Hoge Raad: voorwaardelijke ontbinding onder de Wwz nog mogelijk

Report
1
Hoge Raad: voorwaardelijke ontbinding
onder de Wwz nog mogelijk
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een voorwaardelijke ontbinding van de
arbeidsovereenkomst na een ontslag op staande voet ook onder de Wet Werk en
Zekerheid (Wwz) nog mogelijk is. Wel is deze mogelijkheid beperkt: een
voorwaardelijk ontbindingsverzoek kan alleen worden toegewezen als de
kantonrechter het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig acht. Acht hij het
wél rechtsgeldig, dan kan hij niet, vooruitlopend op een eventueel andersluidend
oordeel van het hof, een voorwaardelijke ontbinding uitspreken. Het hof kan
immers in hoger beroep nog herstel van het dienstverband bevelen. De
definitieve einddatum van de arbeidsrelatie is na een (onterecht) gegeven
ontslag op staande voet dus langer onzeker dan onder het oude recht.
Dit betekent dat werkgevers er bij het geven van ontslag op staande voet
rekening mee moeten houden dat zij zich niet meer volledig kunnen indekken
tegen het (ongunstige) oordeel dat dat ontslag niet rechtsgeldig is. Daarnaast
moeten ze rekening houden met een langere procedure dan vroeger doordat het
bewijsrecht – in beginsel – ook van toepassing is op de (voorwaardelijke)
ontbindingsprocedure. Voorzichtigheid is dan ook geboden.
Voor de invoering van de Wwz kwam het vaak voor dat de werkgever de kantonrechter
verzocht de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden, voor het geval de
dienstbetrekking toch niet door het ontslag op staande voet was geëindigd. Zo ontstond
snel duidelijkheid over de uiterlijke einddatum van de dienstbetrekking en kon een steeds
verder oplopende loonvordering worden voorkomen. Sinds de inwerkingtreding van de Wwz
zijn hoger beroep en cassatie mogelijk in de ontbindingsprocedure, en kan de
kantonrechter die snelle zekerheid dus niet langer verschaffen. Het was onduidelijk of een
voorwaardelijke ontbinding onder de Wwz überhaupt nog mogelijk was, nu de wet en de
wetsgeschiedenis hierover geen uitsluitsel geven.
De Hoge Raad oordeelt nu dat een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding ook onder de Wwz
nog mogelijk is, echter op beperktere schaal dan onder het oude recht. De kantonrechter
kan het voorwaardelijk ontbindingsverzoek alleen toewijzen als hij oordeelt dat het ontslag
op staande voet niet rechtsgeldig is. De kantonrechter moet volgens de Hoge Raad het
verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet van de werknemer en het verzoek
tot voorwaardelijke ontbinding van de werkgever zoveel mogelijk gelijktijdig behandelen.
Hij kan een voorwaardelijk ontbindingsverzoek nog wel afzonderlijk behandelen – en dus
eerder een uitspraak doen over de ontbinding dan over het ontslag op staande voet – als
aanhouding van het ontbindingsverzoek een onaanvaardbare vertraging van de procedure
zou opleveren. Of dat vaak zal voorkomen is de vraag, want de Hoge Raad oordeelt ook dat
het bewijsrecht in (voorwaardelijke) ontbindingsprocedures in beginsel van toepassing is,
De Brauw Blackstone Westbroek
-1/2-
15.01.2017
2
omdat – anders dan voorheen – onder de Wwz de mogelijkheid van hoger beroep en
cassatie bestaat na (voorwaardelijke) ontbindingsprocedures. De rechter kan de wettelijke
bewijsregels nog wel buiten toepassing laten, maar dat oordeel moet hij motiveren. Het is
dus mogelijk dat bijvoorbeeld getuigen gehoord moeten worden om te kunnen oordelen
over het (voorwaardelijke) ontbindingsverzoek. Het gevolg van deze beslissing is dat de
behandeling van een (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek langer kan duren dan voorheen.
De kantonrechter kan geen ontbinding uitspreken voor het geval dat het hof, omdat hij het
ontslag op staande voet niet rechtsgeldig vindt, herstel van het dienstverband beveelt. Als
dit wel mogelijk zou zijn, zou het hof zijn bevoegdheid om de arbeidsovereenkomst te
herstellen of een billijke vergoeding toe te kennen, niet volledig kunnen uitoefenen. Dit
vindt de Hoge Raad onwenselijk.
Ondanks het feit dat de mogelijkheden om snel definitieve zekerheid over de einddatum te
krijgen hiermee zijn ingeperkt, kan het nog steeds zinvol zijn een voorwaardelijk
ontbindingsverzoek in te stellen. Daarmee kunnen immers nog wel de gevolgen van een
nadelig oordeel van de kantonrechter, namelijk dat het ontslag op staande voet niet
gerechtvaardigd was, worden beperkt. Definitieve zekerheid valt echter niet meer te
verkrijgen, alleen al omdat een werknemer ook hoger beroep kan instellen tegen de
voorwaardelijke ontbinding.
De Brauw Blackstone Westbroek
-2/2-
15.01.2017

similar documents