Gevolgen voor Balans?
Let op: Je zet dus geen Kosten in deze tabel, want kosten staan nooit in de
Balans. (Kosten = bijv. interest (rente) op hypotheeklening, loonkosten,
afschrijvingen (waardevermindering vaste activa zoals auto’s of gebouwen) etc.
• Balansposten
Loonkosten
Veranderingen
• Huurkosten
1. • Bank
-5.000
Verzekeringskosten
vermogen
-5.000
• Eigen
Reclamekosten
2. • Debiteuren
+ 60.000
benzinekosten
Voorraad goederen
Eigen vermogen
- 40.000
+20.000
Ondernemen
Hf 4 Kosten
Voorkennis ophalen: herhalingsoefening
1. Wat staat links en wat staat rechts op de balans? Bezittingen; schulden en EV
2. Wat staat links en wat staat rechts op de resultatenrekening? Kosten; Opbrengsten
3. Wat is het verschil tussen bezittingen en opbrengsten?
• Bezittingen zijn dingen die een onderneming heeft om te produceren en verkopen
• Opbrengsten= omzet = is het geld dat een onderneming krijgt als hij dingen
verkoopt = aantal producten * prijs
4. Wat is het verschil tussen schulden en kosten?
• Kosten zijn uitgaven die een bedrijf doet om te kunnen produceren en verkopen
• Schulden ontstaan als het bedrijf leningen aangaat. Dit geld is niet van de
onderneming maar moet worden terugbetaald.
5. De totale kosten bestaan uit twee typen kosten. Welke zijn dat? Vaste kosten en
constante kosten
6. Geef de definitie van ieder van deze twee soorten kosten. Zie elders in deze
powerpoint
Ondernemen
Hf 4 Kosten
Kosten
• Constante kosten = TCK = Vaste kosten
• = kosten die niet toe/afnemen als de productie of afzet toe/afneemt
• Bijv. huurkosten, rentekosten op hypothecaire lening
• Variabele kosten = TVK = kosten die toe/afnemen als de productie
of afzet toe/afneemt
• Bijv. verpakkingskosten, benzinekosten, loonkosten (deels)
• Totale kosten = TK = constante kosten + variabele kosten
• Hallo
Ondernemen
Par. 2.2 Kosten, opbrengsten en winst
Gegeven:
•
Constante kosten = 50.000
•
Variabele kosten per stuk = € 25
Kosten
Afzet
(q)
Totale variabele
Kosten
(TVK)
Totale constante
kosten
(TCK)
Totale kosten
(TK)
0
0
50.000
50.000
1000
25.000
50.000
75.000
2000
50.000
50.000
100.000
4000
100.000
50.000
150.000
TK = Totale kosten
TVK = Totale variabele kosten
TCK = Totale constante kosten
q = afzet
Ondernemen
Kosten
Gegeven:
•
•
Kosten
Constante kosten = 50.000
Gemiddelde variabele kosten (GVK) = variabele kosten per stuk = € 35
Afzet
(q)
Totale variabele
Kosten
(TVK)
Totale constante
kosten
(TCK)
Totale kosten
(TK)
0
0
50.000
50.000
1000
25.000
50.000
75.000
2000
50.000
50.000
100.000
4000
100.000
50.000
150.000
TVK2 = Totale variabele kosten:
kostenlijn scharniert naar binnen bij toename GVK
TK = Totale kosten
TVK1 = Totale variabele kosten
TCK = Totale constante kosten
q (= afzet)
Ondernemen
Hf 4 Kosten
• Gemiddelde variabele kosten = GVK = variabele kosten per stuk
= totale variabele kosten/ productie of afzet = TVK / q
•  dus Totale variabele kosten (TVK) = GVK * q
• Gemiddelde constante kosten (per stuk) = GCK =
= totale constante kosten / productie of afzet = TCK / q
•  dus Totale constante kosten = GCK * q
• Gemiddelde totale kosten = GTK =
= totale kosten / afzet = TK / q
•  dus Totale kosten = GTK * q
• Kostprijs = gemiddelde totale kosten (variabele + constante) per
product = GTK

similar documents